De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

10 minuten leestijd

Voorbereiding Heilig Avondmaal

XVII.

   Naar de instelling van Christus heeft de Kerk twee Sacramenten, n.l. de H. Doop en het H. Avondmaal.
   De Voorbereiding gaat aan het Heilig Avondmaal vooraf ; de Dankzegging of Nabetrachting volgt er op.
   De Ambtsdrager heeft ook hier een ernstige taak en draagt zware verantwoordelijkheid. Want de toetreding tot de Tafel des Heeren is toch wel zulk een belangrijke zaak, dat men van tevoren zich wel ernstig mag afvragen voor het Aangezicht des Heeren, wat men onderneemt en op welke gronden ? Of men waarlijk hongert en dorst naar de gerechtigheid.
   Ik denk hier aan een man, die, ofschoon lid van de Gereformeerde Kerken, geregeld onder mijn gehoor was. Zo echt genoegelijk kon hij dan zeggen : domine. ik ga daar, waar ik het goed heb. Als u niet preekt, ga ik naar een ander stadsdeel". Ik heb hem gevraagd : „Maar, wanneer de tijd van het H. Avondmaal kwam en gij ergens anders kerktet, hebt gij dan nooit wat gemist ? "
   Eerst begreep hij mij niet, waarom ik hem dat nader verklaarde. Daarna gaf hij ten antwoord : ,, Neen, ik heb nooit wat gemist".
   „Ik vrees", was mijn bescheid, „dat gij dan wel de Waarheid overal na wilt lopen, d.w.z. datgene, wat naar uw gedachten de Waarheid is ; maar dat het u daarbij nog niet gaat om de gemeenschap met Christus".
   Later is hij toch lidmaat geworden van de Ned. Hervormde Kerk en tot het Heilig Avondmaal toegetreden.
   De tijd van 's Heeren Avondmaal, op de meeste plaatsen eenmaal in de drie maanden, blijft altijd weer een bijzondere tijd in het leven der Kerk.
   Op de aardse scholen heeft men de vaste repetitietijden. De leerlingen worden daar aan de tand gevoeld of en in hoever zij in kennis zijn toegenomen.
   Vergun mij, dit hier als beeld te gebruiken. De tijd der Voorbereiding is de tijd der geestelijke repetitie of der geestelijke zelfinkeer.
   Zulke ogenblikken hebben wij ook nodig, waarin wij voor het Aangezicht des Heeren de balans hebben op te maken. „Onderzoekt uzelven of gij uit het geloof zijt! Beproeft; uzelven !" Al sluit dit de zelfinkeer, iedere dag bij vernieuwing, niet uit. Het is nodig en nuttig, dat wij ons dan weer afvragen, waar de prediking des Woords ons gebracht heeft gedurende de afgelopen maanden. Want daar is geen stilstand in het werk der genade. Hij moet wassen ; wij minder worden.
   Nooit genoeg kunnen wij stilstaan bij deze. vraag, of het ons waarlijk om Christus gaat en om Gods eer in Hem. Wij moeten wakker geschud worden uit onze daagse sleur en ook uit de sleur van de geregelde kerkgang.
   Want gedurende lange tijd kan het ons wel eens wezen, alsof wij met de gewone Zondagsdienst slechts zeer uit de verte iets te maken hebben, terwijl de dingen van Gods Koninkrijk ons toch in het hart moesten raken.
   Paulus heeft in zijn brief aan de Fiiippenzen geschreven, dat het Ieven hem Christus was. Zo dikwijls heb ik al horen zeggen : „dat was Paulus ook".
   Wat willen wij daar eigenlijk mee zeggen ? Dat wij in zijn schoenen niet staan kunnen ? Nu, het past ons zeker, met eerbied tot hem op te zien ; maar vergeten wij niet, dat het bij ons ook zó wezen moest, dat het leven óns Christus is. Een ander Christendom is er immers niet buiten Christus.
   Wij kennen het zo goed van buiten, dat een mens zich zelf niet bekeren kan. Dat de Heere Zelf de deur van ons hart openen moet. Wij moeten er ook eens bij bepaald worden, hoe lang de Heere al gewacht heeft.
