DE VROUW IN DE KERK
Nieuw Testamentische perspectieven door dr. N. J. Hommes. T. Wever. 1951. Franeker. Prijs geb. ƒ 6.90.
Het vraagstuk heeft de aandacht in onze dagen. Wij bespraken nog onlangs min of meer uitvoerig de dissertatie van dr. Huls, Hervormd pred. te Gouda, en ongeveer tegelijkertijd verscheen het bovengenoemde werk van dr. N. J. Hommes, Gereformeerd predikant. Hij geeft ons een gedegen stuk werk in dit boek, waarvoor wij gaarne onze waardering uitspreken eri, waarvan wij met belangstelling kennis hebben genomen.
Reeds in zijn inleiding gewaagt hij van ,,de feitelijke non-activiteit en onmondigheid der vrouw in de kerk".
In het Tweede Hoofdstuk wordt de stand van zaken in ,,onze kerken" (de Gereformeerde Kerken) getekend.
Het Derde Hoofdstuk gaat over : ,,het zwijgen der vrouw in de Schrift". Hiermede wordt een voornaam punt aangeroerd. Betekent dit woord, dat de vrouw in de samenkomst der gemeente „haar mond zal houden", zonder restrictie, dan is daarmede de vraag over de toelating tot het ambt vrijwel beslist. Het gaat dus allereerst over de betekenis van 1 Cor. 14 : 34, 35 en 1 Tim. 2:12.
Dr. Hommes begint met de uitlegging van prof. de Zwaan en van prof. Grosheide, die nog al verschillen, naast elkander te zetten.
Prof. de Zwaan is van mening, dat in deze teksten over de gehuwde vrouw wordt gesproken èn niet over de vrouwelijke leden der gemeente als zodanig (blz. 25-26). Dus hier zou geen sprake zijn van een spreekverbod.
Daarentegen wordt gesproken van een tegendeel, n.l. Hand. 2 : 7. Uw zonen en uw dochters zullen profeteren.
Hier komt dus de vraag over dat profeteren in het midden. Hand. 21:9 spreekt van de vier dochters van Philippus, die profetessen waren.
Vgl. ook 1 Cor. 11 : 4, 5, waar Paulus spreekt over de vrouw, die bidt en profeteert in de samenkomsten der gemeente.
Verder wijst prof, de Zwaan op Gal. 3 : 28 : In Christus geen Jood of Griek, slaaf of vrij, manlijk of vrouwelijk. Gij allen zijt immers één in Christus.
Reeds eerder heb ik de aandacht gevestigd op het feit, dat deze uitspraak van de apostel in dit leven zomin de Jood als de Griek, de slaaf als de vrije, het manlijke als het vrouwelijke opheft. De orde der wedergeboorte neemt de orde der schepping in dit leven niet weg, wijl de geestelijke orde een orde des geloofs is. Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen, zegt Johannes.
Paulus zou dus in de bovenaangehaalde plaatsen het ideaal der Christelijke huisvrouw tekenen (blz. 26).
Ook in 1 Tim. 2 : 12-15 gaat het niet over ,,de man" of ,,de vrouw", maar over ,,echtgenoten", zegt prof. de Zwaan (blz. 27).
Daarentegen denkt prof. Grosheide geheel anders over deze dingen. Hij ziet in 1 Cor. 14 : 34 een absoluut verbod voor de vrouw.
Nu komt hij dus in moeilijkheid omtrent het profeteren. Prof. Grosheide is van mening, dat het profeteren der vrouwen dus niet in de samenkomsten der gemeente plaats vond.
Wat nu de kwestie van de gehuwde vrouw aangaat, ben ik geenszins van mening, dat dit ook maar iets afdoet van een algemeen zwijgverbod der vrouw in de gemeente. Toegegeven, dat prof. de Zwaan juist heeft gezien, dat de apostel over de gehuwde vrouw spreekt, een mening, welke ook door dr. Hommes wordt gedeeld, ben ik van oordeel, dat de nadruk van de apostel op de scheppingsorde : deïnan is het hoofd der vrouw een conclusie, alsof het spreekverbod voor de ongehuwde vrouw niet zou gelden, ten enenmale uitsluit.
Of zou men menen, dat de apostel Paulus aan de ongehuwde dochter in de gemeente zou toestaan, wat zij aan haar moeder verbood ?
Men moge veel op rekening stellen van de emancipatiezucht te Corinthe, als dit juist is, is daarin nog meer een argument voor het standpunt, dat aan de ongehuwde dochter niet is toegestaan, wat aan haar moeder is verboden.
Dr. Hommes drukt vervolgens de plaatsen 1 Cor. 14 : 34, 35 en 1 Tim. 2 : 11, 12 af (blz. 35), om zijn eigen exegese te geven. Terecht is hij van oordeel, dat het hier gaat over de officiële samenkomst der gemeente evenals prof. Grosheide. (Vergelijk 1 Tim. 3: 15).
