De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE STEM DER KERK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE STEM DER KERK

9 minuten leestijd

   Het deint nog altijd voort in de kerkelijke pers over de kwestie Hardegarijp en wat daarmede saamhangt met name ook over het spreken der Synode.
   Dat deze uitspraak nu niet bepaald kan bogen op algemene instemming, moge gelet op de situatie verklaarbaar zijn, en zal ook niemand hebben verwacht.
   Wanneer wij op de achtergronden zien, voorzover die in de discussie konden worden waargenomen of vermoed, kan men slechts onderstellen, dat met de Synodale uitspraak het laatste woord nog niet gesproken is. Het is b.v. volstrekt niet duidelijk geworden, tot welke, laat ik zeggen, bewuste consequenties het standpunt ,,volkskerk", belijdende, Christus belijdende volkskerk voert in de huidige gesteldheid, enerzijds van het kerkelijk en anderzijds van het volksleven. Wij spreken van , .standpunt" bij gebrek aan een betere uitdrukking in de genoemde gesteldheid.
   Hebben wij een volkskerk ; onder welk gezichtspunt kan de Hervormde Kerk van het ogenblik zo worden gewaardeerd ? En dan komt onmiddellijk de vraag op : Wat verstaat men onder een volkskerk, onder een Christus belijdende volkskerk, of beter : wat wil men daaronder verstaan ?
   De uitdrukking ,,Christus belijdende volkskerk" maakt het niet gemakkelijker. Er is in deze toevoeging iets, dat op enige wijze het van zelf sprekende weerspreekt. Wat is een kerk zonder Christus en derhalve zonder Christus belijden ? Een volkskerk is een kerk, of zij is geen kerk. En als zij kerk is, belijdt zij Christus en niet maar Christus, een Christus, maar de Christus der Schriften.
   Als wij in Handelingen 19 : 35 lezen, dat Efeze, de kerkbewaarster van de heidense godin Diana is, gevoelen wij daarin oök iets, dat strijdig is, want Diana heeft geen kerk. De goden der heidenen hebben tempels. De kerk is van Christus. Hij is der gemeente tot een Hoofd gegeven. Hier heeft men tevens een voorbeeld van een verbetering der nieuwe vertaling, die in overeenstemming met de grondtekst tempelbewaarster zegt. Dit tussen haakjes.
   Christus belijdende volkskerk. De vraag, wat verstaat gij daaronder, verschijnt met deze uitdrukking in theologisch licht. Dat doet het woord kerk ook reeds, maar nu valt de nadruk op het Christus belijden, op de belijdenis van de Christus. Daarmede is het kerk zijn in het hart gegrepen, want Christus zegt, die Mij belijden zal voor de mensen, zal Ik belijden voor Mijn Vader.
   En zo waarlijk het belijden van de levende Christus alleen uit de gemeenschap met de Christus kan geboren worden, zo waarlijk is die gemeenschap het leven der kerk. Die gemeenschap wordt in het geloof gekend en geoefend. In dat geloof wordt het Evangelie openbaar als een kracht Gods tot zaligheid.
   De reformatorische vraag : ,,Hoe vind ik een genadige God in de hemel ? " „Hoe zal ik rechtvaardig zijn voor God ? " is nog altijd de klemmende vraag, welke een antwoord erlangt in de prediking des Woords en bij de herderlijke zorg.
   Waar van kerk met recht sprake kan zijn, wordt een levende gemeente van Christus naar de Schriften ondersteld. Daar is een levend belijden des geloofs en daar zijn de werken des geloofs.
   Deze kerk kan een zo grote plaats innemen in een volk, dat van volkskerk kan gesproken worden, zodat het merendeel des volks door doop en belijdenis bij de kerk is ingelijfd. De geschiedenis toont aan, dat dit geen blijvende toestand is, als ontkerstenende invloeden en ongeloof velen van de kerk aftrekken en vervreemden van de prediking en van het kerkelijk leven. Van een volkskerk kan dan eigenlijk niet meer gesproken worden. Wie zulk een waardering wil handhaven, moet zijn toevlucht nemen tot argumenten, welke door de werkelijkheid van de toestand, die voor ogen is, bezwaarlijk worden gerechtvaardigd.
   De zendeling, die in een heidens land, een gemeente ziet ontstaan, zal er niet aan denken deze tot volkskerk te verklaren. Daarentegen in een land als het onze, waar de Hervormde Kerk eenmaal een het ganse volk omvattende kerk was, werken historie en traditie nog sterk genoeg na om zich aan een ideaal volkskerk vast te klemmen.
   Daarin schuilt het gevaar, dat men niet alleen het volkskerk-zijn, maar ook de geestelijke toestand des volks idealiseert. Het ontbreekt trouwens niet aan tekenen, welke daarop wijzen, in de bewegingen van de nieuwe-koers-mensen. Men kan zich afvragen, of de z.g. doorbraak, het spraakgebruik van „modaliteiten", het kerkelijk gesprek, o.a. als zodanig daarvan geen tekenen zijn.
   Is de gedachte zelfs ongegrond, dat zekere nieuw-theologische beschouwingen tegemoet willen komen aan een geïdealiseerde toestand ? Men denke in dit verband aan uitspraken van zekere zijde, die het advies van de Raad voor Kerk en School bedoelden te verdedigen uit een achtergrond van theologische beschouwingen, die bedenkelijk nieuw zijn.
   De kerk moet weer kerk worden of kerk zijn. Deze veelgebruikte leuze moet men wellicht in hetzelfde licht zien. Als men zo zegt: de kerk moet weer kerk zijn, is het zeker duidelijk, dat het woord kerk in beide gevallen niet dezelfde betekenis heeft.
