CRISIS DER MIDDEN-ORTHODOXIE
III.
Dan sterven wij de Wet Gods om Gode te leven en is Christus het einde der Wet, Christus de Vervuller der Wet, Christus de Handhaver der Wet.
Wanneer Dr B. vraagt: Is er dan een openbaring Gods buiten Christus, dan is ons eerst nodig klaarheid te scheppen in de vraag: Wat verstaan wij onder de openbaring Gods in Christus? Valt deze openbaring samen met de verzoening? Is de Heilige Schrift alleen maar oorkonde en getuigenis van die openbaring Gods in Christus? Of is de H. Schrift openbaring van de drieënige God? Ook hierin is het Schriftgeloof beslissend. Openbaring en verzoening vallen niet samen. De schepping is er eerder dan de genade. God, de drieënige God, openbaart Zich in Zijn Woord. In de schepping treedt naar voren God, die de wereld schept door 't Woord, dat is Zijn Zoon. Hij is de Middelaar der schepping.
De Middelaar der herschepping is het vleesgeworden Woord: Jezus Christus.
Deze drieënige God: Vader, Zoon en Heilige Geest, kan en wil Zich door Zijn Woord zo openbaren, dat wij de werkingen van deze Personen in ons kunnen gevoelen (Art. 9 van de Ned. Gel. Bel.).
Zo is het mogelijk, dat een zondaar staat in het verblindend licht van de Wet Gods, gedaagd voor de Rechter van hemel en aarde en dan niet anders opmerkt dan deze Rechter. In Christus echter schittert Zijn aangezicht vol van genade en zachtmoedigheid, ook voor ellendige en onwaardige zondaren (Calvijn, Inst. II, VII, 8).
Dit is niet een werking van Gods Geest buiten 't Woord om — zoals Dr B. veronderstelt —, maar een werking Gods door 't Woord, opdat wij het centrum van de openbaring Gods, n.l. het vleesgeworden Woord: Christus, de Zaligmaker, zouden leren kennen en ons verblijden in Zijn wondere genade!
Dit is vaststaande leer, opkomend uit het levend belijden, bij de Reformatoren, bij de gereformeerde dogmatici, ook bij Kohlbrügge. Niemand wordt in deze tijd sterker misbruikt dan Kohlbrügge. Men leze en herleze zijn preken, schriftverklaringen en vooral zijn catechismuspreken.
Eén citaat moge hier volgen uit een catechismuspreek over Zondag I van de Heid. Catechismus (uitgave Callenbach, verzorgd door v. Stempvoort en v. Ginkel, pag. 15), waar Kohlbrügge zegt: Er ligt iets in (n.l. in de troost in 't leven en in 't sterven), dat men voor driehonderd jaar nog beter begreep dan tegenwoordig. Toen hadden zij nog weet van de wet, en dit is nu bijna uit alle harten verdwenen.
Nu is over jong en oud, pausgezinden en evangelischen, een geest vaardig geworden, waardoor zij niet meer vragen naar de Wet Gods. Zij rekenen alleen met hun eigen wil en deze zetten zij door. Geduld oefenen, afwachten en hopen kunnen zij niet.
Nog eens: er ligt iets achter deze vraag.
Waarom hoorde men vroeger zoveel van waarachtige bekeringen? Waar kwamen die mensen vandaan, die enkelen nog (hun aantal wordt almaar kleiner, ook in onze gemeente, de meesten liggen al op het kerkhof), van waar kwamen die profeten en profetessen, die konden getuigen van Gods genadige erbarming? Mensen, die wisten: „dit is goud en dat is valse munt!" Vanwaar? Waren zij niet geboren in de afgrond der verlorenheid, toen zij wegzonken voor Gods Wet? Daar zit de fout van deze tijd. Er is nu geen eerbied meer voor Gods Wet. Tot zover Kohlbrügge. Deze woorden zijn 't waard ook in deze tijd overdacht te worden.
Het is hier niet de vraag, of de Wet niets met Christus te maken heeft, zoals Dr B. veronderstelt. Want de Wet heeft alles met Christus te maken. Daarom maken wij de ontdekking, juist de ontdekking aan de wortelzonde: het ongeloof, niet los van Christus. O neen, de lijnen van de ontdekking dienen helder doorgetrokken te worden tot het Kruis.
