De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Hofnar van Gelre

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Hofnar van Gelre

FEUILLETON

4 minuten leestijd

Een verhaal uit het begin der 16e, eeuw.

   Dan, hoe warm onze jonge man ook ligt, inslapen kan hij toch niet. Het klopt en hamert en snijdt in zijn hoofd, of er een bende kwajongens bezig is hem te tergen, u eens ligt hij op de rechterzij, dan weer links. Als 't niet zo flauw was voor een man, zou hij gaan schreien.
   Maar stil ! gaat daar de voordeur niet open ? De winkel is al een poos gesloten ; wie of er nog zo laat bij moeder moet wezen ? Ja, er komt iemand binnen én nog wel in de huiskamer, hij hoort duidelijk een hoge mannenstem
   Hé, wie zou dat zijn, nog zo laat ? Kan hij moeder wel met een vreemde op dit uur alleen laten ? 
't Lijkt wel, of de pijn opeens wat mindert, en nieuwsgierigheid doet hem een ogenblik het overige vergeten.
   Zachtkens, de adem in, glijdt hij uit de bedstee en schuifelt een paar passen voort tot in de uiterste hoek van het slaaphokje.
   Kijk, daar straalt door een reet in de zoldering een lichtstreep van beneden naar boven. Cornelis buigt zich voorover, knielt bij de reet neer en tuurt er met zijn ene oog doorheen.
   „Ah! pater Boudewijn !" mompelt hij. : ,,Daar steekt wat achter, al zeg ik 't zelf!" Om duidelijk te kunnen verstaan, wat daar beneden verhandeld wordt, legt hij zijn oor op de reet.

   ,,Och, heer pater , " hoort hij zijn moeder zeggen, ,, er is gisteren wel een samenkomst bij meester Occo aan huis geweest, maar ik weet niet wie " ,,Zo Wijntje, wil je voor mij verbergen, wat je er van weet ? En vroeger heb je mij plechtig beloofd, alles te zullen doen tot heil der Kerk, wat ik je zou vragen, als ik maar je jongen ongemoeid wou laten. Ik heb je bovendien laatst nog toegezegd, je in staat te zullen stelleniom je op die ketterse droogscheerder te wreken. Ook moet je bedenken, hoe vaak ik je in nood heb bijgesprongen. Ben je dat alles nu vergeten ? "
   ,, Wacharme, ja, heer pater, ja, dat is allemaal zo, en ik ben er u nog dankbaar voor, maar "
   ,,Kom, kom, vrouw Van Dam, geen uitvluchten nu ; zeg op, wat je weet en wie er al zo zijn bijeengeweest. Ik weet tenminste, dat er gisteravond twee vreemde mannen bij meester Occo zijn binnengegaan. Waarschijnlijk waren het wel ketterse missionarissen uit Oost-Friesland. Men heeft mij althans vandaar bericht, dat een afvallige monnik door die vermaledijde Oostfriese graaf naar Gelderland is gezonden om hier te spionneren en de ware zonen en dochters der Kerk afvallig te maken. Korts moet die ook hier geweest zijn, en naar de beschrijvingen, die ik van hem heb, moet het stellig een der vreemdelingen van gisteravond zijn, wier gangen ik heb laten nagaan.
   Begrijp eens ! als wij nu konden bewijzen, dat zij bij meester Occo in huis zijn, dan zouden we onze hertog, die toch al met de Oost-Friezen in vijandschap leeft, reden tot grote tevredenheid geven. En — wat nog meer zegt - ons zou een goede prijs voor het aanbrengen van zulke ketters en spionnen niet ontgaan. Meester Occo zit ér warmpjes bij, ; als we hem konden aanklagen als ketter en verrader, dan zou ons tweederden van zijn vermogen toevallen. — Nu, wat zeg je daarvan ? "
   „Och, heer pater Maar waarom gaat u zelf niet bij meester Occo onderzoeken, of het spionnen zijn?
   ,, Bijlo ! dat zou wat helpen ! Alsof ze dan niet meteen kunnen verstoppen, wat ze niet willen laten zien, en alsof ik maar zo zonder deugdelijke bewijzen het huis van zo'n invloedrijk poorter als meester Occo zou kunnen laten doorzoeken. Daar zou de schout niet aan willen. En die bewijzen moet jij me verschaffen. Wijntje, of "
   „Ach, ik arme weduwe ! maar, heer pater, ik weet niet ik ken die mannen niet ik "
   „Zo, zó, wel, weet je van niets ? Nu, bij de heilige Dominicus, dan zal ik je zoon wel laten spreken. We weten heel goed, dat hij al lang in 't geheim is afgedwaald naar dat vermaledijde, nieuwe geloof. En je weet ook heel goed, dat ik hem altijd gespaard heb om jou geen verdriet aan te doen, moeder Wijntje; en ook, om nog te eniger tijd eens goede bewijzen voor de ketterij van meester Occo en andere personen hier in Harderwijk in handen te krijgen. Binnenkort komt hertog Karel hier. Die zal ik menig kettertje aanbrengen, en Cornelis zal een van de eersten zijn. En bij St. Nicolaas, onze patroon, onze hertog zal hem wel tot spreken weten te dwingen."

(Wordt vervolgd)

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Hofnar van Gelre

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's