Meditatie
Dezen geven getuigenis aIle de Profeten, dat een iegelijk, die in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn naam. Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden. Handelingen 10 vers 43 en 44.
In het huis van de hoofdman Cornelius in Caesarea, was een kleine schare van heilbegerige mensen bijeen gekomen, die allen de zalige en wondervolle ervaring mochten smaken dat de Heilige Geest op hen ,,viel" in Zijn overweldigende majesteit, en hen geheel en al kwam te vervullen.
God, de Almachtige, die hen getuigen had doen zijn van Zijn Zoon Jezus Christus, in al Zijn weg en werk, openbaarde Zich nu aan hen als de ,,Levende", vol van genade en waarheid. Nu leerden zij Hem kennen in Zijn volle heerlijkheid, en daarom werden zij ook van overstromende blijdschap vervuld.
Het zijn ogenblikken, waarin de tong van de mens tekort schiet om uitdrukking te geven, hoe groot God in Christus is voor een arme zondaar in zichzelve.
Maar hoewel wij als rechtzinnige lieden, vertrouwende op de zuiverheid van onze belijdenis, ons met alle energie tegen alles wat met de ,,Waarheid" in strijd is, tegen Schrift en belijdenis is, tegen iedere afwijking der gezonde leer is, verzetten, kennen wij nu ook, die zo juist Pinksteren gevierd hebben en er op de komende Zondag opnieuw van zullen mogen getuigen of horen getuigen, de volle Pinksterblijdschap voor ons eigen hart ?
Is die onmisbare vervuldheid met de Heilige Geest nu ook in onze gemeenten, in onze kerkdiensten duidelijk te bespeuren ? Zijn wij in dit Pinksterwonder mede opgenomen, ingedompeld, indien ik dit zo uitdrukken mag ?
Christendom is toch niet eensluidend met „orthodox" te zijn (ach, de duivel is óok orthodox, hij is ook voor de waarheid, maar hij siddert) maar betekent: gezalfde te zijn met de Heilige Geest, te leven uit het Wonder Gods ?
Zijn wij Christenen, kinderen Gods ? Overal in de wereld, ja, ook in ons nog kerkse en vrome Nederland, tracht men op velerlei manieren het Schriftuurlijke Christendom te ondermijnen en af te schaffen. Men wil niet tot wat men is teruggebracht worden ; men wil tot de plaats, waar ons aller bondshoofd Adam gevallen is, niet teruggebracht worden ; men wil niet weten, wat men van huis uit is. Dit is zo in het natuurlijke, maar óok in het geestelijk leven.
Van nature willen wij aan onze doodstaat niet ontdekt, niet bekend gemaakt worden, maar wèl begeren wij te spreken van hoge en grote dingen.
Men laat het wel eens voorkomen, dat men Christus in geborgen is, terwijl men helemaal niet weet te spreken van geborgen te zijn, gered te zijn uit een wereld van zonde en ongerechtigheid.
Daarom is het zo nodig, dat in ons het vurig verlangen brandt om waarlijk Christen, kind van God te worden of te zijn, in wie de Heilige Geest woont en werkt.
Maar laat ons eens even stilstaan bij de vraag : Wanneer viel de Heilige Geest op die mensen te Caesarea ?
Het gebeurde; toen Petrus over de vergeving der zonden door de Naam van de Heere Jezus sprak.
Waarom juist op dat ogenblik ? Waarom niet, toen Petrus verhaalde dat in alle volk een ieder, die Hem vereert en gerechtigheid beoefent, Gode aangenaam is ? Waarom niet, toen hij van het werkzame, weldoende leven van de Heiland en van Zijn opstanding uit de doden sprak, maar juist op dat ogenblik, toen hij wees op de vergeving der zonden door Jezus' Naam ?
Omdat God die mensen grondig en radicaal wilde te hulp komen. Hun hart verlangde er naar, dat God in hun leven aan Zijn recht en Zijn eer mocht komen door hun trouwe, eerlijke vervulling van Zijn geboden. Juist daarom gevoelden zij : ik ben niet, zoals ik zou behoren te zijn. Het is alles tekort voor de eeuwigheid. Hun uitnemendste werken waren met zonde bevlekt. Zij waren verlegen met een beschaamd over zichzelf. Zij misten in die weg de zekerheid, dat hun zonden vergeven waren.
En dat is het, wat de meeste Christenen van onze dagen óok missen. Zij horen gaarne een zuivere preek, zij lezen dagelijks Gods Woord en zoeken Zijn aangezicht in hun gebed, maar vraagt gij hun : „Zijn u de zonden vergeven ? ", dan aarzelen zij van harte ,,ja" te zeggen. „Ach, mocht mij dat voorrecht nog eens te beurt vallen !" zuchten zij dan.
En die zekerheid wil God juist zo gaarne schenken. Dat is juist de zegen van het pas gevierde Pinksterfeest, die ook voor een ieder van ons bestemd is, wanneer daar maar is een schuldverslagen zoeken en vragen om verlossing uit de doodstaat, waarin men verkeert.
Toen Petrus aan dit kuddeke van Caesarca de volkomenheid der schuldvergiffenis aanzei, die God reeds onder de Oude Bedeling aan de vaderen beloofd en thans door het sterven en de opstanding van Immanuël aan de wereld geschonken had en aan een ieder toepast, die zijn vertrouwen alleen op de Heere Jezus stelt, en toen die mensen deze blijde boodschap, door genade gedreven, eenvoudig aannamen in kinderlijk geloof —, toen schonk God hun ook het zegel van Zijn Heilige Geest en betuigde Hij met hun eigen geest, dat zij begenadigde kinderen Gods, verloste zondaren waren.
