ONDERWIJS
Rousseau
De 18e eeuw was de eeuw van verval op elk gebied. In ons land herinneren de namen van de pruikentijd en van de patriotten en Prinsgezinden aan deze treurige tijden. Ook in Frankrijk waren de toestanden allesbehalve rooskleurig. Tijdens de minderjarigheid van Lodewijk XV was de hertog van Orleans de dóór en door bedorven regent. Het vermetelste ongeloof heerste aan het hof. De zedeloosheid nam hand over hand toe. De treurige toestanden, vooral ten plattenlande, waren ten hemel schreiend, terwijl aan het hof de meest schaamteloze tonelen zich afspeelden. Door dit alles en nog veel meer heen, groeide het Franse volk naar de revolutie toe, die in 1789 als een verslindend monster zou komen.
De denkwijze der Fransen was vooral zeer gewijzigd door enkele schrijvers, die grote invloed hebben uitgeoefend. We noemen er twee : Voltaire, een vreselijke spotter, die zijn goddeloze aanvallen tegen het Christendom richtte, en Rousseau, die het zich tot taak rekende de grondslagen van staatkunde, maatschappij en opvoeding te ondergraven.
Jean Jacques Rousseau werd in 1712 te Geneve geboren, als zoon van een Zwitsers uurwerkmaker. Hij werd door zijn vader in onbeperkte vrijheid opgevoed. Toen hij nog maar nauwelijks lezen kon, las hij reeds rijp en groen tot laat in de nacht. Het gevolg bleef niet uit. Zelf zegt hij later : „De verwarde emoties, die ik onophoudelijk ondervond, bezorgden me een onnatuurlijke opvatting van het leven, waarvan de ervaring en het nadenken me nooit hebben kunnen genezen". Vandaar ook zijn herhaalde waarschuwing om de fantasie van het kind niet de vrije teugel te laten.
Nadat z'n vader Geneve had moeten verlaten wegens een twist met een Frans officier, kwam de jonge Rousseau als kind van 8 jaar onder de hoede van een predikant op een dorp, bij Geneve. Na een paar jaar weer in Geneve teruggekeerd, kwam hij in de leer bij een graveur, waar hij heel wat ontberingen moest lijden en bovendien herhaaldelijk straf opliep wegens kleine dieverijen en andere lelijke streken. Hij vluchtte, menende overal in de wereld wel fortuin te kunnen maken. Dat kwam wel enigszins anders uit: van de ene plaats naar de andere trekkende, moest hij allerlei beroepen ter hand nemen om in zijn levensonderhoud te voorzien, zoals bediende, muziekonderwijzer, landmeter, klerk.
Eindelijk kwam hij in aanraking met een Roomse dame, mevr. Van Wareus. In 1728 werd hij Rooms gedoopt en leidde verder een zeer avontuurlijk leven, studeerde verder, keerde naar mevr. Van Wareus terug, met wie hij de nu volgende 10 jaar samenleefde. Ze wilde hem tot de geestelijke stand op laten leiden. Maar Rousseau had geen zin in het onderwijs van anderen. Zelfstudie was z'n ideaal: rekenkunde, litteratuur, muziek, philosophie, meetkunde, Latijn, geschiedenis.
In 1741 vertrok hij naar Parijs, werd daarna gezantschapssecretaris in Venetië, waar hij IV2 jaar bleef. Zijn klachten over de slechte behandeling, hem aangedaan, vonden geen gehoor; dit weet hij aan de verkeerde sociale toestanden en aan de slechte inrichting van de Staat. Nu werd hij enige jaren particulier secretaris. In die tijd schreef hij een bekroond antwoord op een prijsvraag van de Academie in Dyon : ,,Heeft het herstel der wetenschappen en kunsten er toe bijgedragen, dat de zeden verbeterd werden?
In dit antwoord betoogde Rousseau, dat wetenschappen en kunsten de mens niet beter, maar juist slechter gemaakt hadden. De rnens is van nature goed, maar de maatschappij bederft hem, dat wordt het allesbeheersende idee in z'n geschriften.
