De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Tucht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tucht

6 minuten leestijd

De kerk op de Veluwe heeft de aandacht getrokken van het weekblad de Hervormde Kerk. Het nummer d.d. 17 Mei '52 geeft enkele critische noten. De auteur ds. R. Dijkstra concludeert dan, dat de tucht zich inderdaad niet alleen naar links, maar ook naar rechts zal moeten richten. Dat klinkt op zich zelf niet onwaarschijnlijk. Tucht behoort nu eenmaal tot de kenmerken van een gezond kerkelijk leven, en heeft ook in een kerk, die haar belijdenis eert, te waken over de afdwalingen naar links en naar rechts. Het is nu eenmaal de taak van de kerkelijke of christelijke tucht.

Omdat het kerkelijk leven in deze wereld van zonde en dwaling nu eenmaal de tucht niet kan missen zonder te verachteren, maakt het een enigszins vreemde indruk, dat deze schrijver tot de conclusie komt, dat ook naar rechts tucht nodig is en dat na een zo lange periode, waarin de kerk in dit opzicht aan zich zelf overgelaten alleen onder de tuoht des Woords stond voor zover de prediking zulk een tucht uitoefende.

Hoorden wij dezer dagen niet de opmerking, dat er over het algemeen slecht gepreekt wordt ? De goede preken niet te na gesproken, kan men dit moeilijk ontkennen. In dit opzicht geven predikaties door de radio en meditaties in kerkelijke bladen een ongezocht bewijsmateriaal. Men kan ook niet weerspreken, dat ook de prediking, welke zich als gereformeerd aandient, wel eens wat te wensen over­ laat. Het is uit dien hoofde een gelukkig feit, dat dit punt onder onze predikanten de aandacht heeft.

In zoverre moet worden toegegeven, dat hij, die zijn oor te luisteren legt, aanleiding kan vinden tot critiek en de wenselijkheid van tuoht uitspreekt. Hij vergist zich echter, als hij zulk een opmerking maakt, omdat hij in de mening verkeert, dat in gereformeerde kringen bij het woord tucht alleen aan de vrijzinnigen zou gedacht worden. Het komt mij veeleer voor, dat in de eerste plaats kerkrechtelijke motieven om tucht vragen. En deze vraag hangt onmiddellijk saam met de eisen, waaraan een gezond kerkelijk leven behoort te voldoen, als zij in overeenstemming zal zijn met onze gereformeerde belijdenis. Deze vraag is alzo in beginsel precies dezelfde als de vraag naar het kerkelijk functioneren der confessie.

Daarmede zijn dan tevens de richtlijnen voor de kerkelijke tucht gewezen. Als de schrijver van bovengenoemd artikel vraagt: ,,Is de binding aan de belijdenis hier (op de Veluwe) sterk ? ", dan acht hij dat niet steeds het geval. Hij vindt afdwalingen. Dat kan juist zijn. .Todh vragen wij ons af, of deze criticus zelf van de binding aan de belijidenis is uitè(egaan. En dat zou toch nodig zijn.

Hij zegt: de traditie weigert b.v. het zingen van gezangen. Hij is van oordeel, dat de geestelijke leidsheden de gemeente moeten opvoeden tot het ,,Nieuw-Testamentisohe" lied én haar uit te leggen, dat theologisch de traditie niet te handhaven is. Verder spreekt hij over deze, traditie. die zou heersen over het Evangelie.

Hij schijnt van mening te zijn, dat opheffing van dit „liturgisch verschil" de eenheid der gemeente zou brengen, alsof het slechts een kwestie van liturgie ware zonder verschil in theologische achtergrond. Heeft de schrijver het z.g. ,,Nieuw- Testamentische" lied wel eens aan de belijdenis getoetst ? En vindt hij juist in de hedendaagse verhandelingen over liturgische vragen geen aanleiding om verband te zien tussen theologische vooronderstellingen en liturgische strevingen ?

