CRISIS DER MIDDEN-ORTHODOXIE
WOORD VOORAF.
L.S. Op verzoek van de leden, aanwezig op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op Woensdag 23 April 1952, wordt deze inleiding in druk gegeven. De titel is misschien niet helemaal juist, omdat in deze inleiding vooral de plaats en de positie van de Gereformeerde Bond aan de orde wordt gesteld, maar dit gebeurt toch naar aanleiding van het boekje van Dr Berkhof: Crisis der Midden-orthodoxie. Deze inleiding wil op geen enkele wijze aanspraak maken op de gedachte, dat hierin de vragen, die Dr B. aan de Geref. Bond stelt, uitputtend zijn behandeld. Dat was in het bestek van deze inleiding ook niet mogelijk. In dit verband mag ik de wens herhalen, dat er binnen korte tijd een grondige studie verschijnt, waarin de verhouding Wet en Evangelie en het drieërlei gebruik van de Wet Gods op een grondige vwjze exegetisch, dogmenhistorisch en dogmatisch aan de orde wordt gesteld. Misschien mag deze inleiding daartoe de stoot geven! Bij het persklaar maken is de bespreking van de Jaarvergadering in deze inleiding verwerkt. De opmerking van de heer Knetsch uit Leiden heb ik niet verwerkt, nl. zijn ervaring als lid van een hoorcommissie in vele vacaturen in Leiden. De heer Knetsch, die zeer veel predikanten uit de Midden-orthodoxie gehoord heeft, verklaarde, dat de opmerking van Dr B., als zou de Middenorthodoxie prediking in theologische cultuur liggen boven de prediking van predikanten van de Ger. Bond, zeer beslist onjuist is. De heer Knetsch kan uit ervaring het tegendeel bewijzen.
Het is voor ons het beste, de hand in eigen boezem te steken en te erkennen, dat onze prediking — niet in vergelijking met andere, dat is een mager werk! — onder de maat blijft, gezien de zeer hoge roeping, biddend te studeren en te graven in de schatten van Gods Woord.
God verlene ons daartoe Zijn Heilige Geest. Hij stelle deze inleiding dienstbaar aan het heil van onze Kerk, uit liefde waarvoor deze is ontstaan.
In zijn Woord vooraf merkt Dr Berkhof op: „Het ongelijk van anderen kan nooit het fundament van eigen gelijk zijn". Met dit woord voor ogen willen wij samen een poging doen, dit boekje te bespreken.
Wij mogen Dr B. dankbaar zijn, dat hij dit onderwerp aan de orde heeft gesteld.
Gezien de reacties in allerlei bladen, kost het altijd zedelijke moed om critiek naar binnen te geven, kost het bhjkbaar ook nu nog zelfverloochening de betekenis en de plaats van de Ger. Bond aan te wijzen en te waarderen.
Reeds lang wordt een crisis in de gelederen van de Middenorthodoxie waargenomen. Deze crisis is zeker niet los te maken van een oordeel Gods, dat over de gehele Kerk gaat! De symptomen van deze crisis zijn in de Midden-orthodoxie wellicht anders dan in de Ger. gezindheid, maar ook in de Ger. gezindheid zijn symptomen van verval waar te nemen, zodat het niet te verwonderen zou zijn, wanneer iemand onder ons ook een boekje ging schrijven, maar dan met de titel: de crisis der Geref. gezindheid.
Scherp hebben wij voor ogen te houden, dat Dr B. dit boekje schreef in de eerste plaats aan het adres van de Midden-orthodoxie en pas in de tweede plaats aan het adres van de Ger. Bond.
Met het oog op de bedoeling van Dr B. kan ik mij dan ook ontslagen achten van de bespreking van alle zaken, die de Midden-orthodoxie aangaan.
Het doel van deze inleiding is vooral in te gaan op die plaatsen, van dit boekje, waar de Ger. Bond direct of indirect in de bespreking betrokken wordt.
Om nu te voorkomen, dat wij in allerlei fragmenten blijven steken, willen wij drie punten aan de orde stellen:
Ie. Dr B.'s bezwaar tegen het kerkelijk standpunt van de Ger. Bond.
2e. Dr. B.'s bezwaar tegen en vragen over de prediking.
3e. Eindigen met de vraag: Wat moeten wij doen?
Vooraf nog enkele opmerkingen en vragen over de historische visie van Dr B.
Laten wij mogen beginnen de eerlijkheid en de openheid van Dr B. te prijzen, waarmee hij de situatie overziet. Hij verbergt zich niet achter het hoogkerkelijk struikgewas, maar stelt de feitelijke situatie.
Vandaar dat hij spreekt over de Midden-orthodoxie. Wij kunnen hier vragen gaan stellen, bijv.: waar zijn de begrenzingen van de Midden-orthodoxie? ; is het woord Middenorthodoxie wel juist?
