De Hofnar van Gelre
FEUILLETON
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
„De nar!" roepen beiden tegelijk, vol verbazing, luider dan voor hun hachelijke toestand gewenst is.—
Inderdaad, deze is het. Al mist hij op dit ogenblik zijn narrenkap, toch is het manneke gemakkelijk te herkennen. Hij was door de hertog, toen deze zich gisteren in het kasteel van een zijner getrouwe edellieden op de Veluwe ophield, plotseling ontboden en daarop met zijn heer meegegaan, om, na een kort verblijf binnen de poorten van Harderwijk, met deze naar Arnhem terug te keren. Hij heeft zich in 't gevolg van de hertog bevonden, toen deze zo pas in de mensendrom Resius ontdekte. Ook hij zag Resius, hoorde het geroep van „spion" en begreep terstond alles. Vlug en stil als een eekhoorntje liet hij zich van zijn paard glijden en ging de vluchtelingen na, zonder zich om zijn rijdier te bekommeren. Zijn narrenkap trok hij van zijn hoofd, teneinde minder opzien te verwekken, en stopte die haastig in zijn buis. Wat geen ander had opgemerkt, dat was hem niet ontgaan : het verdwijnen van de vluchtelingen in de steeg.
„Wat wilt ge van ons, goede vriend !" vraagt Resius haastig. „Ge wilt ons toch niet ? "
Zijn gehele gezicht glanslachend, nadert het wonderlijke mannetje en neuriet:
Egidius, waer bestu bleven? Mi lanct na di, gheselle mijn ;
Du coors die idoot, du liets mi tleven.
Dat was gheselscap goet ende fijn, Het sceen, dat moeste ghesceiden sijn.
En dan ziende, hoe de drie een ogenblik dralen, vervolgt hij tot Cornelis : ,,Voort, Ridder van 't drievoudig Verstand, en breng ons naar de hal van uw vaderlijk roofslot. Wijsheid zoekt wijsheid. Vooruit !"
Al maken deze woorden geen der anderen een weinig wijzer omtrent de bedoeling van de hofnar, toch begrijpen Resius en Siebe zeer goed, dat het manneke, hetwelk reeds zoveel waagde om hen uit hun kerker te verlossen, ook nu te goeder trouw is. De eerste geeft dan ook aan Cornelis een teken, en zonder spreken gaat het weder voort door een paar tuinen van verschillende poorters, door wie heden ter oorzake van de optocht geen enkele hinderpaal in de weg wordt gelegd. En de nar volgt hen met grote maaipassen, terwijl hij aldoor glimlachend de leider van deze vreemdsoortige optocht, Cornelis, in al zijn bewegingen gadeslaat, en neuriet maar aanhoudend de twee versregels, meteen olijk knipogend :
,,Egidius, waer bestu bleven ? Mf lanct na di, gheselle mijn.
Weldra verlaat Cornelis het verboden terrein. Men is nu bij de stadswallen gekomen. Hier kronkelt een weinig bezocht beukenlaantje, waarin thans geen enkele wandelaar te zien is.
De kleine gezel toeft een ogenblik, nu hij ziet, dat de potsierlijke man hen overal heen schijnt te willen volgen. Hij vindt het vreemd en verdacht, en toch — als de nar hem al naderend zo koddig toelacht, vergeet hij een wijle de ernst van het ogenblik, en, eer hij 't zelf weet, heeft hij de lach van 't vreemde sinjeurtje, dat hem •— hij weet niet waardoor — zo bekend voorkomt, beantwoord.
Resius maakt van dit pozen gebruik om Cornelis' hand te drukken en zegt :
„Wij danken je, Cornelis, dat je ons zo ver hebt voortgeholpen ; maar — hoe komen we nu de stad uit ? "
Ja, dat weet deze helemaal niet, en Siebe al evenmin.
„Kom, neef Ridder, " komt de nar schalks lachend tussenbeide; „voer ons eerst in de hal van uw burcht; als die ten minste nabij is, en we zullen verder als wijzen beraadslagen. Vooruit!"
Cornelis kijkt de nar verwonderd aan. Dat mannetje denkt en wil handelen voor ons allen, denkt hij.
„Goed dan. Maar moet u ook mee? 'k Weet niet, al zeg ik 't zelf, of moeder "
„Fij, Ridder van het drievoudig Verstand", zegt de nar op quasi-gebelgde toon, wel begijpend, dat de laatste woorden van Cornelis hem gelden, al zijn de ogen van de kleine gezel wegens hun afwijkende stand geheel van hem afgekeerd. „Fij ! wilt ge de wijsheid niet onder uw adellijk dak laten overnachten? — Ik ben ook een edelman, ja, de neef van hertog Karel zonder Baard en daarom zeker niet aan uw hooggeboren moeder onbekend. Allo, bij St.-Christophorus ! Vooruit!"
