CRISIS DER MIDDEN-ORTHODOXIE
II.
Dat dit ergens zijn organisatorische vormen heeft is niet te vermijden, maar de organisatie is ons niet het belangrijkst, maar is de gestolde vorm van onze voortdurende ongerustheid over het niet functionneren van het Woord Gods en — in onderschikking daaraan — van de belijdenis der Kerk. Ons Schriftgeloof — vertolkt door Art. 3 tot en met 7 van de N.G.B. — heeft ons in dat isolement geplaatst. Wij zijn uit het midden van de kerk naar de buitenkant gedrongen, zoals Ds L. Kievit op de conferentie te Woudschoten opmerkte. Wanneer het ons om de partij en om het isolement ging, waren we reeds lang de weg gegaan van de Afscheiding en de Doleantie. Dat willen wij zeer bewust niet, omdat wij ons solidair weten met de schuld van de Kerk. Haar zonden zijn onze zonden, haar schuld is onze schuld. Afscheiding en Doleantie hebben — hoe zegenrijk ook voor vele personen en hoezeer grote stukken van ons volk ook bewarend bij het Woord in een eeuw van Modemisme en Liberalisme — kerkrechtehjk geen oplossing gebracht.
Daarom voeren wij geen onwettige, maar een volkomen wettige strijd in de Hervormde Kerk, een kerkelijke strijd bij uitnemendheid!
Daarom zijn wij niet tevreden, wanneer er zo nu en dan een Midden-orthodoxe kerkeraad overloopt — o neen — dit is veeleer een teken aan de wand voor de Midden-orthodoxie. Er is in de Midden-orthodoxie een grote zenuwachtigheid, een overdreven belangstelling voor de Ger. Bond, die omgekeerd evenredig is aan de belangstelling vóór de aanneming van de K.O. Het regent artikelen in allerlei bladen over de positie van de Ger. Bond. Uitdrukkingen als: daar moet het Moderamen van de Synode iets aan doen, enz., komt ge telkens weer tegen! Laat ons het hoofd koel houden en koers houden!
Wanneer Dr B. ons een taai leven toeschrijft, dan is dat in zoverre waar, dat dit niet slaat op organisatie enz., maar op de verborgen kracht van de belijdenis als draagvlak des geloofs! Dit geeft ons enerzijds een diepe ongerustheid over veel, anderzijds een bevrijding, omdat Gods Woord machtig en krachtig is.
In zoverre de levende kracht van dat Woord Gods onder ons werkzaam is, overwinnen noch urbanisatie (versteedsing) noch industrialisatie de Ger. Bond. Daarmede zijn de problemen, die met de industrialisatie en urbanisatie ook van onze gemeenten samenhangen, niet gebagatelliseerd, maar is alleen gezegd, dat de levende vreze Gods ook daar zijn uitdrukkingsvormen zal vinden!
Op pag. 51 vraagt Dr B. : Wat houdt ze gescheiden? en hij antwoordt: Niet de gezangen. Wij zeggen : Toch wel o.a. Hij zegt: Niet de opvatting van de belijdenis; en wij zeggen : Dat hangt ervan af, of de Kerk in de historische continuïteit voortbelijdt. Niet het kerkbegrip. Volgens Dr B. niet, volgens Ds Groenewoud in het orgaan: Herv. Weekblad, uitgave van de Confessionele Vereniging, wel. Behalve de hefelijkheden als sectariërs, van magische structuur en in de uitlopers lichte pathologische gevallen (Bloemlezing uit de kerkelijke pers van de laatste maanden), wordt ons telkens weer verweten, dat wij een ander kerkbegrip hebben.