Bovendien een traditie verdient nog geen afkeuring, omdat ze traditie is, en men kan het wel reformatorisch noemen een traditie te doorbreken, maar het is de vraag, of zulk protest naar de geest reformatorisch is. Er is een protestantisme, dat met het geloof der reformatoren weinig verwantschap vertoont.

De schrijver wijst ook op de gevaren der valse mystiek. Zeker is er valse mystiek en wellicht meer dan echt Christelijke. Met welk een heftigheid treedt Calvijn op tegen valse mystiek en met welk een tederheid spreekt hij van de gemeenschap met Christus ! Trouwens onze belijdenis laat zich ook niet onbetuigd.

Ik kan mij indenken, dat de schrijver niet erg gesticht is door de wijze, waarop hij de gezangen door een predikant getytpeerd vond. Wij gaan daarop niet in en laten dat voor rekening van de zegsman. Zo geeft hij nog enkele uitdrukkingen, waarin hij symptomen van valse mystiek opmerkt, bij predikant en gpdsdienstonderwijzer. Dat Jacob van man vrouw moest worden, en dat het in de gemeente beter wordt, naarmate er minder aan het Avondmaal komen.

Zulke dingen geven terecht aanstoot en zijn niet in overeenstemming met de gezonde leer.

Onder „Tweeërlei einde" neemt hij een stuk over uit een kerkblad, dat exegetisch inderdaad enige bedenkingen oproept, al moet naar de strekking van dat stuk geoordeeld, worden opgemerkt, dat moeilijik kan worden volgehouden, dat daarin niets meer zou zijn van catechismus en belijdenis, die wel degelijk twee wegen kennen, gelijk ook de Heilige Schrift. Heeft Christus niet zelf gesproken van hen, die zich er op zullen beroepen, dat zij met Hem gegeten hebben, en tot wie Hij zeggen zal: Gaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid ? En, die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, de toorn Gods blijft op hem. (Joh. 3 : 36).

Wij onderstellen, dat de schrijver zulke woorden van de Christus toch geen „sectarisch gepraat" zal noemen en ook niet zal ontkennen, dat daarin een dringende aanleiding is gegeven tot ernstige vermaning en roep tot bekering. Deze elementen mogen niet ontbroken, zal de bediening des Woords waarlijk Dienst des Woords zijn.

Wat had de kerk, als zij de Dienst des Woords zou derven en hoezeer moet de kerk verarmen, als de prediking des Woords geen kracht der vergadering en de gemeenschap meer heeft ? Daarom is alles gelegen aan een oprechte, gelovige en zuivere prediking des Woords. En moeten wij ook onze eigen gebrekkelijkheid in de prediking erkennen en betreuren, zo zij dit een aansporing tot onderzoek en gebed.

Geen afwijzing van gezonde critiek, en geen uitzien naar hulpmiddelen, die de prediking des Woords niet kunnen vervangen noch ook een voortreffelijker uitvoering geven aan het bevel van Christus : Predikt het Evangelie aan alle creaturen.

En wat de exegese. aangaat, ds. D. spreekt van „roekeloos" gebruik van teksten ! '— de pericoop, waarvan de meditatie uitgaat, geeft zeker aanleiding tot de vermaning van de schrijver in het kerkblad. Zie b.v. Spr. 11 ; 7 en 8 en de vergelijking mens-boom is niet onschriftuurlijk. Men behoeft heus niet bij de fabel van Jotham te blijven. (Richt. 9). De Schrift spreekt van de afgehouwen tronk van Isaï, van eikebomen der gerechtigheid en Paulus vergelijikt heel Israël bij een olijfboom,

Zij het dan, dat enkele uitdrukkingen wat minder gelukkig zijn, de vermaning tot zelfonderzoek van de schrijver dezer korte meditatie, waarop ds. Dijkstra wijst, kan men niet in strijd achten met Schrift en belijdenis.

Integendeel beide stellen ons telkens weer voor de eis der bekering en manen tot zelfonderzoek en de prediking kan dit slechts tot grote schade van het leven der gemeente veronachtzamen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Tucht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's