   Al deze dingen moeten in de. Voorbereidingstijd worden verwerkt en door de Geest verstaan : Buiten Christus is het niets en kan het nooit wat worden !
   Daarom worden aan de Voorbereidingspredikatie bijzondere eisen gesteld en behoren zij niet tot de gemakkelijkste.
   Ik reken daarbij niet de gevallen, waarin men er zich op goedkope wijze van af maakt en feitelijk geen Voorbereidingspreek houdt; alleen het woord „Voorbrteiding" af en toe noemt.
   Het gebeurt wel eens, dat dit gedeeltelijk zijn oorzaak hierin vindt, dat er in dezelfde preek ook andere dingen ter sprake komen en herdacht moeten worden. Dit behoeft geen bezwaar te wezen, wanneer het tegelijk bevestiging van nieuwe lidma­ ten is; het wordt dat echter wèl, wanneer er juist op die Zondag de een of andere tijdpreek gehouden moet worden, zoals dat in de oorlogsjaren nogal eens voorkwam. Ik weet wel, dat het in sommige gevallen niet anders kon, omdat verschillende toestanden het meebrachten. Men overdrijve hier echter vooral niet.
   Zou men handelen en spreken naar de zin en de wens van allerlei Comité's en Commissies, dan was het eind er van weg en wij hadden elke Zondag weer wat bijzonders. En dat mag niet. De geregelde Dienst des Woords en der H. Sacramenten moet zijn loop hebben.
   Er zijn predikanten, die in de Voorbereidingsdienst reeds een gedeelte van het Avondmaalsformulier voorlezen, en degenen, die op de volgende Zondag aan het H. Avondmaal wensen deel te nemen, verzoeken op te staan van hun zitplaat3en. Met name de laatste tijd wordt dit meer en meer, als een soort liturgie, ingevoerd.
   Het doet aan een aparte geloofsbelijdenis denken ; aan een soort demonstratie van hetgeen ik de volgende week doen zal.
   Waarvoor is dat toch nodig ? Er kunnen toch leden zijn, die een zware strijd in hun binnenste voeren en nog niet kunnen zeggen of zij aanstaande Zondag aan 's Heeren Tafel komen zullen.
   Moeten wij die dingen van tevoren al weer klaar maken ? Ik geloof dat de Kerk door een groot gevaar bedreigd wordt : Alles wordt verliturgiseerd, veruitwendigd. Ik dacht, dat de kracht der Reformatie indertijd lag in de pr-ediking des Woords; dus in het Woord. Dat kij daarin nóg ligt. Vooral de predikanten moeten dat niet vergeten. Zij hebben zich niet in hun studeerkamer neer te zetten met de gedachte: hoe krijg ik een mooie liturgie voor elkaar, maar in de eerste plaats : hoe ontvangt de Gemeente een goed gereformeerde preek, een degelijk stuk werk, waarin voedsel voor de ziel ligt.
   Nu is 't nogal eens : het magere preekje verdronk totaal in de liturgische zee.
   Laten de ambtsdragers dus ook hier liever met een degelijke voorbereidingspreek voor de dag komen.
   Deze preek sta dan vooral in het teken van het eerste stuk: hoe groot onze zonden en ellenden zijn, dus de kennis van zonden: .
   Niet om te weten of die kennis diep genoeg is, want dat komt op niets anders neer, dan op een zoeken van gronden bij zich zelf, waarin de ene nog dieper wil wezen en voelen dan de andere.
   Dan zou het feitelijk een soort dieptewedstrijd worden, waarin de winnaar eigenlijk met een voldaan gevoel over zich zelf naar de Tafel des Heeren kan gaan.
   Neen, ik moet mij zelf leren kennen als vloekwaardig voor God en mij vanwege mijn zonden mishagen en alzo uitgedreven worden naar Christus ; vluchten tot Hem als tot mijn enige toevlucht.
   In deze predikatie moet dus duidelijk uitkomen, voor wie het H. Avondmaal des Heeren is ingesteld ; opdat de waarlijk in zichzelf verlorene daaraan door de Heilige Geest houvast krijge; opdat in hem de behoefte ontwake naar het:

