EEN DOMINE VERTELT
Voorbereiding Heilig Avondmaal
XVII.
Een ander geval: Eens was een vrouw door de Kerkeraad gecensureerd, wegens overtreding van het zevende Gebod. Domine ging er heen met een ouderling, om haar dat mee te delen. De vrouw gaf evenwel ten antwoord, dat zij toch zou komen, want zij kon eenvoudig van de Tafel des Heeren niet wegblijven, wanneer zij aanwezig was. En zij miste nooit.
Wij gaven haar het advies om dan ditmaal weg te blijven uit de kerk, ter vermijding van opschudding. Zij beloofde het niet, maar bleef tenslotte toch weg.
Persoonlijk heb ik eens een vrouw bezocht die de gewoonte had om alle Avondmaalsbedieningen in de buurt af te reizen. Ik heb haar gezegd, over haar zielstoestand niet te kunnen oordelen, dat zij echter buiten de ordelijke weg was, ook in het onnodig reizen ten trekken op de dag des Heren.
Overigens is er niets tegen, dat iemand, die in de Gemeente logeert en er behoefte aan heeft, des Zondags mee aanzit aan de Tafel des Verbonds.
XVIII.
BEDIENING .HEILIG AVONDMAAL.
Het is een betekenisvol ogenblik in het leven van een ambtsdrager, wanneer hij voor de eerste maal het H. Nachtmaal heeft te bedienen en de Bondszegelen mag uitreiken. Onwillekeurig komt hem weer in de gedachten het uur zijner belijdenis en ook de eerste maal, waarop hij zelf als lidmaat vrezend en bevend toetrad. De ogen van vele ouderen waren toen op hem geslagen, want in die Gemeente waren het doorgaans alleen ouderen, die aan het H. Avondmaal verschenen.
Even is het hem, alsof dit ogenblik thans terugkeert. Zeer sterk komt dat gevoel bij hem op. Hij is toch ook gewoon gemeentelid met anderen mee en weer moet hij zich zelf afvragen of hij waarlijk hongert en dorst naar de gerechtigheid en op versterking van de Heere wacht.
Maar daar benevens heeft hij nu het ambt te bedienen, de Bondszegelen uit te reiken aan een behoeftig volk. Is hij ook daartoe van harte bereid ? Is het hem een lust en voorrecht ?
Hij mag daar toch niet staan als een neutraal uitdeler. Als iemand, die het brood en de wijn doorgeeft, terwijl het alles buiten hem omgaat.
Hij mag daar ook niet staan, terwijl hij zich zelf op de voorgrond plaatst, en bij voorbeeld aan de Gemeente vertellen zou, dat hij zelf geen vrijmoedigheid had.
Dat alles moet in stilte uitgevochten en niet aan de grote klok worden gehangen. De bedienaar valle met zijn aangelegenheden weg. Hij heeft het ambt te bedienen en de mensen, behoeftige zondaarszielen, niet op te houden met dingen, die thans voor anderen niet eens interessant zijn, want het gaat om de heil geheimen in Christus.
Paulus zegt: ,, Alzo houde ons een ieder als uitdelers der verborgenheden en menigerlei genade Gods".
Dat uitdelen geschiedt in de verkondiging des Woords, maar ook aan de Tafel des Heeren door het doorgeven met de handen van de tekenen en zegelen van 's Heeren verbroken lichaam en van Zijn vergoten bloed.
Op dit doorgeven valt hier een zichtbare nadruk.
Met de bediening des H. Avondmaals is voor de Gemeente de Zondag aangebroken, niet zozeer van de prediking des Woords en daarmee van het gehoor des oors, maar meer van het zien met het oog. Van het: ,, zó zeker, als ik met ogen zie" en van het eten met de mond der ziel, dus van het smaken en proeven, dat des Heeren zoendood het waarachtige Levensbrood is.
Het is de Zondag voor Gods Kerk van het aanzitten hier op aarde met haren Heere en Bruidegom.
Hier komt men in deze dagen meer en meer tegen op. In midden-orthodoxe kringen wordt al gezegd : ledere preek moet uitlopen op het H. Avondmaal. Vandaar dat een aparte Voorbereidingszondag ook niet meer nodig is. Er moest iedere Zondag gelegenheid zijn, om aan te zitten aan de Tafel des Heeren.
Men wil dus kennelijk de Apostolische tijd terug en meent het op die wijze misschien een eind in die richting te sturen. Vermoedelijk is de naam „Apostolaat" ook mede daaruit voortgekomen.
Misschien ben ik wat al te nuchter, maar mij bevangt onder dit alles steeds weer zo'n wonder gevoel. Daar zitten wij nu in een kerk, die uit duizend wonden bloedt; waarin men dagelijks worstelen moet om de Belijdenis naar de Schriften en hier praat en artikelt men u eenvoudig terug naar de eerste apostolische! bloeitijd der Kerk. Klaar zijn we !
O, ik weet wel, dat wij met realiseren alleen niet verder komen, maar met idealiseren nog minder.
Vluchten wij maar liever met de werkelijke toestand der kerk dagelijks tot de Heere. Dan bedriegen wij ons zelf niet. Wij zullen ons niet blind staren, en het einddoel der kerk niet uit het oog verliezen.
Moeten er dan nog weer andere Kerkorden gemaakt worden, dat is het ergste niet. Er zijn meer dingen, die van voren of aan geschieden moeten.
Het is met de kerk eigenlijk net als bij een mens : de bekering moet iedere dag geschieden, van binnen naar buiten wel, maar eerst van Boven naar beneden.
