Theologie en theologie
De ontwikkeling van 'de kerkelijke zaken schijnt verschillende kerkelijke scribenten aanleiding te geven om van hun belangstelling voor de Gereformeerde Bond te doen blijken. Zij doen dat gewoonlijk in een toon, die ondanks waarderende opmerkingen, in het algemeen nog genoegzaam rijk is aan critiek en misverstand om ons te bewaren voor een al te groot optimisme. Dit neemt niet weg, dat er in de beoordeling telkens een en ander naar voren ikomt, waaruit kan blijken, dat voor sommigen duidelijk gaat worden, dat het streven van de Geref. Bond wordt gedragen door een overtuiging, welke voor het kerkelijk leven als geheel van belang moet worden geacht.
Zo eindigt een artikel van J. W^. Beerekamp in een ons toegezonden blad d.d. 10 Mei j.l. met de zinsnede : „De verhouding tot en het gesprek met de Geref. Bond zal voor de toekomst van het grootste belang zijn vooir de leidende figuren in de Herv. Kerik. Want achter de Bond staan duizenden trouwe leden van de Hervormde Kerk en de vragen, die de Bond stelt aan de andere groepen, zijn van het grootste gewicht."
Nu gaat het echter niet om het getal, want de Waarheid is niet afhankelijk van het getal, maar om de waarde en de betekenis van onze reformatorische belijdenis voor het kerkelijk leven als geheel. Ontsproten aan heit geloof van de kerk der eeuwen in de machtige worsteling der Reformatie, waarin de wereldoverwinnende kracht des geloofs voor de ganse wereld openbaar is geworden, draagt zij het kenmerk van het waarachtige leven der kerk. Daarin schuilt haar blijvende waarde en betekenis ook voor het heden. Op zich zelf , moest dit reeds een richtsnoer voor de hedendaagse ikerkehjke leidslieden zijn om aan de belijdenis de plaats toe te kennen, die daaraan toekomt.
„Aan de productie van theologische wetenschappelijke literatuur doet de Bondsrichting echter nauwelijks mee", zegt de zo even aangehaalde schrijver. Het woordje „nauwelijks" ten goede nemende, laten wij na op geschriften en verhandelingen te wijzen, die in onze kring door de jaren heen van verschillende hand zijn verschenen. Wij 'willen daarenboven opmerlken, dait geheel de ontwikkeling van de , , theologische wetenschappelijike literatuur" sedert de Aufklarung ^- en zelfs eerder —' in sterke mate gedistantieerd van de Gereformeerde theologie en van haar uitgangspunt in het reformatorisch Schriftgeloof. Dit betekent zeker niet, dat de negentiende-eeuwse theologie zomaar zonder meer als een voortgaande ontwikkeling van de reformatorische theologie kan worden erkend. Integendeel, theologie komt nü eenmaal op uit het geloof. En nu kan men de religieuze be-^eging van het tijdsgewricht, dat in grote lijn door Renaissance en Reformatie wordt bepaald, in haar geheel tot uitgangspunt van beschouwing maken, maar in dat geheel neemt de kerkelijke reformatie en het kerkelijik geloof toch een geheel eigen plaats in, welke bepaald "wor4t door het Schriftgeloof, dat de Heilige Schrift als Gods • Woord ontvangt en van geen ander gezag in de geestelijke dingeij wil weten dan het gezag des Woords, zoals dat ons in de Schrift gegeven is. - "
De geschiedenis van het rehgieuse denken is daarmede toch een andere dan de geschiedenis van de theologie der Reformatie, al lopen die in verschillend opzicht dooreen. Dit onderzoek leert, dat zowel de onderscheidene theologische als de wijsgerige beschouwingen in verschillend opzicht de invloed der reformatorische theologie verraden. Nochtans kan niemand volhouden, dat zij loten zijn van de reformatorische stam, of ook maar als modaliteiten van het kerkelijk geloof mogen worden beschouwd. ', i
Wie op de hoogte is m^i de innerlijike structuur van 't negentiende-eeuwse denken over religieuse en theologische vraagstukken, met name in betrekking tot het stuk der openbaring, zal niet kunnen weerspreken dat het de grondslag der reformatie, welke gelegen is in het Schriftgeloof, radicaal heeft verlaten. Een begeleidend verschijnsel daarvan aanschouwen wij in de Schriftcritiek, welke op zichzelf reeds een voortdurende ondermijning van de theologie der Reformatie moest betekenen, zelfs in kringen, die het Christelijk geloof niet wilden prijsgeven, i
In de grond der zaak vond deze ondermijning oorzaak in een overschatting van het menselijk intellect, dat zelfs aan zijn eigen critiek voorbij snelde.