„Verzoen' de zware schuld. Die ons met schrik vervult ; Bewijs ons eens genade !"

   Hij moet er tevens op gewezen worden, dat, zo hij in onenigheid met zijn naaste verkeert, hij eerst moet heengaan en zich met zijn broeder verzoenen.
   Tevens kome in de prediking voor, voor wie het H. Avondmaal niet is, namelijk niet voor de hypokrieten en die zich niet met een waar hart tot God bekeren.
   Deze laatste zijde der prediking pleegt, ook onder degenen, die zich gereformeerd noemen, nogal eens verwaarloosd te worden.
   Het moet ons als predikers ook niet verdrieten om 't telkens weer te herhalen, wat de uitdrukking inhoudt: „Wie onwaardig eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel". Laat hierover toch vooral geen misverstand blijven bestaan. Er zijn al te veel mensen daardoor van de Tafel des Heeren weggebleven. Wanneer Pauius dat zegt, 1 Cor. 11 vs. 29 : „Want wie onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, niet onderscheidend het lichaam des Heeren", dan doelt hij daarmee op de misbruiken, die in de Gemeente van Corinthe binnen geslopen waren.
   Paulus zegt: „Wanneer gij tezamen komt, dan is dat om te eten en te drinken. Zo is het althans bij sommigen uwer. Gij komt eigenlijk samen, om u eens te goed te doen. De ene is hongerig, de andere zelfs dronken. Dat is niet deS Heeren Avondmaal eten".
   „Hebt gij geen huizen, om daar te eten en uw magen te vullen ? Gij onderscheidt niet meer het lichaam des Heeren".
   En dan waarschuwt hij met dat tekstwoord, dat wie op onwaardige wijze eet en drinkt, en niet meer onderscheidt, dat liet het lichaam en bloed des Heeren is, die eet en drinkt zichzelf een oordeel.
   Dat woord „onwaardig" of „onwaardiglijk" moet hier geen struikelblok zijn. Dat betekent niet: „als een onwaardige", want ik moet juist als een onwaardige in mijzelf naar de Tafel des Heeren. Het betekent : op onwaardige wijze, zó, dat men de tekenen en zegelen van 's Heeren lichaam en bloed op schandelijke wijze misbruikt.
   Weet gij, wat nu zo eigenaardig is ? "Wanneer een ambtsdrager deze explicatie aan sommige gemeenteleden geeft (en hij moet ze eerlijkheidshalve geven en niet bang zijn voor zijn rechtzinnige naam), dan zullen zij hem wel aanhoren en misschien ook niets tegenspreken, maar in hun hart geloven zij hem niet. Zij blijven er althans het hunne van denken.
   Daarom zei ik dan ook, dat het ons niet moet verdrieten, het toch altijd weer vol te houden. Als men er dan ook maar wat bij zegt, want het mag hier geen valse geruststelling zijn. Het gaat hier niet om een historische verklaring, zonder in het heden te grijpen.
   Dat woord van Paulus is niet slechts geschreven voor de Corinthiërs in zijn dagen, maar óok voor ons.
   Men vergete niet, dat die „Corinthische zonde", om ze zo maar te noemen, nog voorkomt.
   Wij geven deze verklaring dan ook niet, opdat men maar lichtvaardig zou denken. „O, die zonde in Corinthe hgt ver van mij ! Ik zou er toch niet over denken, naar de Tafel des Heeren te gaan, met het doel, om daar te eten en te drinken".
   Och neen, dat geloof ik ook niet. Maar Paulus zegt nog meer, namelijk : , Miet onderscheidend het lichaam des Heeren". Dit is iets, wat in onze tijd evenzeer, misschien nog meer, voorkomt.
   Loopt de gewoonte~avondmaalganger geen gevaar, dat hij het lichaam des Heeren niet meer onderscheidt ? Of de mens, die zegt: „als ik niet uit behoefte ga, dan ga ik uit gehoorzaamheid". Alsof dat de gehoorzaamheid der ellende of der verlossing of der dankbaarheid ware.
   Wanneer het ons in onze gang naar 's Heeren Tafel niet waarlijk om de Heere gaat, dan onderscheiden wij ook Zijn lichaam niet. Dan kunnen wij misschien verder van alles onderscheiden en overal aan denken, maar „dat lichaam en bloed des Heeren" gaat gedachteloos aan ons voorbij.
   En dat is iets, waarop ook wel terdege gewezen moet worden. 
   Het doel van de Voorbereiding en hare prediking moet dus wezen : niet, om de mensen van de Tafel des Heeren af te preken. Ook niet: om ze er aan te preken ; doch opdat Gods ware Kerk na behoorlijke Voorbereiding toetrede en met dè mond der ziel 's Heeren vlees mag eten en Zijn bloed mag drinken.
   Want weerzinwekkend is de voorstelling, die door sommigen van de Nachtmaalsbèdiening gegeven wordt, alsof Christus Zijn Tafel wel toegericht heeft, maar feitelijk gezegd zou hebben : „de Tafel is wel gereed, maar pas op, als gij er aan komt!" Of zoals een predikant eens zeide bij de Bediening van het H. Avondmaal: ,, Ik zelf heb geen vrijmoedigheid, maar als er onder u iemand is, die ze heeft, die kome dan maar !" Wat heeft de Gemeente .er aan, om dat te horen ! Zó werpt de Bedienaar zich op als een sta in de weg tussen de Heere en Zijn verloren schaap.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's