De geest der wereld en de Geest uit God
Doch wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest, die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn. 1 Kor. 2 : 12
Dit apostolisch getuigenis diene tot nabetrachting op het zo juist gevierde Pinksterfeest. Het legt de nadruk op de uitnemende genade, die de gelovigen, in onderscheiding van de ongelovigen, hebben ontvangen. Het wijst de plaats aan, die de Kerk van Jezus Christus in het wereldleven inneemt. Wanneer de apostel Paulus hier spreekt van ,,wij", dan heeft hij daarmede allereerst het oog op zichzelf en zijn mede-apostelen, maar tevens op allen, die in Jezus Christus als hun Borg en Zaligmaker leerden geloven. ant juist door de prediking der apostelen is het Evangelie der genade het persoonlijk eigendom geworden van allen, die geloven.
De Geest, Die door de apostelen sprak, is Dezelfde, Die met de geest der gelovigen getuigt, dat het woord der apostelen de waarheid is.
Daarom, indien wij door genade de naam van de Heere Jezus Christus oprecht leerden belijden, zo hebben ook wij het voorrecht en het recht om deze uitspraak van Paulus als tot ons gesproken te beschouwen, d.w.z. zo hebben óók wij ontvangen de iGeest, Die uit God is. Als de apostel zegt, dat wij niet hebben ontvangen ,,de geest der wereld", dan denkt hij daarbij niet allereerst aan de geest van vijandschap tegen God en Zijn Gezalfde. Met die geest waren de lezers van zijn Brief voldoende bekend. Daarvan behoefden zij dus niet bij herhaling verzekerd te worden. Paulus' bedoeling wordt duidelijker, als wij bedenken, dat Korinthe een stad was van hoge beschaving, met een druk internationaal handelsverkeer. En nu is het voor de inwoners van zulk een stad een groot gevaar, dat zij zich op hun hoge beschaving en cultuur laten voorstaan.
Als Paulus spreekt van de geest der wereld, dan bedoelt hij daarmede niet alle cultuurwaarden als niets waardig te veroordelen, want dan zou hij in strijd komen met zijn eigen woorden, die hij elders heeft neergeschreven, n.l. : ,,alle gave Gods is goed, met dankzegging genomen zijnde".
Paulus had een open oog niet alleen voor de weldaden van Gods bijzondere genade, maar óok voor die van Zijn algemene genade. Het was juist de bijzondere genade, die hem de algemene genade naar waarde leerde schatten. Het was voor hem dan ook geen zonde, dat de menselijke geest tracht in te dringen in de geheimen van Gods schepping ; dat de mens een antwoord tracht te vinden op de vele levensvragen en zijn verlangen naar schoonheid tracht uit te drukken in woord, klank en beeld, want daarin openbaart zich een levensdrang, die God Zelf in de mens heeft ingeschapen.
Het is zijn roeping, op alle levensterreinen te werken. Maar het wordt tot zonde, wanneer deze gaven worden gezocht als het hoogste en beste, v/anneer zij worden aangeprezen als de vervulling van des mensen diepste levensbehoeften. Dat is 't ook, wat Paulus bedoelt met „de geest der wereld". Er is in de wereld zoveel, dat op zichzelf niet zondig is, maar dat moet worden beschouwd als een gave van God. Daarom is het vaak zo moeilijk om precies aan te wijzen, wat wèl en wat niet mag ; waarom het een wèl en het ander niet is toegestaan. Er is bijzondere genade toe nodig om die geest der wereld te onderkennen. Die wereld-geest is steeds een gevaar, inzonderheid daar, waar de zonde zich niet openlijk, maar in een verfijnde vorm aan ons voordoet en waar de regels van eerbaarheid en ingetogenheid schijnen te worden geëerbiedigd. Juist met het oog daarop kan dit tekstwoord ons van dienst zijn, want het leert ons-, dat wij voorzichtig moeten omgaan met de gaven van Gods algemene genade, opdat die gaven ons niet vervreemden van de oneindig veel hogere gaven, die Zijn bijzondere genade ons schenkt.
Wanneer datgene, wat de wereld ons biedt, ons zozeer in beslag neemt, dat wij niet meer van harte kunnen instemmen met het woord van de gewijde dichter : „Wien heb ik nevens U in de hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde", dan houdt die „geest der wereld" ons reeds gevangen, ook al staat het er met onze uiterlijke levenswandel nóg zo goed voor. Indien wij als Christenen temidden van het moderne leven op de goede weg willen blijven, dan zullen wij met de waarschuwing van dit apostolisch woord ernstig rekening hebben te houden.
