De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

7 minuten leestijd

Wie is waardig het boek te openen en zijne zegelen open te breken? Openb. 5 : 2b.

Er is hier sprake van een boek. Johannes ziet dat boek liggen op de hand van God, die in heerlijkheid op de troon zit. Wat staat in dat boek? Tot de apostel is gezegd : ,,Kom hier op, en ik zal u tonen hetgeen na deze geschieden moet". In dat boek staat dus Gods wil met de schepping, inzonderheid met de mens. Deze wil kan niet anders zijn dan de openbaring en verwezenlijking van Gods eer, In het oordeel over de wereld, in de zaligheid van Gods volk.

Maar Johannes kan dat boek niet lezen. Het is samengerold en in zeven delen verzegeld. Eén ding kan hij echter wèl zien. Dat is dat het boek voltooid is. Het is volgeschreven. Van binnen en van buiten. Er kan niet meer bij. Dit is een krachtige troost. Voor wie in God gelooft tot zaligheid. In deze wereld van verwarring en benauwdheid. De natuurlijke mens kan deze wereld niet anders zien, dan als een wereld, die vol is van mislukkingen. Doelloos en zinloos. Vooral ook vreugdeloos. Onder voortdurende angst voor dreigend, ook verstolen kwaad. En aan het einde de dood, waarvoor we geen plaats hebben in ons denken. En ook wie onder het Woord wil leven, doet daar onbewust en ongewild het zijne aan toe. Door Gods genade is er dan een ontkoming aan de algehele mislukking. Ten dele. Niet in beginsel. De wereld gaat voorbij. Men wendt zich van die wereld af. Geeft alles over aan het werken van de Duivel. De Duivel houdt zijn macht. De zonde haar heerschappij. Smart en vérlies worden uit de hand van de Duivel aangenomen. En het enige, dat overblijft is ver weg te vluchten, tot een mens de Heere mag ontmoeten, ver buiten wat het leven oplevert.

Maar nu komt het Woord. En legt heel dat tastelijke leven met al zijn mislukking en verdriet, zijn zonde en dood, in Gods hand. Dan komt er een wonderlijke vertroosting : ,,Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen". Als dat gezien wordt, zijn er geen mislukkingen. Geen vergissingen. Alleen het wonderlijke bestel van Goddelijke bestiering ten einde toe, tot Gods eer en de zaligheid van Zijn volk.

Het boek, dat Johannes ziet, is echter verzegeld. Dat wijst zeker ook op het onnaspeurlijke van Gods werken. Maar toch is hier eerder nog iets anders. Het gaat om de opening van het boek. , Dat betekent niet, dat de wil van God met de schepping wordt geopenbaard alleen, maar dat die wil wordt uitgevoerd. Is dat ontsluiten dan niet Gods werk? Ja, maar God wijkt met van Zijn heilige oogmerken af. En dat is immers de onvergelijkelijke ere, waarin God de mens geschapen heeft, dat deze mens het instrument van Gods ere zou zijn. En daarin bewerker van eigen vrede en geluk. De mens heeft in zijn val deze ere weggeworpen. Maar de Heere wijkt niet af van Zijn oogmerken. Hij geeft Zijn recht niet uit handen. En met klem vordert de Heere diezelfde mens op, zorg te dragen voor de tenuitvoerlegging van Zijn wil met de schepping : „Wie is waardig het boek te openen en zijn zegelen open te breken? "