Het moge vreemd klinken, maar het is een onomstotelijk feit, dat het grootste euvel van de critische geest der negentiende eeuw daarin is gelegen, dat hij te weinig critisch is geweest, te weinig zich is bewust geweest van de grenzen, welke hij in zichzelf meende ontdekt te hebben. Hij heeft zich te weinig rekenschap gegeven van het feit, dat het vraagstuk der religie en der openbaring, ook wanneer men dat op negentiende-eeuwse wijze en met negentiende-eeuwse vooronderstellin-
gen tracht te benaderen, het mensehjik redewezen voor dezelfde mensehjke onmogehjkheid zet om in de dingen, die des Geestes Gods zijn, in te dringen. Wie het wezenlijk onderscheid tussen God en Zijn schepsel wil eerbiedigen, zal overal de grens van het gebied zijner eigene schepselmatigheid ontdekken en de onmetelijke distantie tussen haar en de Schepper, ook, al is Hij niet verre van een iegelijik van ons.
Reeds daarom kan de Schriftcritiek, hoe radicaal zij ook te werk gaat, zich slechts bewegen in het schepselmatige redeneren over schepselmatige menselijike vindingen en veronderstellingen. Zij blijft binnen de sfeer van het menselijk gegevene en menselijk onderstelde, hetgeen generlei conclusie ten aanzien van het goddelijke als absoluut geldig kan rechtvaardigen, dan dat het ons verstand te boven gaat.
Generlei critische overweging kan enige uitspraak doen over de mogelijkheid of onmogelijkheid der Godsopenbaring, of over de juistheid of onjuistheid van het Schriftgeloof der Christelijlke kerk. De ervaring leert, dat de Heilige Schrift als orgaan der Godsopenbaring werkt, en de menselijke rede is niet competent om het werk Gods te doorgronden, noch in de tot standkoming der Heilige Schrift, noch in haar werking als Godsopenbaring, of in de gave des geloofs, welke haar als Gods Woord ontvangt en eerbiedigt als de levende stem Gods. >
Het is daarom ook misplaatst, te spreken van een menselijke en een goddelijke factor in de Heihge Schrift. Ook dat is gebrek aan critisch inzicht. De Schrift, zoals die voor het natuurlijk verstand verschijnt, is als een menselijk boek in een menselijke voorstellingswereld, in menselijke taal en door mensen te boek gesteld en ook de geschiedenis van haar tot stand koming schijnt menselijk. Daarom is de stelling, Gods Woord is in de Bijbel, onhoudbaar. Geen mens, die zulk een stelling poneert, kan ons het goddelijke van het menselijke afzonderen in een bundeltje, dat dan goddelijk zou zijn. Slechts het geloof kan de Heilige Schrift als Gods Woord ontvangen en ervaren.