Het is ook juist, als dr. Hommes de betekenis van het ,,onderdanig" zijn der vrouw aan haar man, niet verkleint, reeds op grond van de verhouding van Christus en Zijn gemeente. (Efeze 5 ; 24). Zie blz. 38. Paulus handhaaft ook op het terrein der genade de verhoudingen van onderdanigheid in deze wereld.
Hij leest uit beide teksten, dat de vrouw zich in de gemeente ,,rustig moet houden", en ,,in onderdanigheid".
Zoals gezegd, deelt dr. Hommes ook het inzicht, daf de apostel Paulus spreekt over de roeping van de Christenhuisvrouw. Hij concludeert intussen, dat de twee afgedrukte plaatsen geen beletsel vormen voor het vrouwenstemrecht, noch ook de weg versperren voor de vrouw naar het ambt.
Dr. Hommes merkt n.l. op, dat over de ongehuwde vrouw niet wordt gesproken en dat van een algemeen spreekverbod in de aangevoerde plaatsen geen sprake is, doch alleen over het gedrag van de gehuwde vrouw in de gemeente, (blz. 40).
Het volgende hoofdstuk gaat over ,,de tegenstrijdigheden bij Paulus". Dit hoofdstuk legt de nadruk op de natuurlijke ongelijkheid en geestelijke gelijkheid van man en vrouw. Volgens dr. Hommes stelt de eerste grenzen aan de tweede.
Daarna gaat de schrijver weer over tot het ,,Profeteren en zwijgen". Daarbij gaat het over het profeteren in of buiten de samenkomst der gemeente. Hij denkt aan profeteren der vrouwen in de vergadering der gemeente. (1 Cor. 11 : 5). Ireneüs en Tertullianus lazen dit ook zo.
Er kan geen tegenspraak in de Schrift zijn, dus kan het zwijgverbod niet absoluut zijn geweest. Daartoe trekt hij zich terug op de huwelijksverhouding en zinspeelt bedektelijk op de emancipatiezucht der ,,woelige Corinthische dames" (blz. 56). Alsof de apostel de ongehuwde dames niet onder de orde zou gesteld hebben, waarop dr. Hommes zo met nadruk wijst.
Hij wil er vervolgens nog eens op wijzen, dat deze plaatsen niets van doen zouden hebben met de vraag over het kiesrecht der vrouw (blz. 57). Dit zou op een andere materie slaan.
,,De zin van het zwijgverbod". 1 Cor. 11 : 5 is zijn uitgangspunt.
Het verboden spreken zou niet zo zeer het profeteren, maar het disputeren, tragen stellen, critiseren, redeneren betreffen (de Moor en Bavinck). Het zou dus gaan over de discussie naar aanleiding van het profeteren. De (gehuwde) vrouw zou dus geen deel mogen nemen aan het „openbaar debat".
De vrouw zou het vrouwelijk „decorum" verliezen. Zij moet haar man thuis vragen.
Indien dat juist is •— en er is iets voor te zeggen — dat het profeteren, het spreken in tongen, aanleiding gaf tot vragen omtrent de betekenis daarvan en zo een al te levendig debat zou uitlokken, dat zelfs verwarring kon brengen, zou dus het debat in de samenkomst der gemeente verboden zijn voor de vrouw. Paulus zou dan gezegd hebben: dat moeten gehuwde vrouwen niet doen.
Maar kan dit zo maar betekenen, dat dit verbod alleen de gehuwde vrouw treft? Men kan uit dit gegeven zeker niet de conclusie trekken, dat de ongehuwde vrouw zich wel mocht „mengen in de critische discussie over de zin der gedane profetie".
Of ligt het niet veel eer voor de hand, dat ook hier de jonge dochter vanzelfsprekend aan haar vader onderdanig was naar Numeri 30 en dat zij geen aanleiding tot stoornis gegeven heeft ?
Intussen kan men bezwaarlijk een beroep doen op Rabbijnse voorschriften of Romeinse wetten, zoals dr. Hommes aantoont. Het Oude Testament leert duidelijk, dat de gehuwde vrouw onder de man en de dochter onder de vader staat. Daarom kan Paulus terecht wijzen op de Wet.
Wij achten dit ook van meer belang dan te verwijzen naar de toestanden in het heidendom. Deze kunnen zeker aanleiding gegeven hebben aan de apostelen om met meer kracht op de eis van het zedelijk leven in de gemeente te wijzen. Dat kan echter niet betekenen, dat de apostel in onze dagen heel anders zou spreken. Hij spreekt met het gezag van de apostel van Godswege.
Daarom is het van betekenis, dat hij zo grote nadruk legt op de verhoudingen van gezag en onderdanigheid b.v. de man is het hoofd der vrouw.