Wanneer wij onder Midden-orthodox verstaan de synthese: Hoedemaker-Gunning, zullen wij er wel niet ver naast zijn. Maar dan nog blijven er vragen. Want het middenfront is nu een samenklonting van allerlei groepen, ja een samenbundeling van richtingen, die niet alleen middelpuntzoekende, maar ook middelpuntvliedende krachten in zich hebben. De Midden-orthodoxie toch is een samenvatting van Ethischen en Confessionelen, van Barthianen en Liturgischen, met al de schakeringen, nuanceringen en vervloeiingen onderling.
Wanneer wij de oud-confessionelen uitzonderen, kunnen wij van deze Midden-orthodoxie zeggen, dat zij unaniem is in de verwerping van de Calvinistische praedestinatieleer en unaniem in de aanvaarding van de historische Bijbelcritiek (zij het ook in allerlei gradaties).
Het is bepaald verhelderend, dat Dr B. Arminius en de Remonstranten van de aanvangstijd typeert als middenorthodox. Daardoor wordt ook klaarheid geschapen in de controvers, die er is tussen de Ger. Bond en het grootste deel van de Midden-orthodoxie, het is de oude controvers in een nieuw gewaad, verdiept en verbreed door de theologische ontwikkeling in de eeuwen, die zijn voorbij gegaan na Dordt. Daarom zijn ook vele spanningen tussen de Midden-orthodoxie en de Gereformeerden in de vorige eeuw en vooral in deze eeuw te verklaren, in het bizonder vóór, bij en na de aanneming van de Kerkorde.
Dr B. meent, dat historisch gezien de Midden-orthodoxie de oudste papieren heeft in de Kerk. Het is waar, dat het Calvinisme vanuit het Zuiden later kwam. Waar is, dat de geschriften van Luther e.a. in de prille morgenstond der reformatie hier gretig gelezen werden. Waar is, dat vóórdat het Calvinisme hier kwam, alles gistend en vloeiend was. Maar het is een open vraag, of er vóór die tijd leiding werd gegeven, en als die er was, of dat een leiding was van wat wij nu midden-orthodox zouden noemen. Bovendien duikt hier de vraag op, hoe het mogeUjk is dat Guido de Brés reeds in 1561 de Confessie opstelde. Dan moet het Calvinisme toch reeds wijd verbreid zijn, wil deze Confessie het algemeen geloof uitdrukken.
In de tweede plaats is het een vraag of de middengroep van die dagen door de oppositie tegen het Calvinisme in vrijzinnige wateren terecht kwam (bk. 10).
Komen de Remonstranten niet veeleer krachtens eigen innerlijke structuur bij de vrijzinnigen terecht? Was het niet reeds een telling in het proefschrift van Prof. Dr Hugo Visscher, dat de Remonstranten in wezen modern zijn? Het is een feit, dat de Midden-orthodoxie — via de synthese Gunning-Hoedemaker — de leiding heeft gekregen en door deze K.O. heeft behouden.
Daardoor staat zij voor een gew^eldige opgave in deze tijd. Het is nu haar taak deze overwinning waar te maken in het geheel van de kerk. Dat ze daarbij enerzijds stoot op de Vrijzinnigheid en anderzijds op de Ger. Bond w^as en is niet twijfelachtig voor allen, die de verhoudingen enigermate kennen.
Dr B. ziet dit en meent, dat de Midden-orthodoxie van de vrijzinnigen moet leren, wat solidariteit met de wereld van vandaag betekent.
Hier komt het cultuuraspect aan de orde. Want met de radicale herziening van de kerkelijke vormen zal wel niet alleen bedoeld zijn, dat de kerk de cultuursituatie van vandaag heeft te kennen, maar ook dat het cultuuraspect in de verkondiging van het Evangelie moet worden ingedragen, zoals wij dit allerwegen zien gebeuren. Wij houden ons hart reeds vast bij de eerste schreden op dit pad, omdat het altijd en overal gold en geldt, dat een kerk, die de critische positie ten aanzien van de cultuur prijsgeeft, de wortel van het Evangelie kwijt raakt.
Natuturlijk hebben wij de cultuuraspecten ook van vandaag te kennen, maar tegelijkertijd te bedenken, dat deze cultuuraspecten behoren tot de gedaante van deze tegenwoordige wereld, die voorbij gaat, terwijl het Woord van onze God bestaat tot in der eeuwigheid.
Dat wil zeggen, dat het Woord Gods midden in de cultuur komt en daar als het machtige Gods Woord werkzaam is en eigen vormen schept en tegenover die cultuur in critische functie blijft staan.
Gebeurt dat niet, dan raken wij de wortel van het Evangelie kwijt, zoals de kerkgeschiedenis kan leren. Over de Vrijzinnigen wordt verder niet gesproken. Ook de liturgische beweging wordt met een kort zinnetje afgedaan. Van haar is geen bijdrage voor de prediking te verwachten? Wij zijn het daarmede eens en vragen: behoort deze liturgische beweging dan niet tot de Midden-orthodoxie? Wij vragen verder: Is er dan van Vrijzinnigen een bijdrage in de prediking te verwachten? En in hoeverre van de Midden-orthodoxie?
Van de Ger. Bond verwacht Dr B. wel een bijdrage en critiek ten aanzien van de prediking.