In Parijs ging hij samenwonen met een buffetmeisje, met wie hij 10 jaar vóór zijn dood nog getrouwd is. De vijf kinderen, die hen geboren werden, werden in het gesticht voor vondelingen opgevoed. Deze daad praatte hij goed met te zeggen, dat ze beter boeren en burgers konden worden, dan avonturiers, zoals hun vader.
In 1754 wordt hij weer Protestant, om burger van Genève te kunnen worden. Hij maakt het daar echter niet lang en vertrekt weer naar Frankrijk, waar hij in 1778 sterft.
Zulk een man predikte een nieuwe huwelijksmoraal in zijn boek : ,,La nouvelle Héloïse", een nieuwe staatsleer in „Contrat Social", een nieuwe opvoedingsleer in ,,Emile".
Dit laatste boek zou men kunnen noemen de paedagogiek van Rousseau. Het bestaat uit 5 delen, waarvan de eerste 4 de opvoeding van Emile behandelen, een denkbeeldige leerling, die volgens de ideeën van Rousseau wordt opgevoed. Het 1ste deel gaat van de geboorte tot het 2de levensjaar, het tweede bespreekt de periode van 2—12 jaar, de lichamelijke opvoeding en de oefening der zintuigen ; het derde gaat over de leeftijd van 12—15 jaar, de verstandelijke opvoeding ; het vierde van 15—20 jaar, de karaktervorming en de godsdienstige opvoeding, terwijl het vijfde deel dan de opvoeding van Sophie behandelt, dat is de toekomstige vrouw van Emile.
De allesbeheersende grondstelling is : de onbedorvenheid van de menselijke natuur. De natuur van het kind is goed en blijft goed, als de bedervende invloed van de wereld maar uitgeschakeld blijft. Een onbeschreven blad papier, waarop de omstandigheden goed of kwaad zullen schrijven. De (Schriftuurlijke leer der erfzonde wordt hier dus geloochend. Het doel van de schrijver is dan ook, om door opvoeding het zedenbederf te genezen. Van wedergeboorte en bekering is natuurlijk geen sprake.
Het is te begrijpen, dat „Emile" bij zijn verschijning groot opzien baarde. In hetzelfde jaar nog werd de verdere verspreiding door het Franse parlement verboden, terwijl de aartsbisschop van Parijs er in een herderlijk schrijven zijn vloek over uitsprak. Het waren trouwens niet alleen regering en kerk, die de ideeën van Rousseau verwierpen. IToen hij in de beantwoording van een tweede prijsvraag der Academie van Dyón over de oorsprong der ongelijkheid onder de mensen neerschreef, dat er slechts één normale toe stand voor de mens is, namelijk de natuurtoestand, waarin zich de meest onbeschaafde volken bevinden, die nog niets van kunst en wetenschap afweten, was het zelfs de spotter Voltaire te bar en hij zei : „Nog nooit is zoveel geest verspild om vee van ons te maken. Als men uw boek leest, krijgt men lust, op handen en voeten te kruipen".
Toch zijn er in de „Emile" wel fragmenten, die ten minste de overweging waard zijn. Zie b.v. als hij het in het eerste deel heeft over de ouders. „De moeders moeten zelf haar kinderen voeden en verzorgen, dan zal ook het familieleven beter worden en de natuurlijke banden der liefde zullen versterkt worden. Geen moeder -- geen kind. En wat de vader betreft : Het kind zal door de vader, die met natuurlijk verstand begaafd is, al is hij weinig wetenschappelijk ontwikkeld, beter opgevoed worden, dan door de knapste onderwijzer der wereld. Wie zijn vaderplichten niet vervult, heeft ook geen recht vader te worden. Noch armoede, noch arbeid, noch menselijke overwegingen kunnen hem ontslaan van de plicht, zelf zijn kinderen op te voeden. Ik zeg het ieder, die een hart heeft en deze heilige plichten verwaarloost, dat hij bittere tranen zal schreien en noodt troost zal vinden.
En toch, welke waarde hebben dergelijke uitspraken van een man, die zijn eigen vijf kinderen te vondeling legt, zonder zelfs de moeite te nemen hun een merkteken te geven, dat hij ze nog ooit weer herkennen en terugnemen kan?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's