DE HERV. KERK VERANTWOORDELIJK!?
Ds. L. zegt, dat de Ned. Herv. Kerk een andere verhouding heeft tot het christelijk dan tot het openbaar onderwijs, en dat de Synode uitging van het feit, dat de Hervormde Kerk verantwoordelijkheid heeft voor het gehele onderwijs. (De Hervormde Kerk 19 April j.l.).
Het eerste is aannemelijk, en wat het tweede betreft, het kan wel juist zijn, dat de Synode uitging van het feit, dat de Hervormde Kerk zich verantwoordelijkheid toeschrijft voor het gehele onderwijs, maar is dat feit wel juist gesteld ? Is er een feitelijke verantwoordelijkheid der Hervormde Kerk voor het gehele onderwijs ?
Wil ds. L. beweren, dat de Hervormde Kerk verantwoordelijkheid heeft voor alle onderwijs, dat in onze Nederlandse scholen. Lager-, Middelbaar-, Voorbereidend Hoger-, en Hoger Onderwijs wordt gegeven ? Als dat de bedoeling zou zijn, waarom zich dan bij Nederland bepaald ? Wie de verantwoordelijhkeid zo ruim neemt, kan er nog wel wat bij nemen.
Men zou het kunnnen plaatsen, als de Hervormde Kerk naar verantwoordelijkheid uitspreekt voor het kerkelijk onderwijs, d.i. het onderwijs, dat van haar uitgaat. Men kan dat ook nog uitbreiden tot het gehele onderwijs van de jeugd der kerk, n.l. van de kindernen van de tot de Hervormde Kerk behorende gezinnen.
Dit laatste vindt dan zijn grond in het feit, dat de gezinne der Hervormde belijders bij de kerk horen, onder kerkelijk opzicht en tucht behoren te staan ook wat betreft de Christelijke eis aan opvoeding en onderwijs te stellen.
Doch ook zo beschouwd, zit het nog niet glad met die verantwoordelijkheid der Hervormde Kerk. Het lijkt wel een beetje op overspanning, of zo iets als een Hervormd complex.
De Hervormde Kerk verantwoordelijk voor het onderwijs, dat zij zelf geeft ! Dat spreekt van zelf. Of zij deze verantwoordelijkheid genoegzaam gevoelt en de belangstelling der Synode op het kerkelijk onderwijs in voldoende mate gericht is ? Dat is nog een andere zaak.
De Hervormde Kerk ook verantwoordelijkheid voor het onderwijs, dat de ouders hun kinderen geven, en laten geven ?
Dat is minstens overdreven. De Kerkorde zegt dat ook niet. Zij spreekt van medeverantwoordelijk naast de ouders. (Ord. voor het jeugdwerk Art. 1). De ouders dragen verantwoordelijkheid voor het onderwijs, dat zij aan hun kinderen geven en laten geven. Alle ouders zijn tegenover God verantwoordelijk en de lidmaten der gemeente erkennen dat en stellen zij zich ook ten aanzien van de vervulling hunner ouderlijke roeping onder het opzicht en de tucht der kerk. Derhalve draagt de Hervormde Kerk verantwoordelijkheid niet voor het onderwijs, dat de ouders hun kinderen geven en doen ontvangen, maar zij heeft een taak ten aanzien van de vervulling hunner ouderlijke roeping om hun kinderen in de dingen van het Koninkrijk Gods te onderwijzen of te doen onderwijzen. Deze roeping hebben de ouders als de hunne erkend bij hun belijdenis en bij de Doop hunner kinderen. God legt de ouders deze roeping trouwens duidelijk op : ,,Zeg het uw kinderen" (Deut. 4 : 9. Psalm 78) en de kerk heeft over hen te waken.
De kerk ? Dat zijn toch weer die ouders, vaders en moeders, die met hun gezin •— met hun huis - tot de kerk behoren.
De kerk is geen instantie boven de ouders, geen heerschappij, geen dictatoriale macht van boven af, de kerk is een heilige vergadering van ware Christgelovigen. De kerk, dat is de heihge vergadering der Christgelovigen en hun kinderen, tezamen geheiligd om het waarachtig geloof, hetwelk in haar midden leeft. (vgl. 1 Cor. 7 vers 14).
De verantwoordelijkheid voor de opvoeding der kerkelijke jeugd is een gemeenschappelijke. Enerzijds rust die op de ouders ten aanzien van hun eigen kroost, anderzijds hebben de leden der kerk een gezamenlijke roeping ten aanzien van de jeugd der kerk. Vandaar dan ook het kerkelijk of catechetisch onderwijs. Doch in de ouders als leden van die heilige vergadering is het toch ook de kerk, die Christelijke Scholen sticht, ten einde zich van de zoeven gemelde roeping te kwijten, ook als dit door een schoolvereniging geschiedt. Deze laatste neemt ons een oecumenische gestalte aan, indien leden van verschillende kerkformaties zich in haar verenigen.