Het is hier ook niet de vraag, of de belofte aan de Wet vooraf gaat, zoals de verbondssluiting naet Abraham chronologisch aan de wetgeving op de Sinaï vooraf ging. Dit is op grond van de Heilige Schrift buiten gesprek. Maar het is hier de vraag: Hoe wordt de belofte Gods bij het voIk Israël en bij ons gerealiseerd?
Bij Israël, doordat de Heere Zijn Wet (niet een vreemde Wet, maar de openbaring van zijn levenswet) erbij voegde met het doel aan zonde en ongerechtigheid te ontdekken, opdat het volk zou dorsten naar de verzoening, opdat de genade genade zou zijn. De Wet doet dus de belofte niet teniet, maar is dienstbaar deze belofte te realiseren. Zonder de Wet is de genade geen genade! Heilshistorisch heeft de Wet de functie van de paedagoog tot Christus. Maar is daarmede de functie van de Wet voor ons vervallen? Neen, ook voor ons geldt: uit de Wet is de kennis der zonde. Dit is niet alleen gericht tot de Farizeërs van Paulus' dagen, die door de Wet hun eigengerechtigheid probeerden op te richten, maar evenzeer tot ons, die dat op onze manier proberen. Waarom wordt dit zeer essentieel stuk van de H. Schrift altijd tijdgebonden verklaard? Is dan de farizeër in ons en buiten ons niet even wezenlijk als in Paulus' dagen?
Kan de kerkgeschiedenis (Augustinus-Pelagius; Luther en Calvijn contra R.K. en 't humanisme; Kohlbrügge en zijn tijdgenoten) ons niet leren, dat de Kerk op haar tocht over de aarde voortdurend door de farizeër wordt aangevallen en dat zij het Evangelie telkens weer een nieuwe Wet maakt? Ongetwijfeld bestrijdt Paulus de wetsverering der Farizeërs, die de Wet beschouwden als het middel om gerechtvaardigd te worden voor God!
Maar hieruit zullen wij toch niet mogen concluderen, dat de Wet niet wezenlijk tot 't Woord des Heeren behoort,
'k Meen, dat de Catechismus dit zo vat, wanneer zij op de vraag: Waaruit kent gij uw ellende? antwoordt: Uit de Wet Gods! Heeft men voor deze functie van de Wet Gods wel voldoende oog in de Midden-Orthodoxie?
Men weet in deze kringen wel boud te spreken van de plaats der Wet in het derde stuk, maar weet men eigenlijk wel raad met de plaats der Wet in het eerste stuk?
Alle uitleggingen van de Catechismus op dit punt van de zijde der Midden-Orthodoxie tot en met „De blijde Wetenschap" van Prof. Miskotte hebben mij niet kunnen overtuigen. Hier wringt iets, ja soms veel! Hier wordt de toeleidende weg tot Christus eenvoudig miskend. Om alle misverstand te voorkomen wil ik direct verklaren, dat 't mij niet gaat om dit woord: toeleidende weg of eventueel een ander woord, maar om de zaak.
En deze zaak is zeer belangrijk! Hoe verklaren wij ooit vraag en antwoord 12 van de Catechismus, wanneer wij alleen maar willen toegeven, dat de drie stukken of elementen, waarvan de Catechismus spreekt, in logische volgorde staan en niets met een chronologische volgorde te maken hebben?
„Aangezien wij dan naar 't rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen? " zo luidt de vraag. Is dit de vraag van eën door Christus verloste, of van een veroordeelde?
Wanneer wij al het beschouwelijke en terugziende van de Catechismus aftrekken, houden wij een verloren zondaar over, die wij in de H. Schrift telkens tegenkomen. Daarom voldoet de verklaring niet, die er alleen maar op wijst, dat dit een stukje middeleeuwse scholastiek of boeteleer zou zijn.
Daarom heeft ook de Catechismus als practisch leerboek op 't oog niet een theologische verhandeling te geven van alle mogelijke historische en heilshistorische aspecten, maar te zeggen: dat is mijn troost, zo leef ik erin en eruit en zeker in Zondag 5: zo kom ik eraan! Dit zijn fundamentele noties, die zich niet laten verwaarlozen op straffe van een misverstaan van de gehele Catechismus.