Wij vragen: Een ander dan de belijdenis? Neen, een ander dan sommigen in de Midden-orthodoxie. Naar ik meen zijn er circa twintig a dertig opvattingen over en beschrijvingen van de volkskerk. En omdat wij nu juist niet die opvatting van de volkskerk hebben als Prof. Haitjema en de predikanten Groenewoud en Krop, worden wij door deze theologen uit Groningen tot sectariërs verklaard. Daarbij wordt oudergewoonte het doleantiespook opgeroepen en doet Kuyper dienst als dat bekende hoofd, waarop alle slagen terecht komen, vandaar, dat wij tot Kuyperianen worden verklaard. Welnu, wij willen vandaag verklaren, dat wij een reformatorisch kerkbegrip hebben naar Art. 27—33 van onze N.G.B. Dat menigeen dat niet deelt, is niet onze schuld, maar een reden eigen particulier kerkbegrip te toetsen aan de confessie! Dat is toch confessioneel. Wanneer men verwijst naar de Kerkorde, die over een Christus belijdende volkskerk spreekt, dan merken wij op, dat deze uitdrukking toch niet in strijd kan en mag zijn met de Confessie wanneer deze over de Kerk spreekt.
Wil men een nadere explicatie van deze artikelen, men wende zich tot de reformatoren, o.a. tot de schrijver van de N.G.B. Guido de Brés, die één gesloten front vormen tegen Rome, dat geen spanning kent tussen de Kerk naar haar zichtbare én onzichtbare zijde én een gesloten front vormen tegenover de spiritualisering der Wederdopers met hun verwerping van Woord, ambt en sacrament.
Calvijn (in hoe nauwe gemeenschap staat Guido de Brés met deze grote reformator!) heeft aanvankelijk in zijn eerste uitgave van de Institutie tegenover het hoogkerkelijke van Rome zeer sterk de nadruk gelegd op de Kerk naar haar onzichtbare zijde. Later in zijn strijd met de Wederdopers heeft hij de accenten meer gelegd ook op de zichtbare zijde. Maar hij is tot aan de avond van zijn leven in deze zelfde spanning gebleven. Hij zegt ergens, wanneer hij de Kerk als het Lichaam van Christus beschrijft, dat dit ook enigermate betrekking heeft op de zichtbare Kerk. En in dit „enigermate" is de spanning der Reformatie vertolkt, ook onze spanning van vandaag in de Kerk.
De nadere uitwerking van dit kerkbegrip door Ds Kuyper kunnen wij voor rekening laten van Dr Kuyper. Daaraan is de Ger. Bond niet verbonden.
Calvijn zegt in zijn Comm. op Jer. 18 : 18: Het is niet voldoende met de Kerk te pronken, maar men moet klaar weten, wat de ware Kerk is en hoedanig de eenheid daarvan is. Wanneer de hoogkerkelijkheid van onze dagen de critiek der Reformatoren op Rome bestudeerde en ter harte nam en onze gemeenten hun critiek op de Wederdopers en hun klemtonen op het Woord, Verbond, ambt en sacrament verwerkten zouden wij én de heiligheid èn de eenheid van de Kerk dienen en verder komen.
Wij concluderen, dat wij ook in ons kerkbegrip tegen alle verzoekingen hebben te strijden, maar wijzen de betiteling van sectarisch met verontwaardiging en vrijmoedigheid af! Nu hoort men niet meer van dwaalleer, valse leraren, enz. Alles is kerkelijk. De dwaalleer ook? De kerk heeft reeds eeuwen haar critische positie tegenover de dwaalleer nagelaten en de adembenemende vrees is, dat zij er langs deze weg niet meer aan toe komt. Daardoor is de Kerk voor velen struikgewas geworden, waarachter men niet alleen zijn naaktheid (Dr B.), maar ook zijn dwalingen verbergt.
Daarmede zijn wij gekomen aan ons tweede punt: Berkhofs bezwaren tegen onze prediking!
Over de vormbezwaren wil ik kort zijn. Het is een inleiding apart waard! Laten wij in deze spiegel zien! en ons — zo nodig — ook willen herzien.
Belangrijker acht ik B.'s bezwaren tegen de inhoud van onze prediking, zoals hij deze samenvat op pag. 53—55.