Nadat Paulus heeft gezegd, wat de gelovigen niet hebben ontvangen, n.l. de geest der wereld, zegt hij, wat zij dan wèl hebben ontvangen, n.l. de Geest uit God. Hier staat het woord „geest" met een kleine letter tegenover het woord ,,Geest" met een hoofdletter. Op het negatieve volgt het positieve. Omdat wij de Geest, Die uit God is (d.i. de Heilige Geest) hebben ontvangen, daarom, zo zegt de apostel, weten wij de dingen, die ons van God geschonken zijn. Paulus denkt hier aan de vrucht van Christus' Middelaarswerk, die zich nu reeds in beginsel openbaart in de rechtvaardigmaking en heiligmaking van de zondaar en die zich straks ten volle zal openbaren, wanneer het geloof wordt verwisseld in aanschouwen en het zal blijken, dat God voor Zijn volk een heil heeft bereid, dat geen oog gezien en geen oor gehoord heeft en dat in geen mensenhart is opgeklommen.
Waarlijk, zo wil de apostel zeggen, ik verkondig u, wat ge in deze wereld nooit zult vinden : een Evangelie, dat een kracht Gods tot zaligheid is en waarin ge rust en vrede vindt voor uw zielen. Daarom bidden wij u van Christus'wege: Laat u met God verzoenen.
Want ver boven de weldaden der algemene genade gaan de zegeningen der bijzondere genade uit. Paulus is er van verzekerd, dat de rechte hoorders van zijn prediking vóór alles zullen zoeken het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid. Dat moet de uitwerking zijner prediking zijn bij degenen, die haar verstaan. Maar dan moet er ontvankelijkheid zijn voor de ernst en de vreugde van deze prediking, een ontvankelijkheid niet voor allerlei oppervlakkige indrukken, maar voor de diepste indruk, want de dingen, die ons van God geschonken zijn, dringen niet zo gemakkelijk tot ons door. Wij weten deze dingen niet, zolang zij op ons nog niet zó'n diepe indruk gemaakt hebben, dat wij, in schuldverslagenheid over onze zonden, leerden vragen : ,,Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal", en dat wij in aanbiddende verwondering leerden roemen : „Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt". De dingen, die ons van God geschonken zijn, moeten onze ziel zó aangrijpen, dat wij er biddend werkzaam mee worden en blijven.
Zij worden ons eigendom, wanneer onze ziel de woorden des eeuwigen levens indrinkt als water. Dat is het werk des Geestes, zegt Paulus. Die Heilige Geest werkt niet aan de oppervlakte, maar daalt af in de diepte. Om tot de vrijmoedigheid van het welverzekerd geloof te komen, daartoe is meer nodig dan een gedachteloos voortgaan langs een woordelijk afgebakende weg.
Die dingen gaan te diep, dan dat zij ons eigendom zouden worden door zo nu en dan eens even vluchtig de Bijbel te lezen en te bidden. De drukte van het gejaagde leven vraagt des te meer de verzorging van onze geestelijke nooddruft in de stille afzondering van de binnenkamer, om ons rekenschap te geven van de dingen, die ons van God geschonken zijn. Tot de wetenschap van de enige troost in leven en in sterven komen wij alleen, zo wij de Geest, Die uit God is, in ons laten werken. Dat gaat weliswaar gepaard met veel twijfel en zorg, strijd en aanvechting, maar wat wij daarbij ontvangen is zó groot, dat het onze aandacht ten volle waard is. Hoe meer wij er ons in verdiepen, des te hoger stijgt onze verwondering en des te meer begeren wij er van te weten. Ons gehele leven moet er pp gericht zijn, dat wij ons door die Geest van God laten leiden. Die met onze geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. Dan verliest de geest der wereld, die alleen maar oog heeft voor de tijdelijke, vergankelijike dingen, steeds meer zijn invloed op ons en wordt in ons hart de belijde stemming geboren, die met Paulus doet roemen : ik ben verzekerd, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Jezus Christus, onze Heere. i