Dat mogen we dan wel verstaan. Zó draagt ieder mens zijn verantwoordelijk! heid ten opzichte van de ontwikkeling der wereldse dingen en ten opzichte van de ontwikkeling van zijn eigen leven. Een ontzaggelijke verantwoordelijkheid, die niet wordt weggenomen door dode redeneringen. Geen mens werd dan ook ooit door de Heilige Geest geleid, of hij leerde buigen voor Gods heihge eisen. Rekende zijn zaak niet verantwoord voor God en zijn geweten door het zeggen : de natuurlijke mens ligt in zijn dood. Hij kan alleen maar afwachten. Want dat deed nog nooit enig mens. Wachten op Gods genade is zelf genade. En anders is een mens óf in het spoor der gerechtigheid óf op het pad der zondaren. Dit laatste dan is de weg van de gerusten in Sion en de verzekerden op de berg van Samaria. Men heeft het woord beter, dan wie ook. Ondertussen gaat het zondeleven ongestoord zijn gang. Maar de mens ligt niet in de onderste kuil. Weet niet van een verbroken hart en een verslagen geest. Is alleen maar goed Gereformeerd. Daar is dan de dood in de pot.

Hoe anders was het met Johannes onder deze nodiging uit de hemel. Zijn ziel verkeert in spanning. Wie zal antwoorden ? Wie waardig zijn het boek te openen en zijn zegelen open te breken? Alles in hem luistert met grote ontroering !

Welk een teleurstelling ! De vraag blijkt één aanklacht. Er is geen antwoord, noch in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde.

En daarmede dan is het éérste stuk uit de Heidelbergse Catechismus recht gepredikt. Zoals we dat gewoon zijn. En dat ook in de prediking begeren. En terecht ! Wat echter niét recht is, is, dat we dan met zulk een prediking tevreden zijn. En het daar zo goed bij kunnen hebben. Als dit het geval is, blijkt daar immers uit, dat we, hoe recht ook onderwezen, deze prediking nog nooit gehoord hebben, gehoord door de Heilige Geest. Johannes had het er niet zo goed onder. Zijn hart werd verscheurd. Het was in zijn ogen zo alleszins Gode waardig. Dat oproepen van de mens om hart, zin en leven te schikken tot de dienst des Heeren. En nu deze ervaring ! Dit oordeel ! Niemand in de hemel, niemand op de aarde, niemand onder de aarde ! Johannes weent. Deze pijl van Gods boog treft zijn hart. Maar eerst nu is er plaats voor de verkondiging van het Lam, de Leeuw, die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, die overwonnen heeft, om het boek te openen en zijn zeven zegelen open te breken. En is er plaats voor een blijdschap, waartegen geen dood en zonde iets vermogen. Want nu en nu eerst worden alle dingen nieuw.

Waarom laat de Heere ons dat zo voortdurend verkondigen? Omdat er geen ding is, dat een mens liever wil kwijt zijn dan dit. Deze grondgedachte uit elke waarachtige verkondiging. Deze enkele vraag uit de hemel voor het oor van Johannes, van hemel en aarde, kon de stilte der verlegenheid onder al wat leeft oproepen. We zijn daar vandaag ver vandaan. Van links en rechts is de mens in allerlei kerken en kringetjes druk bezig met antwoorden, zwaar van geleerdheid, betweterij en eigengerechtigheid. Tevergeefs is het zoeken naar de vruchten des Geestes. De blijdschap in het Lam, staande als geslacht, de vreugde des heils, waartoe het Heilig Getuigenis des Heeren Zijn gemeente zo gedurig opwekt. Tevergeefs ook het zoeken naar het stille leven der gerechtigheid, dat ook alleen maar daar kan gevonden worden, waar een moegestreden en verslagen mens oog kreeg voor Gods verlossingen.

Hoe kan het ook anders zijn, als het leven in en met de schepping nooit nog werd gezien als de zaak van Gods ere. De natuurlijke mens kan niet anders dan vrezen voor de ontsluiting van het verzegelde boek. Oordeel op oordeel brandt los uit de geopende rollen. Dat door al deze diepten heen het nieuwe Jeruzalem straks nederdaalt uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is, zie, dat wordt alleen troost voor een mens, die door de Heilige Geest, van zichzelf verlost werd. En een nieuw leven ontving. Dit, dat hij het Lam in het oog kreeg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's