De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

10 minuten leestijd

Vergaderingen en bijeenkomsten

XXL

Vooral op kerkeraadsvergaderingen in de grote steden blijve men strict zakelijk, op gevaar af dat sommige broeders er over klagen dat de gesprekken over het algemeen zo ongeestelijk zijn. Wij zijn daar nu eenmaal niet bijeen, om het met elkander te hebben over onze belevenissen.

Is er een broeder, die 't niet laten kan, altijd weer een gehefd stokpaardje te berijden, gelijk Cato in de dagen van weleer, in de Romeinse Senaat er steeds weer op hamerde dat Carthago verwoest moest worden, Imen late hem dan even op; dat paardje zitten, zo hij oud geworden is en heel wat ambtsjaren achter zich heeft. Daarna beure men hem evenwel met een vriendelijke, tevens besliste beweging van het eigengemaakte rijdierke af, zó, dat 't geen pijn doet.

Voor „bomen" hebben wij nu geen tijd. De jonge voorzitter zal dit alles nog niet direct machtig zijn, maar hij zal ook hier ondervinden : „al doende leert men", ofschoon mij toch ook weer even van het hart moet: er zijn er, die het nooit leren. De notulen schrijven van een vergadering is ook niet ieders werk. Het schijnt nog een hele kunst te zijn, om er niet te weinig, maar ook niet teveel in te zetten. (Met gemengde gevoelens heb ik wel eens een verslag gelezen, dat iemand gemaakt had van een mijner preken. Het geleek er niet veel op. Af en toe een zinnetje uit mijn eigen woorden, maar het tussenliggende was aangevuld met eigen maaksel. Men was zelf aan het preken gegaan. Want in vele Nederlanders zit een ongeboren domine.

Wat de notulen aangaat, komt het aan op een getrouwe weergave van de dingen, die belangrijk zijn ook voor het nageslacht. Niet alles is waard, „vereeuwigd" te worden. „Dat een broeder ouderling van zijn zelven" viel en meer dood dan levend weg gedragen werd naar buiten, terwijl de maan door de bomen scheen", zoals ik eens in kerkeraadsnotulen las (!), kan gevoegelijk weggelaten worden.

Notulen moeten ook strict objectief zijn. Het is een klein kunstje, onder het verslag door, een ander nog weer eens even iets te laten voelen of opnieuw de les te lezen. Om eigen opinie nog weer even te laten doorschemeren. Alle eigen beschouwingen over de gebeurtenissen van de laatste vergadering, blijven hier verre!

Ditzelfde geldt ook van kerkeraadsverslagen in Kerkboden.

Zelf heb ik er mij zo lang mogelijk tegen verzet, verslagen van vergaderingen der Kerk op die wijze publiek te maken. De Kerkeraad is toch geen Gemeenteraad. Men hange niet aan de grote klok, wat beter binnen de kerkelijke muren blijft. De Gemeente kiest zelf haar Ouderlingen en (Diakenen. Zij moet vertrouwen, dat, wat de Kerkeraad doet en besluit, wél overwogen is.

Men heeft gezegd : de Gemeente heeft recht op publiciteit. Waarom eigenlijk ? Ik heb er altijd iets revolutionairs in gevoeld, in al dat eisen: ,,de papieren op tafel!" Men wil inzage in, controle over al hetgeen de Kerkeraad doet.

Ik dacht, dat het in de Kerk van Christus er toch anders naar toe ging, dan in de wereld!

Doch genoeg ! Al deze gedachten worden als verouderd en uit de tijd beschouwd. De Kenkeraadsverslagen zijn er in de meeste grote steden nu gekomen. En het is, zoals veelal wel te denken viel, uitgelopen op een soort foppertje voor de nieuwsgierigen. Het blijkt telkens weer, dat allerlei dingen, die zich op de vergadering voordoen, onmogelijk kunnen gepubliceerd worden, 't Verslag in de Kerkbode komt dus steeds weer neer op een heel klein résumé, waarin eigenlijk niets staat, wanneer men juist leest. Want dat de vergadering met gebed geopend werd en dat de notulen der vorige vergadering gelezen werden en dat er „Ingekomen stukken" waren, dat wist men zonder verslag ook wel.

Men heeft het evenwel maar voor het zeggen. Overigens is het al lang gebleken, dat de Kerkeraadsverslagen voornamelijk gelezen worden door critische mensen, die zich gaarne een beetje vrolijk maken over de dingen en ook door redacteurs van bladen, die zelf niets om een kerk geven, maar uit de verslagen „hun graantje wel pikken".

Zó werpt men de Kerkelijke handelingen voor „Jan en Alleman" te grabbel. Of men mocht menen, dat toch een lezer hier of daar nog onder de indruk kwam.

Wanneer er geen questies zijn, dan verlopen de kerkeraadsvergaderingen in kleine Gemeenten al heel kalm. Men zal er geen zenuwaandoening oplopen.

Met genoegen denk ik er aan terug, niet omdat zij voorbij zijn, maar omdat zij zo iets gemoedelijk-gezelligs konden hebben. Van het hanteren van een voorzittershamer was geen sprake. Dat behoefde immers niet. Het was ons over het algemeen goed, weer bij elkander te zijn. De dingen, die aan de orde waren, werden afgehandeld en daarmee uit.