Vraagt iemand, hoe het nu moet met de preek op de Avondmaalszondag ?
Het is sinds jaren bijna overal de gewoonte geweest, om eerst nog een korte predikatie te houden, die aan de viering van het Heilig Avondmaal voorafgaat.
Zo was het trouwens ook in de dagen van ouds. De gewone catechumenen mochten niet deelnemen aan de viering des H. Nachtmaals en wanneer de preek afgelopen was, sprak de voorganger : „ite, missa est l" (,, Gaat heen, de vergadering is ontbonden. Later verkeerdelyk vertaald door: Gaat heen, het is de mis, d.w.z. nu begint de mis").
Op vele plaatsen in onze kerk bleef daar nog iets van over. Ik herinner mij nog uit de dagen mijner jeugd, dat wanneer de predikant zijn korte preek besloten had, velen opstonden en het kerkgebouw verlieten. Vooral de jongeren.
Intussen is deze verkeerde gewoonte meer en meer aan het verdwijnen.
Helaas trad daarvoor iets anders in de plaats, dat nog bedenkelijker is. De korte preek wordt afgeschaft.
Verkeerde de kerk hier op aarde in bloeiende toestand en waren de Gemeenten voldoende onderwezen, ook in de betekenis van de H. Sacramenten, dan zou een preekje vooraf wellicht niet nodig zijn en kon men volstaan met de lezing van het Formulier ; thans echter houden wij die korte preek toch nog voor wenselijk.
Men kan er niet mee uit, door te zeggen : ,, daar is geen tijd voor ; het wordt te laat". Ik zie ook in deze afschaffing niets anders dan een vervlakking der eigenlijke Voorbereiding en een nog meer op de voorgrond treden van de vorm.
De korte prediking vooraf is eigenlijk meer bedoeld als een soort opwekkingswoord voor de twijfelmoedigen en voor hen, die wellicht nog geen vrijmoedigheid hebben en eveneens als laatste waarschuwing voor de hypokriet en de onbekeerde.
Aan de Tafel des Heeren evenwel dan ook nog weer een lange voorafspraak te houden, acht ik overbodig. Het een en ander moet nu ook weer geen woordenstroom worden, waarmee de avondmaalganger wordt overstelpt.
Er zijn er namelijk wel onder de lidmaten, die voor dit voorwoord het geheel laten afhangen of zij gaan zullen of niet. Dat is nu ook weer niet goed. Want ik zal niet ontkennen, dat dit woord een middel zijn kan in Gods hand, maar wij moeten het nu ook weer niet laten aankomen, op wat de voorganger op het laatste ogenblik nog zeggen zal. Deze zaak moet thuis al uitgestreden zijn.
Dan zijn er ook heel wat kerkgangers, die zelf over de toetreding tot 's Heeren Nachtmaal niet denken, hetzij zij lidmaat zijn of niet, maar die er wel op staan, dat er eerst nog gepreekt wordt. Want om de waarheid te zeggen, voelen zij zich toch al wat achtergesteld in een Avondmaalsdienst en dan gaan zij van de gedachte uit: die preek is tenminste nog voor (van) ons.
Dat zijn de echte kerksleurmensen met pretenties. Zij willen hun preek hebben. Men zou van hen op het kerkelijk kaartregister moeten invullen: ,, kerks of kerkeiijk, maar niet meelevend".
Zo valt men van de ene dwaling in de andere.
Neen, die preek is niet voor u ! Gij vergist u. Gij wildet vanmorgen voortzetting van uw gewone sleurdienst en dat zal niet gaan. Het is thans de Bediening van het H. Avondmaal, en wanneer gij daarbuiten staat, dan wordt het tijd, dat gij dat ook eens voelt. Men moet u vooral niet met een lange preek in het gevlei komen.
Dan is er nog iets ; Wij zeiden reeds, dat de persoon van de prediker eigenlijk altijd weg moet vallen in de Dienst des Woords en van de Heilige Sacramenten. Johannes de Doper heeft enkele gezondenen van de Farizeërs geantwoord op hun vraag, wie hij was : ,, Ik ben de stem des roependen in de woestijn". Dus „een stem"; niets meer.
Nu is dat in onze Protestantse Erediensten wel heel moeilijk. De preek is daar de hoofdzaak.
Vanzelf valt de aandacht nu op de spreker en op de wijze, waarop hij het Woord Gods verkondigt. Heel gewoon is het zeggen onder ons : ,, Ik was vanmorgen onder het gehoor van die of die". Tot op zekere hoogte kan dat ook niet anders.
Toch moet en zal de prediker voor de goede hoorder wegvallen, vooral wanneer de laatste daarvan doordrongen is, dat het het Woord Gods is.
Daarom zij ook de Dienst des H. Nachtmaals zo sober mogelijk. Ik zou zeggen, de taak van de Evangeliedienaar is eenvoudig : de H. Bondszegelen door te geven met de woorden, die Christus sprak, opdat de aanwezigen zo min mogelijk de gelegenheid krijgen, om op te merken : ,, domine heeft het zó gedaan of zó !"
Of : ,, domine heeft het zo mooi gedaan !" Want dat laatste is alles uit de mens. Er zijn dan ook wel mensen, vooral in kleine Gemeenten, die om de predikant aan de Tafel des Heeren komen. Zij zeggen het zelf: ,, als die man zó noden kan en het een mens zó gunt, dan kan ik niet wegblijven". Later ziet men die mensen aan het H. Nachtmaal niet meer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's