EEN DOMINE VERTELT
Avondmaalsvrees
XX.
Vooral in mijn eerste Gemeente deed zich indertijd een verschijnsel voor, dat men het beste zou kunnen bestempelen met: „Avondmaalsvrees".
Er was daar een klein clubje van getrouwe avondmaalgangers. Zij kwamen vrij geregeld aan 's Heeren Heilige Dis.
De hele Gemeente wist dat ook ; kende die enkelen heel goed en sprak er verder niet over. Men was er aan gewoon geworden en vrijwel het er over eens, dat die mensen behoorden aan te zitten.
Op het huisbezoek kwamen deze dingen natuurlijk weer ter sprake.
Het gebeurde wel, dat men de avondmaalsvraag niet eens zelf behoefde aan te roeren, omdat men in de gezinnen, die opgezocht worden, er haast direct over begon. Men hoorde dan meteen wel, hoe zij er daar tegenover stonden. Kwam er eens een nieuweling aan de Tafel des Heeren, dan werden de hoofden bij elkander gestoken en deze of gene maakte zeker wel de een of andere wantrouwende opmerking. Vroeg men dan op de man af: ,,hebt gij er zelf wel eens over gedacht ten H. Avondmaal te komen? ", dan wierpen zij dat ver van zich.
„Neen, domine", was het dan, „daarvoor moet een mens eerst wat anders leren kennen en dat ben ik nog niet deelachtig. Ik durf dat zó maar niet voor mijn rekening te nemen".
Meen nu niet dat hier inderdaad avondmaalsvrees aanwezig is ; want dat is het niet. Men durft meer, dan men weet.
Het is mij in het leven menigmaal gebleken : die zeggen, dat zij niet durven, zijn anders zo bang niet. Het is geen vrees, die hen weerhoudt, maar innerlijke afkeer van de genade.
Hoor maar, hoe zij tegelijk nog zo vol van andere mensen zijn : „Ik durf zó maar niet te komen en ik begrijp niet hoe die en die wèl durven, want voor zover ik weet, zijn het ook al net mensen als ik".
Men uit zich ook wel op deze wijze : ,, Als ik zie, wie allemaal aan Tafel komen, dan zeg ik : dat kan niet goed wezen ; ja, ik noem het verschrikkelijk en ik begrijp niet, dat de leraren er niet meer tegen waarschuwen".
Dat smaakt wel wat naar de taal van de Parizeer, die met de tollenaar naar de tempel gaat en minachtend op deze neerziend, zou zeggen in de taal van onze tijd : „Tegenwoordig komt er toch ook van alles in de kerk".
Wanneer ik denk aan avondmaalsvrees, dan bedoel ik heel andere mensen. Dat zijn zij, die werkelijk niet durven. Zij hebben geen vrijmoedigheid, terwijl men somtijds toch bij hen aanvoelt een honger en dorst naar de gerechtigheid. Met die mensen ga men teer te werk. Hier moet men vooral niet dwingen, d. w. z. menselijke pressie moet hier buiten blijven.
Zou iemand willen aanhalen dat woord: ,,Dwingt ze om in te komen, opdat mijn huis vol worde"? Vergeten wij niet, dat het er aldus staat in de gelijkenis. De Heere spreekt hier in getijkenistaal en laat ,,een zeker mens" dat zeggen, die een groot Avondmaal bereidde. En toegepast op het H. Avondmaal, zal de Heere daar toch zeker niet mee bedoeld hebben, dat de mensen tegen wil en dank krachtig moeten worden opgenomen van de wegen en van onder de heggen en zo maar aan Zijn Tafel moeten worden gezet, maar alleen, dat zij kraöhtig aangepakt moeten worden door en met het Woord en door de Geest.
Wel moet men zulke mensen, die geen vrijmoedigheid hebben, vragen naar het „waarom?"
En weet gij, wat er dan nogal eens geantwoord wordt? „Och, als dat uitnemende kind Gods niet durft aan te gaan (en met een noemen zij een bekende naam van een christen uit de Gemeente), hoe kan ik dan gaan? "
Nu kunt gij die mensen wat hard op het dak vallen en met verontwaardiging zeggen : ,, Gij hebt niet met mensen te maken !" Of : „gij moet niet op mensen zien!" Er zou uit blijken, dat gij de mentaliteit van zulk een dorp volstrekt niet kent. Niet, dat gij geen gelijk hebt, maar gij kunt u toch niet indenken, hoe moeilijk het voor die eenvoudige mensen is, om in hunne kleine kring over de mensenopinie heen te komen en daar boven te staan.
Zou er wel iemand op aarde geheel vrij van zijn omgeving zijn ?
Ik kan mij de strijd van zulk een eenvoudige ziel begrijpen, want het is in ons geestelijk leven een hele worsteling, eer wij de mensen waarlijk kwijt zijn.
Misschien zijt gij dogmatisch met de dingen klaar en zegt: ,,Als het Gods werk maar is, dan vallen de mensen wel weg".
