De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Hofnar van Gelre

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Hofnar van Gelre

FEUILLETON

4 minuten leestijd

Een verhaal uit het begin der 16e eeuw

Dat Wijntje om deze daad van de meester droogscheerder op hem en zijn gezin zeer gebeten was, laat zich indenken, want vrouw Van Dam is van een nijdige, wraakcfierige inborst.

Kort na dit feit kwam op een middag Cornelis, haar twaalfjarige zoon, toevallig voorbij de woning van meester Occo, gevolgd door enige baldadige straatjongens, die hem in 't ootje namen en op 't laatst hevig sarden. Onze knaap was niet tegen de belhamels opgewassen en daarbij geen vechtgraag ; vandaar dat hij niets terugdeed. Een der jongens, door deze gelatenheid nog meer aangezet, krabbelde «een kei uit de straat los en v/ierp die de arme knaap naar het hoofd. De worp was raak. Vreselijk gillende viel de ongelukkige met een bloedend hoofd op de grond.

Nu zetten de straatbengels het op een lopen.

Op het gegil van de jongen kwamen meester Occo en een paar knechts uit de winkel schieten.

Zij droegen hem naar binnen, en wiesen •en verbonden hem daar. Gelukkig bleek de wonde niet bijzonder gevaarlijk, zodat

de knaap weldra alleen naar huis kon gaan.

De volgende dag stond hij echter weder in meester Van Emden's winkel: gisteren had hij vergeten te bedanken, dat kwam hij nu doen.

De meester werd door de dankbaarheid van de knaap getroffen en stelde Cornelis voor, bij hem leerjongen te worden. Wel had Wijntje van Dam hier veel tegen, doch op het smeken van haar jongen stond zij 't ten laatste toe, temeer, daar hij tevergeefs bij andere meesters een plaats 'had gezocht.

En noch meester Occo, noch Cornelis hebben ooit over elkander te klager gehad ; zij gingen mekaar zelfs een hartelijke genegenheid toedragen. Cornelis zou voor zijn meester en meesteres door het vuur gaan. Wat zij zeggen, is voor hem eenvoudigweg orakeltaal. Geen wonder dan ook dat hij spoedig, nadat zij in stilte „de nieuwe leer" hebben omhelsd, eii vrouw Van Emden' hem nu en dan al eens over die leer heeft gesproken, in zijn hart de Roomse kerk heeft vaarwel gezegd. Moeder Wijntje, die dit weldra bemerkte, heeft hem er dikwijls over onderhouden ; ook pater Boudewijn, bij wie hij vroeger ter biecht ging, bracht hem vaak onder het oog, hoe vermaledijd de ketters zijn. Het baatte niemendal.- Cornelis verscheen niet meer in de biechtstoel en iging niet meer naar de mis. Daarop heeft de pater hem wel gedreigd met de vreselijkste straffen, ja, gezegd, hem als ketter te zullen aanklagen, dan kon hij verbrand worden.

Maar ook dat heeft niets gegeven.

Moeder Wijntje berust er nu half eu half in : iedere dag bidt zij enige paternosters en avemarietjes meer, opdat de Heiligen haar arme jongen toch van het verkeerde pad mogen terugroepen. Spreekt de pater haar evenwel van straffen, dan smeekt zij hem hartstochtelijk haar zoon te sparen, die goede, beste jongen, die zij ze innig liefheeft, het enigste wat zij nog op de wereld bezit; en houdt bij zulke gelegenheden de strenge man voor, hoe Cornelis niet helemaal toerekenbaar is en wel spoedig op haar bidden op de rechte weg zal terugkomen.

Pater Boudewijn heeft zich laten verbidden, echter onder één voorwaarde,

In de avond, volgend op die, waarin bij meester Occo zo onverwacht die twee gasten verschenen, is Cornelis reeds om acht uur naar bed gegaan, boven op het zolderkamertje, rillerig, en met een pijnend en bonzend hoofd.

Moeder Wijntje heeft vlier getrokken en haar jongen een kop van het aftreksel te drinken gegeven.

„En nu maar gauw onder de dekens ; warmte moet de kou uitdrijven, m'n jongen, " 'heeft ze gezegd. „Je moet ook maar eens tot een Heilige bidden, dat helpt ook altijd. Laat 's kijken, welke 'Heilige voor hoofdpijn moet aangeroepen worden Bijlo ! ik weet het op het ogenblik niet. Maar wacht Sint Kunera is voor keelpijn, nu, die zal dan ook wel voor hoofdpijn helpen. Of anders Sint Lukas ; die was bij zijn leven ook zoveel als geneesmeester "

(Wordt vervolgd) 119

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Hofnar van Gelre

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's