** Het tekstwoord wijst ons de weg, waarlangs de oplossing moet worden gezocht en gevonden voor de vele moeilijkheden, waarvoor de christelijke levenspractijk ons plaatst, al moet aanstonds worden gezegd, dat wij hier geen regel hebben, waarvan de toepassing in elk geval voor de hand ligt. Dit apostolisch woord geeft geen opsomming van bijzonderheden inzake de vraag, hoever wij met de wereld kunnen medegaan en toch nog Christenen blijven. Er blijven steeds nog gevallen, waarin wij op het eerste gezicht geen uitweg zien. Maar dat is ook niet nodig. Het heeft zelfs dit voordeel, dat wij daardoor tot nader onderzoek gedwongen worden, welk onderzoek het geestelijk leven verdiept en verrijkt. Het komt allereerst en allermeest aan op de vraag, of wij leven uit de geest der wereld of uit de Geest van God. Laat ons met die vraag volle ernst maken. Dan kunnen allerlei kwesties ons nog wel eens bezwaren, maar dan leiden deze dikwijls ten slotte nog tot een verrassende uitkomst. Wij kunnen in onze beslissingen beter te voorzichtig zijn dan niet voorzichtig genoeg. De opvatting, dat een gelovige zich meer moet ontzeggen dan 'n ongelovige, rust op een valse voorstelling, want als het gaat om de hoogste goederen (en daarom gaat het toch immers), dan kan de gelovige de vergelijking met de ongelovige glansrijk doorstaan, want hij geniet veel meer dan de wereldling. Hij wéét de dingen, die ons van God geschonken zijn. Hij wéét, "waarheen hij met zijn ondragelijke zondelast vluchten moet. Hij Wéét, dat hij uit de dood is overgegaan in het leven. Het voorrecht van die wetenschap gaat ver uit boven al wat de wereld biedt.
Wij hebben dan ook de genade te zoeken om te mogen roemen in onze rijkdom. De afwijzende houding, die wij tegenover zo vele dingen hebben aan te nemen, is niet toe te schrijven aan geestelijke minderwaardigheid, maar aan voorzichtigheid uit vrees voor geestelijke besmetting. Het is geen teken van zwakheid, maar van kracht, want niet minder dan het eeuwige leven staat hierbij op het spel. Dé genieting met de wereld is, ook al kan zij soms geoorloofd schijnen, steeds gevaarlijk. De jacht naar levensgenot maakt de ziel steeds ongevoeliger voor "de vervulling der diepste levensbehoeften. Zij berooft het hart van de gezonde honger en dorst naar de gerechtigheid. Zij maakt, dat de dingen, die ons van God geschonken zijn, op de achtergrond komen te staan, of zelfs geheel worden vergeten. Daarmede kan de Heere geen genoegen nemen, want Hij kan zich slechts met de eerste plaats tevreden stellen. Zijn Geest daalt af in de diepten van het leven en grijpt het hart aan, het centrum van ons leven, waaruit de uitgangen des levens zijn. Als! die Geest ons leent de dingen, die ons van God geschonken zijn, dan leven wij, hoe zwak en gebrekkig ook, uit het geloof en niet uit het beginsel van werkheiligheid. Dan gevoelen wij wel is waar nog dagelijks, hoe die geest der wereld ook in ons nog krachtig nawerkt, zodat wij met Paulus de klacht moeten slaken : , , ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ? " Maar dan komen wij ook tot ruimte als die Geest, Die uit God is, als de Trooster ons zielsoog opent voor de rijkdom der genade, die in Christus Jezus is geopenbaard, en ons met Paulus doet roemen ; ,,ik dank God door Jezus Christus, onze Heere".
Bidden wij dan dagelijks, dat die Geest ons geschonken worde ; dat die Geest ons steeds meer opmerkzaam make op de geestelijke rijkdom, die ons geschonken is in Christus, Die Zichzelf voor ons heeft overgegeven. Hij heeft een volkomen verzoening tot stand gebracht voor al onze zonden. Hoe meer wij ons rekenschap geven van hetgeen ons in Hem geschonken is, des te vrijer komen Wij te staan tegenover de dingen van het tijdelijk leven en des te gemakkelijker kunnen wij de vraag beantwoorden, hoever wij met de wereld kunnen medegaan en toch christenen blijven in de genieting van de weldaden van Gods algemene genade. Want dan leeft er iets in ons hart van dat heilig verlangen, dat ons met de gewijde dichter doet instemmen : ,,Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken ; dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren om, de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1952
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1952
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's