Onderwijs
De hedendaagse problematiek van het Christelijk Onderwijs
De Vereniging van Chr. Onderwijzers hield 3 en 4 Juni in Arnhem haar 99ste Algemene Vergadering. In de middagvergadering van 3 Juni was de hoofdschotel : Bespreking van het referaat van de heer J. W. van Hulst, directeur der Amsterdamse Hervormde Kweekschool, dat tevoren in het Correspondentieblad was afgedrukt. Het zij me vergund uit dit vrij uitvoerig betoog een en ander over te nemen.
De referent wil niet ethisch bemiddelaar zijn, omdat die rol hem niet ligt, maar evenmin heeft hij nog wel zoveel zelfkennis, dat hij zich moeilijk uit kan geven voor een profeet des gewelds. Hij wil niet de slippendrager van Kuyper zijn, maar evenmin moet men voor hem een plaats reserveren op de boot, die in het kielzog van Barth vaart — Wat dan ; „Laat mij eenvoudigweg mijzelf zijn".
Hoofdthema van het referaat is de schoolkwestie ; uit de vele vragen, die zich daarbij voordoen en waarop de referent meer of minder breed ingaat, licht ik er twee uit, n.l. de vraag naar de humaniteit en de vraag naar de Verkondiging in de school, gezien als cultuur gestalte of als evangelisatie-instrument.
Op de ,,Rencontres Internationales" te Geneve in 1949 kwam men, volgens Karl Barth, na 10 dagen nog niet tot overeenstemming over het begrip humanisme: ieder had daarop zijn eigen visie. Prof. Huizinga probeerde het te omgrenzen en brengt het terug naar wat z.i. het oorspronkelijke vlak van betekenis was. Hij verstaat er dan onder : Al datgene, wat de mens als mens het waardigst is. Maar dan zó, zegt prof. van Niftrik, dat wij geen andere humaniteit willen, dan die aan Jezus Christus is georiënteerd. En die acht hij in deze boze wereld door de genade van Christus nog objectief aanwezig, ook al wordt ze niet subjectief beleden. Prof. Berkouwer daarentegen meent, dat alleen door de subjectieve belijdenis deze ware humaniteit in de mens aanwezig kan zijn. Vandaar ook de conclusie: Als de openbare school Christus niet subjectief belijdt, dan plaatst zij zich tegenover de ware humaniteit.
Op de lijn van prof. van Niftrik ligt 't zó : Ook al belijdt de openbare school Christus niet subjectief, dan kan nochtans de ware humaniteit, die door de menswording van Christus in de wereld kwam, in de openbare school gevonden worden. Toch erkent hij, dat in de kringen van het openbaar onderwijs dikwijls nog een zeer liberale mentaliteit wordt aangetroffen, die van vijandigheid jegens de positief-Christelijke belijdenis niet is vrij te pleiten.
En in de beginselverklaring van het Humanistisch Verbond is volgens prof. Pos het vraagstuk van het bestaan van een persoonlijk God onbeslist gelaten. Dit noemt referent de „verschrikkelijke weg terug, die het Ned. Humanisme gaat afleggen. En dit is zijn subjectieve belijdenis". En hij vraagt zich in grote ernst af, „of de openbare school door haar neutraliteit wel één stap verder kan komen, dan de subjectieve belijdenis van het onbeslistlaten van het bestaan van een persoonlijk God". „Deze hele humanistische beweging zou op de duur kunnen blijken principieel niet veel te verschillen van de vroegere Dageraad, die zich slechts grondde op het psychisch monisme van Heymans en Polak en die door hoogmoed elk positief Godsbesef elimineert". En dan komt de ernstige en noodzakelijke waarschuwing : ,,Indien de openbare school — God moge het verhoeden — aan dit humanisme ten prooi valt, dan mogen we nog met zoveel élan getuigen, dat deze school zich toch nooit objectief kan plaatsen buiten het heilswerk van Christus, haar subjectieve belijdenis — in naam : neutraliteit; in wezen : het zelfs niet durven erkennen, dat er een God bestaat — kan naar bijbelse opvatting het kind niet alleen geen stap dichter bij de Verlosser brengen, maar het voert ons kind van de Verlosser af. Want wie niet met Mij is, die is tegen Mij en wie niet vergadert, die verstrooit. Nederland moet nu, eindelijk, zeven jaar na de bevrijding, eens gaan zien, dat er een nieuwe vijand bezig is, ons volk in boeien te slaan: de na-oorlogse humaniteit staat klaar om ons volk geestelijk te vervlakken en uit te hollen".
Met instemming haalt referent aan wat prof. van Ruler schrijft over neutraliteit, die de eerste stap is op de weg naar het „niet". De neutraliteit van de staat, van de cultuur, van het eigen hart. Neutraal tegenover God en de goden. Dat men geen onderscheid meer ziet eerst tussen de God der Openbaring en de god der philosophie en daarna tussen de God van Abraham, Izaak en Jacob en de afgoden der heidenen. Dat men tenminste geen keuze meer waagt. „Er is geen liefde en geen haat". ,,Uit de neutraliteit groeit onweerstaanbaar het nihilisme".
Dan komt Van Hulst, aan het einde van dit deel van zijn referaat dat hij noemt: „Vox humana" tot de conclusie, dat prof. van Niftrik in zijn brochure toch wel erg eenzijdig is geweest, ,,misschien zelfs heel bewust eenzijdig, omdat men anders toch in een lege ruimte spreekt".
En nu een citaat uit Van Ruler, „dat het Duitse heidendom, waar we nu van af zijn, nog maar kinderspel is geweest bij het Europese en Amerikaanse heidendom, waar we reeds midden in zitten", komt de slotsom : „Als we tot deze balans moeten komen, kan men zich dan verwonderen, dat ik niet kan en mag kiezen voor een school, die niet positief deze gevaren onder het oog durft te zien ? En als er straks een humanisme zich wil wortelen in de staatsschool, dat geen liefde meer kent en geen haat, dat het gehele complex van geloof, bijbel en kerk slechts ziet als een voetbalwedstrijd, waar men aan mee kan doen, naar kijiken kan, of waar men van weg kan blijven, dan zal er voor die school naar Christelijke overtuiging weinig hoop meer zijn".
Misschien dat sommigen deze conclusie toch wel wat negatief vinden. De referent zegt wel, wat hij niet kan en wat hij niet mag, maar wat dan wel ? Mij dunkt, dat dit toch wel duidelijk uit deze formulering en uit het verdere van de conclusie volgt.
Men vergete bovendien niet, dat het hier vooral gaat om de afwijzing van de humaniteit buiten Christus, buiten de Schrift om. Zo zegt hij b.v. in dit eerste gedeelte van zijn referaat, dat hij altijd bereid geweest is en nog bereid is - hoewel hem dit vaak scherp is verweten — samen te spreken met de collega's van de openbare school voor zover dat kan en voor zover zijn geweten hem zulks toestaat, wil hij samenwerken, ,,maar ik hoop wel steeds alles wat zich als humaniteit aandient aan mijn bijbel te meten ; ook, neen, vooral inzake onderwijs en opvoeding".
Een volgend artikeltje zullen we één en ander nader bezien uit de ,,Vox Celene" — wat dus handelt over de Verkondiging .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's