Daarom dagen wij — met Calvijn — de mensen voor de rechterstoel Gods, opdat zij, aangegrepen door de gerechtigheid Gods, al hun schuilhoeken zullen verlaten en op 't open veld van Gods licht en genade zullen roepen. Dit is geen voorwaarde tot het heil, maar de de modus quo, de wijze, waarop de genade Gods ons deel wordt. Daarbij hebben wij de Wet Gods niet als doel voor ogen, maar Christus de Vervuller der Wet.
Dit alles gaat niet om buiten het geloof. Integendeel, dit is een wezerdijk deel van het geloof.
Het is een misvatting, wanneer men zegt, dat wij de kennis der ellende èn in de toeleiding tot Christus èn in de voortgaande ontdekking na de geloofsvereniging met Christus, zouden stellen buiten het geloof. Hier komt een typische verenging van de opvatting van het geloof in Midden-Orthodoxe kringen aan 't licht.
Wanneer men in deze kringen over het geloof spreekt, dan vernauwt men vaak het geloof tot vertrouwen en schakelt het kennis-element uit.
Dat het geloof in onze verlorenheid voor God in onze ellende een essentieel stuk is van het geloof, wordt schier niet meer verstaan! Het geloof is dan geloof in onze rechtvaardigmaking voor God.
Dit heeft tot gevolg, dat men in Midden-Orthodoxe kringen de zondekennis en het schuldbesef als iets bijkomends gaat beschouwen, niet als iets wezenlijks! Zonder dat schuldbesef en zonder die zondekennis zou het geloof ook een afgerond geheel zijn. Dit is een zeer gevaarlijke dwaling, die momenteel zijn duizenden verslaat.
Hoogstens zegt men dan nog, dat de zondekennis uit het zien op Christus ontstaat, maar alles blijft zwevend en 't gevaar is niet denkbeeldig, dat men God noch zichzelf kent en met Christus geen raad weet, omdat men nooit een verloren zondaar voor God is geworden.
Deze begripsverenging heeft voor de prediking belangrijke gevolgen, omdat men bij alle Schriftplaatsen, waar over het geloof gesproken wordt, dan uitsluitend denkt aan dit beperkte rechtvaardigingsgeloof. Dan is het niet meer een voor waarachtig houden alwat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft (Zondag 7 H.C.), maar alleen een vast vertrouwen in de schuldvergeving.
Daarbij komt, dat men in Midden-Orthodoxe kringen te weinig ernst maakt met de prediking van de twee wegen: de brede en de smalle weg. De spanning, die daardoor moet ontstaan in de prediking, wordt vaak dialectisch tot oplossing gebracht.
Daar is — met handhaving van Verbond en H. Doop — een gebrek aan ernst met het feit, dat ook het kind des Verbonds onder de vermaning staat van: Strijd om in te gaan, want.... Te weinig ernst met de ontzagwekkende werkelijkheid, dat een mens er krachtens geboorte buiten staat.
Ook soms een optimistische beschouwing van de mens en een verwaarlozing van de uitspraken van de H. Schrift over de doodsstaat en actieve vijandschap van de zondaar. Daardoor komt het machtig ingrijpend en wederbarend werk aan de Heilige Geest niet tot zijn recht.
Daarmede is niet gezegd, dat wij de mensen leren, dat zij niet tot Christus mogen opzien, alvorens zij verbrijzeld zijn — o neen — zij mogen, ja zij moeten tot Christus opzien, maar opdat zij in waarheid tot Christus zuUen opzien, hanteren wij 't Woord als een zwaard om ze te doorsteken, om ze een dodelijke wond toe te brengen, die door niemand genezen kan worden dan door Christus.
Al deze aspecten hebben met deze opmerkingen van Dr B. te maken.
Nog één opmerking over eerst verbrijzeling — dan tot Christus opzien. Wij zagen reeds, dat de ware verbrijzeling niet buiten het geloof omgaat.
Nu moeten wij ook nog letten op de plaats van Johannes de Doper. Hij gaat aan Christus vooraf en niet omgekeerd. Dat was zijn unieke plaats in de heilsgeschiedenis. Zijn taak was wegbereider voor de Heere Jezus te zijn.
(Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's