Allereerst zij opgemerkt, dat de opmerking van Dr B. als zou de prediking — zoals deze onder ons begeerd wordt — in haar theologisch gehalte in haar groei en vergroeiing bepaald worden door de tegenstelling tot het midden-orthodox preektype — onjuist is.
Dit nu menen wij ten stelligste te moeten ontkennen. Dat wil niet zeggen, dat er geen groei en vergroeiing onder ons gevonden worden — o zeker — maar het is niet waar als zou deze prediking daardoor bepaald zijn. Wij kunnen hier vandaag wel deze vertrouwelijke mededeling doen, dat in vele gemeenten vele gemeenteleden zijn, die het Midden-orthodoxe preektype ternauwernood kennen en dat er ook onder de predikanten zijn, die maar matig op de hoogte zijn met dit preektype.
Dat men in de zgn. „gemengde" gemeenten onzerzijds sterke accenten legt, die anders zijn dan die welke bij het Middenorthodoxe preektype gevonden worden, valt niet te ontkennen. Maar dit is nog geen bewijs, dat onze prediking reactieprediking tegen of een aanvulling zou zijn van dit preektype. Wij mogen zeggen, dat wij uit eigen principe hebben gepreekt. Nimmer hebben wij geleefd van het manco van de Midden-orthodoxie. Nimmer hebben wij aan de Middenorthodoxie onze theologie ontleend, maar immer hebben wij gepreekt uit eigen gereformeerd principe, onder de indruk van het volstrekt gezag van de H. Schrift, van de hoogheid en majesteit Gods, van de absolute verlorenheid van de mens en volkomenheid van de Persoon en het werk van Christus, van de verheerlijking Gods door Hem!
Daarom willen wij in historische continuïteit met de Reformatie en zeer gaarne luisterend naar de verdieping en verbreding van allerlei gegevens uit de nadere Reformatie (die in kern reeds in de Reformatie gegeven zijn) vandaag prediken dezelfde boodschap, staande midden in de kerk. Daarom wortelt deze prediking niet alleen in kleinburgerlijke bodem, maar vindt ze een plaats op de dorpen en vissersplaatsen, in fabrieksplaatsen en in de steden. Tot in het diepst van mijn ziel ben ik er van overtuigd, dat wij het niet anders, maar beter, voller rijker en indringender hadden moeten doen en nog moeten doen minder beschrijvend, maar meer getuigend; vermanend, dat niemand mag rusten voor dat hij in Christus is. Dat hebben wij ons aan te trekken en daarin hebben wij ons te herzien.
Luisteren wij naar Dr B.'s bezwaren, waarin die vergroeiing zich openbaart:
1. Zondekennis gaat aan het geloof vooraf. 2. Scheiding van Wet en Evangelie. 3. De mens staat in het middelpunt van de prediking.
Het hart van de kwestie is de verhouding van Wet en Evangelie. Zoals bekend kan zijn, wordt deze volgorde bijna algemeen in de Midden-orthodoxie omgekeerd. Men spreekt van Evangelie en Wet, van beloften en geboden, genade en oordeel. Dat Barth hierop een grote invloed heeft gehad, is bekend. Dat deze omkering te maken heeft met de Godsleer en de leer der eigenschappen Gods bij Barth, kan ook bekend zijn.
Berkhof is daarover ontevreden en meent bij Prof. v. Ruler een betere omschrijving te vinden.
Ik kan dit nu laten voor wat het is om ons zelf af te vragen: Scheiden wij Wet en Evangelie? Scheidde Luther Wet en Evangelie? Het zou niet moeilijk zijn vooral bij de oudere Luther allerlei citaten te vergaderen, waarin hij wel terdege oog blijkt te hebben voor de leidende functie der Wet in het leven der gelovigen.
Maar waar is, dat Luther — zelf heengaande door de brieven aan de Galaten en de Romeinen — Wet en Evangelie soms op een wijze scheidt, die wij bij Calvijn niet in die vorm vinden.