   Het eerste kerk ziet op de Hervormde Kerk, zoals deze onder de organisatie van 1816 zich voordeed. En als men dan zegt, dat deze weer kerk moet worden, of zijn, dan ziet dit tweede woord op een toestand, die niet aanwezig wordt geacht te zijn. Het tweede woord kerk wil iets zijn, dat het eerste niet is.
   Wat wil het nu zijn ? Wat stelt men zich daarbij voor ?
   Een ding is duidelijk, zoals reeds gezegd. De Kerk, zoals die, zeg dan, in 1940 was, bleef in gebreke zich te openbaren, zoals de kerk overeenkomstig haar wezen zich behoorde te openbaren.
   Als het zo gesteld wordt, kunnen wij het er mede eens zijn. Het is echter zeer de vraag, of allen, die zeggen, dat de kerk weer kerk moet zijn, hetzelfde verstaan (en verstonden) onder die bepaling : ,,zoals de kerk overeenkomstig haar aard en wezen zich behoorde te openbaren". Indien dat zo ware, menen wij te mogen aannemen, dat het streven naar reorganisatie veel meer eenheid en gemeenschappelijke kracht zou hebben vertoond dan thans het geval is geweest en nog is.
   Men kan daarom moeilijk anders dan onderstellen, dat de zoeven gestelde bepaling zeer verschillend wordt geïnterpreteerd, zodat ook de strevingen naar een hernieuwd kerkelijk leven verschillend gericht zijn. Men moet zelfs aannemen, dat de uitdrukking Christus-belijdende volkskerk in deze wat te zeggen heeft, alsook de discussie omtrent art. X der kerkorde, met name omtrent de betekenis van de uitdrukking : in gemeenschap met de belijdenis der vaderen en het gebrek aan genegenheid om de binding aan de belijdenis der vaderen als belijdenis der kerk te aanvaarden.
   In die belijdenis der vaderen beluisteren wij de stem der kerk. De kerk der vaderen heeft gesproken. Zij heeft daarin getuigenis gegeven van haar geloof, ook omtrent aard en wezen der kerk en omtrent haar openbaring, en dit alles, volgens haar overtuiging „overeenkomstig de Schriften".
   Men wilde, dat de kerk weer zou spreken, en wij vragen : Is de kerk der nazaten een andere kerk dan die der vaderen ? Of is het dezelfde kerk ?
    Men gevoelt reeds, als de kerk der nazaten niet dezelfde kerk zou zijn, dan staan wij voor een hachelijk dilemma. Eén geloof, éen doop, éen Heere! Eén kudde en éen Herder! Was de kerk der vaderer dan niet de ware kerk ? Of is de kerk der nazaten niet de ware kerk ?
   Calvijn dacht daarover geheel anders. Hij zag, dat de Heere ook onder het Pausdom Zijn kerk heeft bewaard, welke dan ook in het leven der Reformatie manifest is geworden.
   Calvijn zag dus klaar en duidelijk op de kerk der eeuwen, wier stem hij beluisterde in de oude belijdenis geschriften en, welke hij, mits in overeenstemming met de Heilige Schrift, in ere hield.
   Men kan dan ook als zeker aannemen. dat dezelfde Geest, die de Reformatoren geleid heeft, in onze dagen geen andere weg zou aanwijzen. Met andere woorden: Zij, die door diezelfde Geest werden geleid, zouden de belijdenis der Reformatorische kerk — mits in overeenstemming met de regel des geloofs, als belijdenis van de kerk de eeuwen erkennen en eren. Zij zouden ernst maken met hetgeen die kerk heeft gesproken en de kerk zou voortgaan te spreken in gemeenschap met de kerk der eeuwen.
   Wij hebben bij de bestudering van de concept-formulieren reeds kunnen opmerken, dat wat men in dit opzicht te voorschijn brengt, in geestkracht en kracht van uitdrukking verre achter staat bij de oude formulieren. Ook het z.g. kerkelijk gesprek voert niet tot gewenste resultaten.
   Wijst dit alles er niet op, dat wij niet op de goede weg zijn ?
   Men behoorde uit te gaan van de belijdenis der reformatoren als de stem der kerk, die toen heeft gesproken, een stem, die altijd nog weerklank vindt in de harten van velen, die daarin het leven des geloofs naar de Schriften terugvinden.
   Het bovengestelde dilemma onderstelt, dat er zijn, die over aard en wezen der kerk en de eis harer openbaring anders denken dan de belijdende stem der kerk in onze Confessie. Het is ook geen onbekende zaak, dat velen over de Heilige Schrift anders denken dan de kerk in haar belijdenis daaromtrent getuigt. Dit laatste is wederom oorzaak, dat men aangaande verschillende stukken des geloofs, anders denkt. Wij onderstrepen denkt, want kan men eigenlijk wel zeggen : anders belijdt ? Immers, men spreekt nog wel van de Heilige Schrift als regel des geloofs, maar op die wijze wordt ook de regel des geloofs onzeker.
   Dat komt er inderdaad op neer, dat er eigenlijk van een regel des geloofs geen sprake meer is.
   Hoe zal de kerk nu spreken ? Spreken in overeenstemming met het geloof van de kerk der eeuwen ? Hoe zal zij dat geloof vertolken en de vraagstukken, die zich aan haar voordoen naar de regel des geloofs oplossen, richting geven aan het handelen in de omstandigheden van onze tijd, b.v. bij de onderwijsvraag ?
   Hoe zal een uitspraak van de Synode de waardering vinden, die haar tot een uitspraak der kerk maakt, als zij in het onzekere verkeert aangaande het geloof, waaruit de kerk der eeuwen leeft ?
   De weg der vaderen was een betere. Zij hielden aan de stem der kerk vast en gaven haar belijdenis niet zo maar prijs voor allerlei leringen, die zich opwierpen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE STEM DER KERK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's