Dit raakt aan de kwestie, welke nog steeds in het geding is tussen de verschillende uitleggers : heeft deze goddelijke orde alleen betrekking op de huwelijksverhouding, of heeft zij ook gevolgen voor de algemene verhouding van man en vrouw ? Wij bedoelen daarmede niet, dat iedere vrouw onderdanigheid zou schuldig zijn aan iedere man. Dat zou een dwaasheid zijn. Maar heeft het toch wel de zin, dat de macht en verantwoordelijkheid van de heerschappij, van het regeren, voor de man is weggelegd en niet voor de vrouw ?
Het niet mogen debatteren in de gemeente mag volgens dr. Hommes buiten deze materie omgaan, maar daarvan ben ik door hem niet overtuigd. Hij zelf schrijft op blz. 86/87: Er is drieërlei gemeenschaps- en subordinatie-verhouding : God- Christus, Christus-man, man-vrouw, aangeduid door het woord hoofd.
Dr. Hommes ontkent zeer beslist, dat de apostel hier doelt op de verhouding van man tot vrouw in het algemeen. Paulus zou alleen aan de verhouding in het huwelijk gedacht hebben.
Daarmede is echter de zo even door hem gestelde reeks : God-Christus, Christusman, man-vrouw, niet duidelijk gemaakt, want de verhouding Christus-man betreft zeker niet alleen de gehuwde man, maar iedere man, de man als man! En in deze verhoudingen gaat het over de heerschappij.
Het helpt ons ook niet uit de moeilijkheid, dat de samenkomst der gemeente in de eerste Christengemeenten een ander karakter droeg dan in later tijd en meer een vorm van gedachtenwisseling had, waarin dan de vrouw moest zwijgen.
Toegegeven, dat zij mocht profeteren •— want wie zal de Heilige Geest weder staan ? , — was het haar toch niet toegestaan te debatteren. Ook niet om te leren.
Toegegeven ook, dat onder dit leren een elkander leren een onderlinge functie moet worden verstaan. (Col. 3 : 16). Hier wordt ook van elkander leren en terechtwijzen gesproken.
Dit laatste rechtvaardigt ook volgens dr. Hommes het zwijggebod aan de (gehuwde) vrouw, (blz. 117). Het betaamt haar niet vanwege haar onderdanigheid, zegt hij. Terecht wijzen is een gezag uitoefenen over de man.
Wij vragen, behoort het terechtwijzen niet bij het ambt van de herder en leraar ? Kan hij predikant, herder en leraar zijn, zonder terechtwijzing ? En dat in het algemeen tegenover mannen en vrouwen, tegenover alle gemeenteleden, wanneer daartoe aanleiding is ?
Is dat niet een ambtelijke functie, welke ook de man alleen op gezag van Christus kan en mag vervullen, zoals de huisvader tegenover zijn vrouw en kinderen zulks ook alleen op Gods gebod kan doen ?
Heeft hij dat gezag uit andere hoofde dan krachtens zijn opzieners- o[ ouderlingenambt, waarvan dr. Hommes zelf toegeeft, dat alleen mannen daartoe worden geroepen? (blz. 139, 175).
En dat gezag gaat over alle leden der gemeente. Juist dat niet mogen terecht wijzen der vrouw^ kan verklaren, waarom geen vrouw tot opziener of ouderling werd verkozen.
De gezagsvraag maakt hier alles uit. Veeleer is de vraag dus aan de orde, of niet juist de gehuwde vrouw in de eerste gemeente de algemene gezagsverhouding Christus-man, en man-vrouw dreigde te verstoren, en dat daarin de oorzaak ligt^ dat de apostel haar zozeer op de orde des huwelijks wijst.
Het is dan ook volstrekt niet duidelijk, als ds. Hommes het predikambt als van andere orde onderscheidt, aangezien het uit het ouderlingschap is geboren.
Wel is het duidelijk, dat de uitsluiting van de vrouw uit het opzieners- of ouderlingenambt haar medarbeid in de igemeente niet uitsluit. Wij denken ook aan de vrouwelijke diaken.
En dat het opzieners- en ouderlingenambt in het N. T. een ambt is, evenals het diakenambt, zal wel niemand ontkennen.
Overigens kan men uit de exegetische argumenten van dr. Hommes en uit het totaalbeeld van het N. T. precies tot een tegengestelde conclusie komen, als hij. Het onderling ,,leren en terechtwijzen", waarbij de (gehuwde) vrouw werd geboden te zwijgen, kan zeker geen grond zijn om aaa de ongehuwde vrouw het leren en terechtwijzen in het predikambt toe te staan.
En de vermaning van dr. Hommes om terug te keren naar het leven der eerste gemeente als een ombuiging van de eindtijd naar de oorsprong, — dit beeld laten wij thans voor wat het is — zal eerst actueel worden, als de profetessen in de gemeente openbaar worden. Voorlopig is dit meer visioen dan werkelijkheid. Overigens is er geen aanleiding om het deelnemen der vrouw aan de theologische discussie '— als wij ons houden aan de critiek van dit Hommes — gelukkig te achten.
Dr. Hommes stelt ook veel belang in de politieke kant van het vraagstuk. Daarover en over enkele andere punten hopen we nog te handelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's