Het is echter zeer beslist te ontkennen, dat de tvs^eeheid Wet en Evangelie meer Luthers dan gereformeerd zou zijn! Want zeker, Luther scheidde soms meer dan Calvijn, maar Calvijn onderscheidde zeer scherp Wet en Evangelie. Wanneer de Geref. Dogmatici ergens een eenstemmig geluid laten horen dan is het hier. Men leze vooral de Institutie van Calvijn, Boek II, hfdst. VII, §§ 6—9, en de M'onderschone Commentaren op de Romeinen- en Galatenbrief. De verzoeking is groot om hier uitvoerige citaten te geven, maar deze inleiding leent zich daarvoor niet.
Te allen tijde is onder de Gereformeerden de nadruk gelegd op de éénheid van Wet en Evangelie in de Heere Christus. Willen wij dit helder inzien, dan moeten wij naar het Paradijs. Nooit zien wij de betekenis van de Wet Gods zuiver, indien wij de leer van het beeld Gods niet daarmee verbinden. Adam was Wetsconform volkomen in overeenstemming met Gods Wil. Toen is Adam gevallen en heeft die Wet Gods verbroken. Wanneer de Heere op de Sinaï Zijn Wet hutten de mens geeft, is dat genade! Zeker is de Wet gegeven in het genadeverbond. Dat genadeverbond lag daar in de schaduwachtige bedeling met veel wettische dingen.
Als zodanig is de ark — de wet in zich bevattende — één schaduw van Christus.
Om een beeld te gebruiken: De Wet is te vergelijken met een spiegel, die in een lijst staat! De lijst is de genade — is Christus.
Wanneer de Heere Zich openbaart aan een zondaar, is dat in Zijn majesteit en gerechtigheid, dan zendt Hij Zijn verblindende stralen uit in het hart van een zondaar. Daarin ontdekt Zich de Heere als Rechter en bedekt de lijst: Christus! Hierin liggen alle ontdekkende functies van de Wet Gods, die Paulus noemt: Uit de Wet is de kennis der zonde, ik had niet geweten, dat de begeerhjkheid zonde...
Dat wij daarbij niet verteerd worden, is te danken aan de lijst, aan de genade, aan Christus. De kracht der Wet is de ontdekking aan de ongerechtigheid — maar de Wet werkt geen boetvaardigheid — dat is een werking van het Evangelie, omdat Christus evenzeer de verpersoonlijking van de Wet is als van het Evangelie. Daarom is het niet mogelijk, de werking van spiegel en lijst in een methode of schema te brengen of te wringen. De werkingen van de Heilige Geest zijn nooit in kaart te brengen, dat is ook onze bedoeling niet. Wel is het de bedoeling op te merken, dat de Wet als spiegel aan de werking van de lijst logisch en chronologisch vooraf gaat.
Christus draagt de Wet Gods in het binnenst van het ingewand en zodra Hij door Woord en Geest intreedt in het bewustzijn van een verloren zondaar gaat de lijst, de genade, stralen in gouden glans en gaat er kalk over de spiegel, zodat deze ons niet meer verteren kan. Christus is Wetsconform, Hij is het Beeld Gods en wie in Christus is, is ook Wetsconform. Dan glanst de genade over de Wet en functionneert de Wet vanuit Christus leidend, onderwijzend, ook telkens weer ontdekkend. In dat raam staat de Wetsprediking in het derde deel van onze Catechismus. Hier komt Psalm 119 volkomen tot zijn recht als onderwijzing enz.
De genade van het genadeverbond maakt gebruik van de Wet in het Werkverbond om een mens zo te stellen, dat hij het beeld Gods in Christus onverliesbaar bezit.
1) Is deze bloemlezing niet een aanklacht tegen de hooggeroemde kerkelijke stijl? Of neemt men tegenover de Ger. Bond die stijl niet in acht? Zou het niet tijd worden de pers voorlopig het zwijgen op te leggen en ons te bekeren ook van onze persongerechtigheden? Dan zouden wij meer aan de bekering toekomen, die wij allen zo nodig hebben.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's