,,Laat hem, Cornelis", zegt Siebe nu, ,,als je ons in het huis van je moeder durft brengen, behoef je ook niet voor deze vriend te vrezen.
,,Ik begrijp het niét, ; al zeg ik 't zelf", bromt onze gezel, nog meer door de vreemde toon en de hoogdravende woorden van de vreemde in de war gebracht. „Maar, — komaan dan".
Weldra is nu Wijntje woning bereikt, waarvan de achterdeur gelukkig niet gesloten blijkt. Zo stil mogelijk geleidt Cornelis hierop de anderen naar zijn dakkamertje, ten einde hen daar tijdelijk te verbergen, 't Ontgaat evenwel zijn aandacht, dat de nar in een hoek van de schuur achterblijft. Ook Siebe en Resius merken het in 't eerst niet op. ,
Doch, hoe behoedzaam de beklimming van het kippenladdertje naar boven ook plaats heeft, toch heeft het iemands opmerkzaamheid getrokken. Moeder Wijntje n.l., die, terwijl in gans Harderwijk, om zo te spreken, geen vrouw bij het spinnewiel bleef, nu er zo iets eigenaardigs als de beschreven gildenoptocht plaats vond, moeder Wijntje was alleen thuis gebleven en prevelde ijverig haar gebeden voor het zieleheil van Cornelis, terwijl ze, als werktuigelijk de kralen van haar rozenkrans door haar verschrompelde vingers liet glijden. Zij is evenwel niet zozeer in haar geestelijke werkzaamheid verdiept, dat zij het ongewone geschuifel en gefluister niet opmerkt. En in de vaste mening dat Cornelis zich nog in de werkplaats van zijn meester bevindt, denkt zij terstond aan dieven.
Moedig is ze, moede.r Wijntje, dat is buiten kijf. Ze staat onmiddellijk op en begeeft zich in het achterhuis.
Daar hoort ze heel duidelijk Cornelis' stem.
Wat moet haar jongen thans boven doen? En wie heeft hij bij zich?
Om antwoord op die vragen te zoeken, klimt ook zij vlug de ladder op.
,,Maar, jongen, wat, doe je nu hier en wie heb je bij je? " roept ze luide, als ze voor de ingang van het dakkamertje staat en haar zoon opmerkt, die zó druk met een tweetal vreemden redeneert, dat hij haar nadering niet eens heeft opgemerkt.
Als de drie fluisteraars haar half verschrikt aanstaren, en zij in twee gezichten kijkt, die haar geheel onbekend zijn, krijgt ze plotseling argwaan. Haar gelaat tekent eerst schrik, daarna afkeer.
,,Bij alle Heiligen ! wie zijn dat, Cornelis ? !" Zijn dat de ketters, zeg ? " schreeuwt ze op krijsende toon.
,,Roep toch niet zo hard, moeder, " vermaant Cornelis zacht. ,,Gij zult ons nog verraden, dat zeg ik".
Kom aan; dus is het toch waar, ondankbare jongen !" gaat ze op jammerende toon voort. „Doe je me ook dat verdriet nog aan? " — En dan nijdig en bits : „Maar ik zal 't er niet bij laten ! 'k Zal naar pater Boudewijn gaan en zeggen, waar de spionnen en verraders zijn, die hij overal zoekt!"
Thans keert Resius zich tot de vrouw en spreekt overredend: ,,Uw zoon heeft 'n menslievende daad verricht, vrouwtje. Wij zijn geen spionnen, noch verraders; die beschuldiging is vals. Laat ons hier maar een kort poosje schuilen en de Heere zal 't u lonen. Bedenk wat in de Proverbia *) geschreven staat: , ,,Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont", en : ,,een goedertieren mens doet zijn ziel wèl, maar die wreed is, beroert zijn vlees". Uw zoon "
„Bij St. Peter ! nog een ketterse preek in m'n huis op de koop toe", valt Wijntje, de spreker ontzet aanziende, in de rede, terwijl zij haastig een kruis slaat, als wil ze hierdoor haar hart, door het aanhoren van een ketterij besmet, zuiveren. ,,Welzeker, ik zal ketters in m'n huis bergen !" dus vervolgt ze, steeds radder van tong. ,,Je denkt me bang te maken voor m'n jongen, niet waar? Maar voor hèm behoef ik niet te vrezen, als ik jullie aanklaag. Maakt nu maar gauw, dat ge van hier komt, of ik roep subiet om hulp".
't Baat niet, of Cornelis al bidt en smeekt, en haar onder 't oog brengt, dat ook zijn leven in gevaar verkeert; hij, die. anders alles van haar gedaan kan krijgen, ! schijnt niets meer op zijn moeder te vermogen.
(Wordt vervolgd)
*) De Spreuken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's