De Hofnar van Gelre
FEUILLETON
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
Cornells hoort dit alles aan, de adem af en toe inhoudend, om geen woord te laten ontsnappen.
O, thans begrijpt hij het, waarom zijn, moeder steeds zo bij 'm heeft aangehouden, om haar van meester Occo te vertellen. En och, hoe dom en onnozel is hij geweest, haar gisteravond ook op te biechten, wat er op de avondbijeenkomst is voorgevallen en wie die twee vreemden waren. Moeder is zeker bang voor zijn leven geworden, dat ze nu niet voor verklikster wil spelen. O ! nauwelijks kan hij zich bedwingen naar beneden te stormen op de boosaardige pater aan te vliegen en hem het huis uit te jagen.
Stil, daar hoort hij moeders angstige stem:
„Och, heb meelij, heer pater! Och, klaag mijn jongen niet aan. 'k Wil u alles zeggen, wat ik weet! Ja, er zijn bij meester Occo gisteravond twee vreemden binnengekomen. Maar voor de meester waren ze geen vreemden. Een was zijn zoon, de monnik, die uit 't klooster in Arnhem is gevlucht. Hij is een ketter geworden. De ander is een ketters leraar, ook een monnik, uit Oost-Friesland. Ze zijn beiden uit Arnhem gevlucht, waar onze hertog ze had gevangen gezet. Nu hebben ze nog logies in het huis van meester Occo, doch denken er aan, spoedig de stad te verlaten: — Maar, och, Iaat nu mijn jongen met vree, heer pater ! Ik smeek het u op m'n knieën".
„Daar heb je 't al, moeder Wijntje ! Sapristi, ik dacht het wel, dat het zó zijn zou. Driewerf gezegend zijn de heilige Maagd en mijn schutspatroon, de heilige Nicolaas, die je nog bijtijds doen spreken ! Wees er verzekerd van, dat je voor deze dienst hier en in 't Paradijs beloond zult worden. — Kom, wees nu maar bedaard. Cornells zal geen haar gekrenkt worden.
— Maar zeg eens Wijntje, bid je nog wel elke dag twintig paternosters meer voor je afgedwaalde zoon ? ",
„Ja, heer pater; en tien avemarietjes." „Best, best! Verdtibbel dat getal dan eens." •
Stoelengeschuifel, voetengestommel: de pater is opgestaan. Even hoort Cornells nog een vriendelijke groet, dan het sluizen der buitendeur en het verschuiven van de ijzeren bout, vlak boven de khnk, daarna moeders trage slofgang.
Met moeite richt de jonge man zich nu op.
Door de langdurige, ongemakkelijke houding voelt hij zich als verstramd ; ook klopt het nog in zijn hoofd, al is het niet meer zo heftig. Maar 't gehoorde maakt hem ongevoelig voor lichaamskwelling. Als vanzelf komen hem de schone woorden te binnen, die meester Rutger gisteravond voorlas : „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen : Ik zal tot de Heere zeggen : Mijn Toevlucht en mijn Burg ! mijn God, op welke ik vertrouw. Want Hij zal u redden van de strik der vogelvangers U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen. Want Hij zal zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uwe wegen."
O ja, denkt hij; dat is de hand van God, om 't zo te zeggen, dat Hij mij juist die hoofdpijn gaf ; anders, zal 'k maar zeggen, zou ik dat gesprek niet gehoord hebben. O zeker. Hij wil, of 't niet waar is ! dat mijn goede meester en zijn vrienden gdholpen worden. En ik, nietige oorworm, mag 't middel zijn.
„Neen, " fluistert hij na enig nadenken ; „ik mag niet gaan slapen, al sloeg daar binnen mijn knikker een Turkse trom ; ik móét naar meester Occo, dat zeg ik en daar blijf ik bij; en 'k zal ze waarschuwen."
Hij kleedt zich haastig aan en, na nog eens door de reet gegluurd en bemerkt te hebben, dat zijn moeder met de rozenkrans in de handen stil-ijverig aan 't prevelen is, sluipt ihij als een dief zijn kamertje af. Gelukkig kan hij nu ongemerkt de ladder afklimmen en in 't achterhuis komen. Zich drukkend tegen de grote grendel, om het piepen te beletten, schuift hij deze weg en opent stil-stil de deur. Dan verdwijnt hij als een schim in het duister van de nacht.
Een kwartier later keert ihij terug en sluipt weer naar zijn kamertje.
„Neen, moeder heeft niet bemerkt", mompelt hij, opnieuw door de reet naar beneden glurend, waar Wijntje nog in dezelfde houding neerzit. „Dat zal pater Boudewijn ook lelijk tegenvallen. — Kom, ik voel, dat nu mijn hoofdpijn wat minder is, en 't geklop in m'n bovenkamer is ook opgehouden : nu zal ik wel wat kunnen slapen, dat zeg ik."
Hij buigt zijn 'knieën, drukt zijn hoofd in de gevouwen handen op de stoel voor zijn bed en prevelt in stilte zijn dank. Dan legt hij zich ter ruste.
Weldra is hij ingeslapen, maar nog prevelt hij in, zijn droom :
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's