Van de verantwoordelijkheid van de Hervormde Kerk voor het onderwijs te spreken kan dus alleen goede zin hebben, als wij de kerk als zulk een vergadering zien en dan gaat deze verantwoordelijkheid terug op die der ouders als haar mondige leden. In deze geloofsbetrekking belijden en betrachten zij hun roeping voor Gods aangezicht en stellen zij zich onder opzicht en tucht der kerk, d.w.z. de daartoe geroepen lidmaten der kerk, de ouderlingen of opzieners.
De vraag, of de roeping der ouders ten aanzien van opvoeding en onderwijs uit de orde der schepping (het huwelijk) of uit de orde der genade is, is daarbij een zeer ondergeschikte om de eenvoudige reden, dat wij een gevallen geslacht zijn. Vooreerst dragen wij van de oorspronkelijke scheppingsorde weinig of geen kennis, doch wij weten, dat God de orde des huwelijks na de val in stand heeft.gehouden en bevestigd heeft.
Terugziende op de scheppingsorde kan men zeggen, dat de ouderlijke roeping van onderwijs en opvoeding uit die orde is opgekomen. Blijven wij daarbij staan, dan zou deze roeping als de meest natuurlijke, door de natuur gebodene, kunnen worden opgevat. Doch, zodra wij onze Schepper gedenken, staan wij met onze ganse persoon en in al ons doen en laten onder de eis Gods en in het licht der openbaring. En dat is de werkelijkheid, waarin wij bestaan, een werkelijkheid, welke wij slechts zullen kennen in het licht der Godsopenbaring m.a.w. door het geloof in de God der Schriften.
Derhalve scheppingsorde of genade, wij zullen slechts door het geloof kunnen leven, want al, wat niet uit het geloof is, is zonde. Krachtens dat geloof ontvingen wij het sacrament des Doops. Krachtens dat geloof erkennen vader en moeder hup roeping om hun kinderen te onderwijzen in datzelfde geloof en dat heeft niet slechts ten doel enige Christelijke waarheden bij te brengen, maar hen in de weg des geloofs op te voeden tot vervulling hunner levensroeping naar de regel des geloofs.
Het vraagstuk van onderwijs en opvoeding beweegt zich voor de Christen van begin tot eind in de sfeer des geloofs en in de dienstbaarheid van het Evangelie : uit geloof tot geloof.
Hoe staat het nu met de verantwoordelijkheid der Hervormde Kerk voor het, gehele onderwijs". Laat mij onderstellen in Nederland. Uit hoofde van de zendingsroeping der kerk is er aanleiding en grond om te spreken van een verantwoordelijkheid voor de vervulling dezer roeping aan degenen, die van het kerkelijk leven vervreemd zijn of in vervreemding daarvan werden opgevoed. Verantwoordelijkheid en roeping houden steeds verband.
Zo beschouwd kan de Hervormde Kerk een taak hebben ten aanzien van het onderwijs van het Nederlandse volk in die zin, dat zij er naar heeft te streven, dat het in geheel zijn omvang bevorderlijk zij aan een „Christelijke" opvoeding naar de leer der Schriften.
Het is echter nog heel wat anders dan te stellen, dat de Hervormde Kerk verantwoordelijkheid heeft voor geheel het onderwijs. Dit toch zou kunnen betekenen, dat de Hervormde Kerk verantwoordelijk is voor wat er in de scholen, ook bij het niet-kerkelijk en niet-Christelijk onderwijs geleerd wordt. Als dat juist ware, zou de kerk bij machte moeten zijn om dat onderwijs in overeenstemming te brengen met haar belijdenis, wanneer dat niet het geval is.
De Hervormde Kerk zou niet alleen verantwoordelijk zijn voor het openbaar onderwijs in al zijn geledingen, maar ook voor het onderwijs aan bijzondere inrichtingen en bijzondere Universiteiten.
Onderstel, dat men dit ernstig nam en al zijn klachten en aanmerkingen tegen onderwijs en scholen bij de Synode in Den Haag inbracht en van, haar verwachtte daarin verandering en iVerbetering te brengen !
Het is niet duidelijk, of ds. L. het zo bedoeld heeft, maar het ligt in de algemeenheid van zijn stelling én dat met voorbijzien van de rechters en de verantwoordelijkheid der Overheid en van andere kerken.
Aangenomen ten slotte, dat de Synode aan de Hervormde Kerk zulk een verantwoordelijkheid voor het gehele onderwijs zou toeschrijven, zou men toch mogen verwachten, dat de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift haar zou uitdrijven tot bevordering van het Christelijk onderwijs door de oprichting van Christelijke scholen, opdat allengs het gehele onderwijs doortrokken werd van de zuurdeesem des Evangelies (vgL Psalm 78 : 5 v.v.). Want Hij heeft een, getuige; opgericht in Jacob, en een wet gesteld in Israël, die Hij onze vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken, opdat het navolgende geslacht dit weten zou en dat zij hun hoop op God zouden stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren, en dat zij niet zouden worden gelijk hunne naders een wederhorig en wederspannig geslacht, een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en wèlks geest niet getrouw was met God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's