De Hofnar van Gelre
FEUILLETON
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
door J. C. HOMOET
Resius heeft, evenals de naaste omstanders, de verrassing en de schrik van de hertog opgemerkt en verkeert helemaal niet in het onzekere wat hiervan de oorzaak mag zijn. En van die verrassing, èii van de algemene verbazing weet onze man handig gebruik te maken.
„Kom mee", fluistert hij Siebe en Cornelis toe.
Fluks dringen zij nu door de drom van omstanders heen en zijn, nog vóór men weet wat er gebeurt, uit 't oog van pater Boudewijn en diens helpers verdwenen.
Maar hertog Karel heeft het opgemerkt en plots is de bijgelovige vrees bij hem verdwenen. Want uit de verrassing, welke hij ook op het gezicht van de Oost-Fries bespeurde, alsmede uit diens plotseling verdwijnen, is het hem overduidelijk dat hij hier met vlees en bloed, en wel met die stoutmoedige gevangene uit Arnhem te doen heeft. Een boosaardige trek komt zijn stoere trekken versomberen.
, .Grijpt die spion !" roept hij met gramme stem zijn gevolg en de verzamelde menigte toe, terwijl hij met zijn gehandschoende rechterhand driftig de kant uitwijst, waarheen de drie vrienden ontsnapt zijn, meteen met zijn linkerhand krampachtig het gevest van zijn slagzwaard omklemmend.
Een grote opschudding volgt nu. s Hertogen gevolg haast zich om aan het toornig uitgeroepen bevel.te voldoen,
aar waar is de spion? .: & : iWaè.iA, .: %, ; / tin de menigte? , j(-/ •-1 - •- -
Ook zij begrijpt niet, \yie de: ; hertog onder hen bedoelt. ••-^^S^-^tfe? -
Alleen pater Boudewijn snapt ïiet. Helaas ! als hij naar de plaats kijkt, waar zo juist nog de vreemdelingen stonden, ziet hij zijn buit verdwenen.
hij zijn buit verdwenen. , , Waar is de spion? ^NaaxT' roept en schreeuwt men in 't rond.
Men dringt en woelt. De een wil hierheen, de ander een tegenovergestelde zijde, maar, wijl de meesten aanwezigen ook thans nog niet weten wat er eigenlijk aan de hand is, wordt de verwarring steeds groter en is er van vervolgen in de eerste ogenblikken geen sprake.
Karel's toorn kent geen grenzen. Zijn paard steigert door de geweldige druk van zijn knieën en de vlijmende sporenprikken. En woest dringt hij, niets en niemand ontziende, door de terugwijkiende volksmassa heen. Maar het gehate én hem zulk een magische vrees aanjagend gezicht, ontdekt hij nergens meer.
I Hoofdtsuk X. De twee broeders.
Terwijl rumoer en verwarring nog aanhouden, bevinden de drie vrienden zich weldra buiten gevaar. Aldoor voortscharrelend in het uiterste van de drom nieuwsgierigen, begrijpen ze terstond aan 't verward geschreeuw en gejoel, dat hun verdwijning is opgemerkt. Daarom haasten zij zich des te meer.
Gelukkig staan ze opeens 'voor een nauwe steeg. Deze biedt hun de eerste redding. Ijlings schuiven zij het gangetje in en rennen het dan in één adem door, tot waar het uitkomt op een tuin, die slechts door een ijle heg, waartegen zich pronkbonen opslingeren, afgesloten is.
ie^ „Nu zullen z' ons niet vinden, dat zeg ik!" brengt Cornehst er hijgend uit. „Hierheen - ^ ik ken de weg — dat doe ik!"
Meteen maakt hij een opening in de heg en dringt er door, de naaste tuin in. , , Er door ! gauw !"
Resius en Siebe zien er eerst wel wat tegen op, om eens anders eigendom als inbrekers te schenden, maar geven toch; na korte besluiteloosheid, aan Cornelis' vernieuwde aansiporing gelhoor, wel begrijpend dat zij zich thans geheel aan de leiding van de kleine gezel moeten toevertrouwen, willen zij niet in 's vijands handen vallen.
Ternauwernood zijn zij evenwel de hof binnen gedrongen en poogt Cornelis met voorbeeldige handigheid de opening in de heg, zo goed en kwaad als hij het vermag, weder te sluiten, of onze gezel ziet tot zijn niet geringe schrik op korte afstand in de steeg een wonderlijk ventje als een wervelwind komen aanstuiven.
„O ! daar zijn ze!" fluistert hij angstig de anderen toe. , , Voort — rechtuit — dan dwars "
Maar nauwelijks is men enkele schreden ver en wil men een andere bonenheg doordringen, om zodoende in de naaste tuin aan de vervolger te ontsnappen, of deze laatste is eveneens reeds naar het voorbeeld zijner voorgangers de hof binnengedrongen en roept al 'hijgend op gesmoorde toon : „Hei! — hola ! Zeg groot haest is dicwijl onspoed ! Hei ! "
En de klank van die stem èn de vreemde lach, waarvan deze woorden vergezeld gaan, doen Siebe en Resius, die reeds op het punt staan om Cornelis in de andere tuin te volgen, verrast omzien. No. 42 (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1952
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1952
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's