Zeker, zulke voorbeelden zijn er ook wel, maar daartegenover staan vele andere gevallen, waarin het werk Gods nu nog niet zo beslist doorbreekt en voor de dag komt. Dan is het voor die mensen een zware strijd, om op te staan en aan te gaan. Zij voelen de ogen der gemeenteleden op zich gevestigd en ach ! die mensenogen kunnen zo steken. Zij weten, dat zij morgen of overmorgen door enkelen uit het dorp ter verantwoording zullen worden geroepen.
En dat alles moet eerst zijn overwonnen
Die hunne bezwaren dus mede voelen kan, zal wel beslist, maar toch ook zacht en teer met hen spreken. Hij zal zich wel wachten, met blinde ijver er op los te slaan of met de botte bijl er op in te houwen.
Die zal ook niet nalaten, dat uitnemende kind Gods eens te bezoeken, dat hier als exempel gesteld wordt, om niet aan de Tafel des Heeren te gaan.
Want dat zou toch vreemd en abnormaal zijn, waarlijk een kind des Heeren te zijn en toch nooit naar het H. Avondmaal te komen of er althans naar te verlangen. De Heere heeft toch twee middelen verordend en geschonken ter versterking des geloofs; wij moeten dus niet wijzer zijn, dan de Heere, door er slechts één te aanvaarden.
Eens heb ik zulk een mens bezocht. Hij was oud van dagen. Een uitnemend christen inderdaad. Wat kon zijn aangezicht soms stralen, als hij onder de prediking des Woords neerzat! Wat heeft hij menigmaal getuigd van eigen verlorenheid, maar ook van Gods bemoeienis, aan hem bewezen.
Ik vroeg hem eens: „Hoe komt het toch, dat u wegblijft van de Tafel des Heeren ? Het is todh voor degenen, die zich zelf vanwege hunne zonden mishagen en zich daarom voor God verootmoedigen."
„Weet u ook wel, hoeveel invloed uw wegblijven op anderen heeft, die zich op u beroepen ? "
„O, dat moeten zij niet doen, riep hij.
„Dat is alles goed en wel", ging ik verder, „maar zij doen het toch en u geeft de zwakken en kleingelovigen daarin geen goed voorbeeld."
Ik mocht praten, wat ik wilde, het heeft nooit gebaat. De man werd bedroefd, maar aan het H. Avondmaal zag men hem niet.
Ja, het gebeurde wel, wanneer er schepen bij hem aan het erf lagen, omdat er turf geladen moest worden, de eigenaars daarvan enige weken bleven. Deze schippers kerkten niet, maar „oefenden" des Zondags zelf. Gedurende die tijd zag men onze oude broeder niet; hij „kerkte" dan bij die mensen aan boord.
Die schippers haatten de kerk en hadden er bijzonder slag van, om hem enigszins als een zot voor te stellen, wanneer hij nog naar die Baalkerk zou durven gaan. Dan kwam hij dus niet.
Was de reden hier gewoon zwakheid en mensenvrees ? Ik vermoed het wel; maar zeker is, dat hij toch ook met de kerk in de war was en dat hij zich in deze dingen niet liet leiden door Woord en Geest alleen.
Mensen, die zeer hoog bij zich zelf staan, roepen hier weer „ach en wee !" over zulke toestanden.
Nu, de dode lijdelijkheid hebben wij overal te bestrijden, waar wij ze'tegenkomen ; daarbenevens alle ziekelijke uitwassen. Maar pas op voor de ruwe hand !
Hier geldt ook: „Zo dan, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle".
Wat die oude man aanging, ik stond hier eensdeels voor een raadsel; anderdeels ook weer niet.
Toen hij ouder werd, hield de aardse avondmaalsvraag voor hem op. Hij werd gebrekkig en kwam niet weer ter deure uit. Hij werd zelfs kinds.
Maar wat de Heere aan hem gewerkt had, dat bleef levend. En wanneer hij vanaf de legerstede toch nog voorging in het gebed, was hij helder van geest en ververnieuwde de Hecre zijne jeugd als die eens arends.
Ik kon het niet laten, hem lief te hebben en ik geloof zeker, dat de Heere hem ook die zonde vergeven heeft, dat hij aan de aardse Avondmaalstafel nooit zat.
De Heere moet ons immers wel meer vergeven behalve onze zwakheid en kleingelovigheid. Al acht ik daarom het wegblijven van de Tafel des Heeren geen kleine zaak. En nog minder : dat men anderen, ook zonder zijn weten, daarin belemmeren kan. Het houdt immers de gezonde gang der dingen tegen. En daaruit komen weer andere geestelijke kwalen voort.
Maar praat mij ook niet van die plaatsen en kerken, waar alles maar toeloopt. Lidmatentafels, grotendeels bevolkt met de eenmaal gangers. Of met gehoorzaamheidsmensen.
Wanneer ik over Avondmaalsvrees sprak, dan bedoel ik daarmee allerminst, dat wij in een tegenovergesteld uiterste terecht zouden moeten komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's