De Hofnar van Gelre
FEUILLETON
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
Tegelijk met de meester ging hij de huiskamer binnen. Pater Boudewijn hep hem op een kippedrafje na en struikelde toer nog over de dorpel.
,, Hei, heer pater, u hoeft de vloer niet te kussen, " lachte de hopman.
De pater gromde van belang, dat zeg ik, maar liep alevel door. De hopman en de andere soldaten gingen ook naar binnen.
Na een poosje, daar had je ze weer terug. De pater en de schout keken, of ze getikt waren, dat deden ze.
,, Nou, 't is wat moois, " zegt meester Occo. „'t Is wat moois, een eerzaam poorter zó te behandelen, 'k Zou wel 's willen weten, waarmee ik dat verdiend heb ! Bijlo ! ik zal het er ook niet bij laten, 'k Zal de vroedschap van alles in kennis stellen. Fij! ben ik geen eerlijk man ? Wat zullen de gildebroeders zeggen, als zij vernemen, dat een deken van het droogscheerdersgilde maar zo behandeld wordt als een catijvige verrader! ? "
Dat zei die, en hij was spinboos. Pater Boudewijn gromde, zal ik maar zo zeggen, of-tie 'n beer was, die van de berenleider met de stok zo'n por krijgt. De schout zei, dat-ie 't niet helpen kon; dat men hem voor vast verteld had, dat er spionnen waren, en dat-ie zijn plicht moest doen. Maar de meester bleef maar kwaad, dat deed-ie. Ik geloof, al zeg ik 't zelf, dat ze allemaal blij waren, toen ze weer goed en wel op straat stondeii-, ja, dat geloof ik, meester Rutger.
Wij stonden toen allemaal in de winkel te lachen, behalve de meester. Het volk op straat — want er kwam heel gauw zo iets van een relletje voor de deur —• het volk op straat begreep er niets van en keek in 't eerst heel vreemd, maar lachte op 't laatst maar met ons mee, dat deed het, want lachen is erg aanstekelijk, weet u. Hihi!"
Al heeft Cornelis' kleurig verhaal meester Rutger af en toe een glimlach afgeperst, toch staart hij op het eind hoofdschuddend voor zich uit en mompelt :
,,'t Is zeker, men begint het hier ook te menen. Waren zij nu maar goed en wel buiten de stad."
„Bedoelt u daar ons mee, waarde meester ? " klinkt het opeens achter zijn rug.
,,Ja, u beiden, vrienden, antwoordt Rutger zich omkerende naar Resius, die, gevolgd door Siebe, uit een zijvertrek naar binnentreedt. „Zeker, want Cornelis is ons daar pasjes komen vertellen, hoe ze bij meester Occo vanmorgen het hele huis hebben doorzocht om jelui op te sporen. Gelukkig, — en zeker was het een genadige bestiering van Boven •— dat hier onze Cornelis jelui gisteravond nog bijtijds kwam waarschuwen."
Onderwijl loopt Siebe op Cornelis toe, die hem en Resius met blijkbare verwondering en welgevallen aanstaart, en zegt hartelijk :
,,Dank je nog wel, Cornelis, voor wat je voor ons gedaan hebt. Maar hoe is 't nu thuis ? Ze hebben vader en moeder toch geen overlast aangedaan, wel ? "
„Hihi !" lacht de kleine gezel, hen met zijn wonderlijke oogjes van top tot teen opnemend. „Hihi ! zó is 't goed, al zeg ik 't zelf ! Ja, dat is goed, dat zeg ik. Laat nu pater Boudewijn maar komen ; al kon-ie nog beter kijken dan onze cyperse kat, hij zou u toch niet in dit habijt herkennen, neen, dat zou-die niet, dat zeg ik maar." Nu, Cornelis heeft reden om zo zijn verwondering te kennen te geven, want zowel Resius als Siebe hebben zich vermomd in de kleding van een uitlandse kramer, die meester Rutger nog deze morgen bij een Joodse uitdrager heeft gekocht. Bovendien hebben zij hun gezicht onkenbaar gemaakt door een valse baard. Als Cornelis op die wijze zijn verwondering heeft lucht gegeven, doet hij nog eens op zijn manier verslag van wat er deze morgen in de winkel zijns meesters gebeurd is.
„De meester en de vrouw", gaat hij voort, ,,hebben mij zoeven in de huiskamer geroepen. Zij zeiden, dat ik u moest zeggen, dat alles wel is, en ik u en de leraar van hen moest groeten, en dat zij hopen, dat de ontvluchting, zal ik maar zeggen, goed mag aflopen. Zij zullen voor u en de leraar blijven bidden, zeiden ze, ja, dat zullen zij zeker doen, dat zeg ik. Maar nu niet langer getalmd, geen avemarijtje, dat moeten we. De optocht is al een half uur geleden bij 't gildehuis begonnen.
Overal loopt het volk, ziet u. En nu zullen wij, al zeg ik 't zelf, wel seffens buiten de poort kunnen komen. En dan, zegt de meester, moet ik u en de leraar brengen bij boer Tennissen aan de heiweg, dat weet u. Die heeft twee paarden klaar staan, daarvoor is gezorgd, begrijpt u ? En dan is de pater opnieuw gefopt, dat zeg ik maar, hihi!"
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's