In het openbaringsgebeuren zou men redelijkerwijze van een onderscheiding van het goddelijke en menselijke kunnen gewagen, in zoverre God spreekt én de mens hoort. God komt tot de mens en de mens ontvangt, ziet, hoort, gelooft, dat God spreekt en zicH openbaart. Maar verder kunnen wij niet gaan, want het goddelijke werken zelf voltrekt zich nochtans in de verborgenheid. i
Ofschoon het Schriftonderzocfk niet onvruchtbaar is geweest voor de kennis der historie en van het leven der volkeren, die in de Bijbel worden genoemd, en van de taalwetenschap, — waarvan ook de gereformeerde theologie een dankbaar gebruik kan maken —, kan slechts misverstand daaraan argumenten ontlenen om aan de Heilige Schrift haar gans bijzonder karakter als goddelijke Schriftuur te ontzeggen. En dat wel om de eenvoudige reden, dat de hemelse dingen buiten het bereik der natuurlijke rede liggen.
Dat wil dus zeggen, dat het waarachtig Christelijk geloof in de goddelijkheid der Heihge Schrift, waarvan de gemeente van Christus belijdenis doet, zijnde een vrucht van de Heihge Geest, onwrikb& ar staande blijft temidden van de bewegingen der moderne theologische beschouwingen.
In aanmerking genomen, dat deze beschouwingen het kerkelijk geloof aangaande de Heilige Schnift hebben ingeruild voor veronderstellingen, die deze enige grondslag ener echt kerkelijke theologie hebben prijs gegeven, kan het niemand verwonderen, dat de gereformeerde theologie in een isolement is gedrongen.
Dat isolement heeft zij zelf niet gezocht, maar het is haar opgedrongen. Wie haar dit tot verwijt maakt, behoort zijn eigen standpunt nader te onderzoeken.
De gereformeerde theologie kan echter geen ander uitgangspunt erkennen dan haar Schriftgeloof. Dat is, om het zo eens uit te drukken, het axioma der kerkelijke theologie. Een theologie, welke dit standpunt weigert te aanvaarden, houdt niets anders over dan de leiding van het algemeer^ menselijk religieus grondgevoel en wat zij aan de kerkelijke dogmatiek wil ontlenen. Daarin vindt zij allerlei verbindingslijnen en aanrakingspunten voor de theologische discussie. iDeze discussie wordt echter steeds bedreigd door de spanningen, welke opkomen van uit de geheel verschillende geestelijike achtergronden. *
Wat nu in het algemeen geldt voor de gereformeerde theologie tegenover de moderne theologische dusgenaamde wetenschap, is tekenend voor de positie van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk. Dit is trouwens in de verschillende samenkomsten het gesiprek, o.a. door de Noodraad enkele malen bijeengeroepen, duidelijk aan het licht gekomen, omdat het altoos weer neerkwam op de controversen in de Schriftwaardering.
Daar komt bij, dat het uitgangspunt der gereformeerde theologie in het Schriftgeloof, , van zo principiële en centrale betekenis is, niet alleen uit een oogpunt van methode, maar ook als kenmerk ener echt kerkelijke theologie, d.i. een theologie, die uit het geloof en dus uit de belijdenis van de kerk opkomt. Theologie wordt geboren uit de levende gemeente van Christus. Zij moet de kerkelijke belijdenis als een grondvlak des geloofs achter zich hebben om
theologische arbeid te kunnen verrichten, die zich in het spoor van het leven der gemeente beweegt.
Alleen in die weg kan deze aribeid omgekeerd de kerk van diensit zijn in de bezinning op de (vraagstukken des tijds, die vragen om een oplossing.
Het ligt ook voor de hand, dat zulk een wisselwerking uitzicht geeft op een gezonde kerkelijke en theologische ontwikkeling en, indien de omstandigheden daartoe nopen, tot uitbreiding en nadere verklaring van de kerkelijke confessie, maar dan altijd van uit de belijdenis.
Daarom hebben wij er telkens weer voor gepleit het „kerikelijk gesprek", zoals men dat noemt, van uit de belijdenis der kerk te voeren., ' i
Ook daarbij 'Zou echter deze principiële zaak spoedig aan de orde komen en blijken, dat de scheiding tussen kerkelijke theologie en wat zich als theologie aandient, ook het gereformeerd kara: kter der Her
vormde Kerk bedreigt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1952
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1952
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's