Deze genadige, radicale hulp schenkt God nog heden ten dage aan een ieder, die niet vraagt naar tekenen of bevindingen, maar die als een arme, naakte zondaar vlucht tot Hem, die op Golgotha alles voor hem volbracht heeft. En op grond van deze schuldvergiffenis hebben wij, tot zondaren gemaakt, nu ook met de levende en heilige God gemeenschap.
Want hoe zouden wij uit onszelf daartoe ooit in staat zijn ?
Wij zijn gevallen en vijanden van God geworden.
God is liefde, wij zijn vol van zelfzucht. God is Souverein, wij willen en kunnen van nature niemand boven ons erkennen en wensen zelf te regeren.
En al is God het hoogste goed, wij zoeken onze bevrediging altijd buiten Hem. Wij hebben, wanneer wij door Gods Geest daarbij bepaald worden, Gods ere geschonden, wij kunnen onze schuld nooit meer goed maken. Alle offers der valse godsdiensten, in ontelbare menigte gebracht, leiden nooit tot het hart van de levende God. Al onze godsdienstigheid laat ons temidden van onze eigen gedachten en in onze eigen zwakheid. Anders had de Heere waarlijk aan die godvruchtige, vrome Cornelius van Caesarea Zijn Heilige Geest wel zonder die prediking van Petrus gegeven. Maar toen deze apostel van de vergeving der zonden door Christus sprak, op grond van Zijn schulduitdelgend borglijden op Golgotha en toen zij gelovig dat grote Godsgeschenk aannamen, toen openbaarde God al Zijn goedertierenheid aan hen, toen sloot Hij Zijn Vaderhart voor hen open, toen maakte Hij woning bij hen door Zijn Heilige Geest.
Wij moeten daarom allereerst met de vergeving van onze zonden in het reine zijn, zullen wij met God in gemeenschap komen. Wij moeten die heerlijke boodschap in onze Evangelieprediking voorop stellen, zal ons dorre kerkelijk leven weer gaan opbloeien.
O, hoe kan ik verlangen naar de uitbreiding, uitstraling van die onzichtbare kerk. In het zichtbare van onze Vaderlandse kerk, maar geen kerkherstel en geen kerkopbouw is mogelijk, dan op deze grondslag : Vrede door het bloed des kruises.
Éérst wanneer men zich ootmoedig en onvoorwaardelijk onder het Evangelie der schuldvergiffenis in Zijn Naam buigt, kan de Heilige Geest in de harten werken en ze omscheppen tot tempelen des levenden Gods. Maar dan is het ook radicaal met ons werk, met onze aanspraken, met onze gerechtigheid voor God gedaan.
Alleen als wij ledige vaten zijn, kan God ons uit Zijn volheid vullen. Zodra wij iets mede brengen, dan is het mis. Komen wij onder de ,,rede" van een ,,welsprekende" prediker of onder de bedwelmende klanken van een veel-stemmige klanken van een opwekkingssamenkomst (waar toch ,,zo heerlijk" getuigd en ,,zo innig" gebeden werd) tot het besluit, echt weer tot God terug te keren en weer eens waarlijk met Hem aan te knopen, — dan is het alles niets anders dan zelfverlossing.
Ach, zulke opgewekte, aangeraakte en diep bewogen zielen staan zichzelf soms jaren lang in de weg en in het licht, omdat zij telkens weer op hun eigen naam of die van hun groepje of kerk staren en altijd weer proberen hun eigen vat uit hun eigen voorraad te vullen en zodoende de Heere aangenaam te worden.
Maar Gód spreekt tot al die mensen onverbiddelijk : ,,Neen".
Hij biedt ons een vergiffenis aan, waarbij onze eigen naam totaal buiten koers wordt geplaatst. Want de zaligheid is nergens anders dan in de Gekruiste, en er is onder de hemel geen andere Naam, waardoor wij kunnen zalig worden, dan die van Jezus Christus, de Immanuël.
Alle roem is uitgesloten. Vervloekt is hij, die vlees tot zijn arm stelt. Hier wordt alle andere grond onder onze voeten weggenomen.
Wie aldus arm, ontbloot, blind en machteloos zich voor de Heiland nederwerpt en alles van Hem verlangt, die is geschikt de gave des Heiligen Geestes te ontvangen. Dan krijgt Gods Geest ruimte om ook in óns te werken al wat goed en welbehagelijk voor Gods aangezicht kan heten.
Nu konden die mensen in Caesarea in vreemde talen spreken, vs. 16, maar dat de Heilige Geest ook nu nog in ons wonen en werken wil, en onze gedachten, woorden en denken beheersen wil, dat moét het voornaamste en 't blijvende voor ons zijn. Zal Hij waarlijk heerschappij in ons hart en leven verkrijgen, dan moeten wij ons elke dag, iedere minuut, iedere seconde opnieuw inleven in de onwankelbare zekerheid, ja, na ontvangen genade, dat wij in Jezus' naam, in Jezus' gemeenschap, op grond van Jezus' schuldverzoenend borglijden vergeving van al onze zonden mogen bezitten, en dat het met onze naam dan ook ééns en voor goed gedaan is. Dan wordt het duidelijk voor een ieder, die door Gods Geest ontdekt is aan zijn verloren staat, dat het een schare is van zaligen, ellendigen; die door de Geest geleid en gedreven, op weg zijn naar de stad die Boven is en dié zeker, ja, ontwijfelbaar zeker eenmaal zullen ingaan door de poorten, want Hij, als hen riep is getrouw en Hij zal het óók doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's