Vandaar dat hij het kerkelijk gesprek uitermate belangrijk acht. Deze weg is door de Midden-orthodoxie vanaf het begin welbewust gekozen. Zij wil niet de „weg van het Calvinisme, dat de weg gaat van leertuchtprocessen en felle polemieken", maar de weg van assimilering van de waarheidselementen uit alle richtingen.
Hier zitten wij al midden in de problematiek van het kerkelijk gesprek. Wij stellen maar vragen:
In hoeverre kan een Kerk — ook na een eeuwenlange deformatie en inkerkering in een besturenorganisatie — die de belijdenis der Vaderen als de hare erkent, op een vrijblijvende manier over afwijkingen van die belijdenis spreken? In hoeverre is het juist iemand, die in strijd met de belijdenis van de Kerk spreekt, een mede-beslissende stem te geven, wanneer over de belijdenis gehandeld wordt?
In hoeverre is het juist, dat de kerk zoekt, terwijl zij gesproken heeft?
Kan zij op haar beslissingen terug komen of die beslissingen ombuigen buiten de classieke weg van het gravamen? De uitgangspunten en achtergronden zijn hier reeds beslissend.
De Midden-orthodoxie beweegt zich m.i. in een weg van gevaarhjke vrijblijvendheid ten aanzien van de belijdenis der Kerk en wil een evenwichtspositie om van daaruit alle anderen te doordringen van haar ideaal over een Christus-belijdende volkskerk.
Vandaar dat ook Dr B. telkens weer spreekt over de noodzakelijkheid van de bijdrage en de critiek van de Ger. Bond in het geheel van de kerk.
Wij maken er geen bezwaar tegen, dat Dr B. ons een plaats aanwijst in onze Kerk, die plaats is er ondanks alle wrijfvlakken; ook niet tegen een zekere relativering van de richtingen, maar tegen de relativering van de inhouden van al dat belijden en het gemis en gebrek aan toetsing op het waarheidselement. Niet, dat er iets gezegd wordt, is van belang, maar wat er gezegd wordt, is van de hoogste betekenis.
Terecht is door Prof. Seyerijn tegen deze gedachtengang opgemerkt, dat van ons een soort donum superadditum gevraagd wordt, waardoor de Kerk eigenlijk compleet wordt. Onmiddellijk hangt hiermede samen het gebrek aan openheid tegenover de Ger. Bond in het verleden. Deze cardinale fout wreekt zich tot op vandaag. Men stond — zo merkt Dr B. op — wel open voor de critiek van links, maar niet van rechts. Op de ontwikkeling en de groei van de Ger. Bond is in de laatste jaren bijna niet gelet. Hier legt Dr B. de vinger bij een wondeplek!
Dat de Ger. Bond daarom niet gevraagd zou hebben is niet waar. Neen, de Ger. Bond heeft niet om deze K.O. gevraagd. Heeft niet om Fundamenten en Perspectieven gevraagd, heeft niet om een dienstboek gevraagd, waardoor de eenheid in de formulieren teloor gaat. Maar hij heeft wel gevraagd om gehoor op allerlei richtingsconferenties, in allerlei samensprekingen ook met het Moderamen van de Synode. Het rapport van de Ger. Bond over de K.O. legt getuigenis af van de intense belangstelling voor wat ging gebeuren en heft waarschuwend de vinger op; onaanvaardbaar! Wij hebben in ootmoed te belijden: Hadden wij dit maar getrouwer gedaan, volhardender, duidelijker, eendrachtiger.
Hoezeer is tot in de Synode door de afgevaardigden gesproken, dringend een appèl gedaan en gewaarschuwd, maar ... men heeft dit alles óf met een souverein óf met een vriendelijk gebaar terzijde gelegd.
Wel heeft men alles gedaan om de vrijzinnigheid mee te krijgen, maar men heeft maar weinig — om niet te zeggen niets — gedaan om te doorgronden, wat ons dreef en wat ons drijft!
Daarom beklage men zich achteraf niet over het isolement van de Ger. Bond, want dit isolement is ons opgedrongen. Wij vinden dat niet fijn — maar een ramp, omdat het ons niet gaat om de groep, maar om de Kerk in haar geheel. Wij begeren niet de overheersing van onze groep, maar de heerschappij van Christus door Zijn Woord en Geest. Wij begeren niet het isolement om het isolement, niet de partij om de partij, hoezeer wij ook zelf tegen deze verzoekingen te strijden hebben, maar wij begeren de tucht van het Woord Gods en de rechte functionnering van de Belijdenis der Kerk niet alleen voor anderen, maar ook voor onszelf. Ook wij hebben dat zo hard nodig! Zo menen wij de Kerk zeer positief te dienen!
Daarom zeggen wij vandaag; Niet het vlees — ook niet het Gereformeerde vlees — maar de Geest! Niet de partij (de Ger. Bond is een noodpositie!) maar de Kerk, niet het aantal (hoe belangrijk ook) maar de geestelijke kracht, niet de propaganda alleen — maar vooral de levende profetie!
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's