In de grote steden pleegt dat enigszins anders toe te gaan. Ook daar hebben wij nog wel beleefd de tijd der gemoedelijkheid, waarin schier alles goed gevonden werd, wat de predikanten deden of lieten. Men geloofde het wel.

Al was dit nu zeker aangenaam voor het vlees, het was voor de Gemeente toch niet de gewenste toestand.

Langzamerhand is dat veranderd. Het getal kerkeraadslede'n is groter geworden. De gemoedelijkheid ging er uit. Nieuwe kerkeraadsleden kwamen met nieuwe dingen. Proefballonnetjes van een en ander werden op de vergaderingen opgelaten. Meer en meer werden wij overstelpt met papierlawines, die in alle jaargetijden op het kerkelijk dak neerkwamen.

Dat het getal kerkeraadsleden groter werd, was zeer zeker wenselijk, ja, nodig. Er waren toch veel te weinig dominees. Van huisibezoek kwam zo goed als niets. Van hetgeen men tenminste onder huisbezoek verstaat. Hoe nodig was het dus, dat er meer ouderlingen kwamen, die voor dat werk tijd en bekwaamheid hadden.

Wanneer men ook dit nu maar weer niet gaat overdrijven. Men spreekt al van 12 ouderlingen en 12 diakenen per predikantsplaats. Dat kan dus bij meerdere predikantsplaatsen oplopen tot een respectabel getal, wanneer een kerkeraad door het grote getal tenminste respectabel kan worden.

Het valt intussen niet mee, een voldoend aantal mannen te vinden, die, gesteld dat zij de gaven voor het ambt hebben ontvangen, eveneens de nodige tijd daarvoor beschikbaar hebben. Al mag dit nu ook weer geen reden zijn, het zoeken naar nieuwe ambtsdragers op te geven.

Over het algemeen is mijn ervaring, dat er in kleine vergaderingen vruchtbaarder overlegd en gewerkt kan worden, dan in grote. Hoe langer er gepraat, hoe minder er uitgevoerd wordt.

Bij parochiale indeling der grote Gemeenten zou dit bezwaar wel enigszins vervallen, omdat dan gewoonlijk de kleine kerkeraad der Buurtgemeente bijeenkwam en men hoogst zelden centraal vergaderen zou.

Ook heb ik nogal eens meenen op te merken, dat bij een groter getal kerkeraadsleden de persoonlijke ijver wat aan het verslappen is. .

Deze vraag tekent dikwijls al, wanneer een ouderling of diaken zo los weg aan het informeren is : „Of hij dienst heeft a.s. Zondag? " (Hij had namelijk zijn lijstje niet bij de hand).

Verneemt men dan, dat men vrij is, dan benut men de gelegenheid wel eens voor andere dingen. Men ziet dezulken in elk geval niet onder het gehoor en aangezien er in een stad méér kerken zijn, kan men

niet zeggen, dat zij nergens aanwezig waren.

De vraag ligt echter voor de hand : Waarom men het ambt van ouderling of diaken aanvaardde, wanneer er toch zo weinig lust was?

Het verheugt mij, te mogen zeggen, dat de verhouding met de kerkeraadsleden der verschillende Gemeenten, waar ik gestaan heb, niets te wensen overliet. Zij was over het algemeen zelfs zeer goed te noemen. Er waren er onder de broeders, van wie ik heel wat heb geleerd.

Of wij het altijd met elkander eens waren? Neen, dat niet. In de steden kon dat eigenlijk ook niet, wanteen ieder heeft nu eenmaal inzake bepaalde onderwerpen zijn eigen inzicht en principes.

Somtijds liepen „de kleurtjes" wel eens wat hoger op of werd men ,,wat witjes" en stonden de aangezichten niet als gisteren en eergisteren. Dan verhief zich de menselijke stem. Zij werd harder, als was men bang, niet verstaan te worden, als meende men in het gezelschap van dove mensen te zitten.

Wanneer 't bijvoorbeeld over de jeugddiensten ging, waarin de ene heil zag en de andere niet. Wanneer argument tegenover argument werd geplaatst en het voorgesteld kon worden, alsof het heil der Kerk van de jeugddiensten afhing : dan lieten wij ons wel eens gaan, als gold het ons leven. Wij wezen op het bedenkelijke vlan een scheuring of scheiding in de Openbare Eredienst en op het wenselijke van een gezamenlijke gezinsopgang naar Gods huis.

Ieder streed voor het zijne.

Hadden wij dan echter maar weer eens een nacht goed geslapen, ik zeg niet, dat de volgende morgen de kerkelijke wereld een andere aanblik bood, maar wèl voelden wij dan, dat er nog andere belangrijke dingen waren, behalve die van de vorige avond, die onze belangstelling dubbel waard waren.

Ten slotte konden wij toch elkander waarderen, ook al waren de lappen er wel eens afgevlogen. !

Dan was het mij wel eens alsof ik de bewogenheid Gods over ons allen voelde, zich uitend in het Woord : „Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen; maar Ik ben de Heere, uw God !"

En hiermee kunnen wij van de kerkeraadsvergaderingen wel afscheid nemen, nietwaar? Want de „Ingekomen Stukken" interesseren u verder toch niet meer? En ook niet, wat bij de rondvraag nog ter sprake komt?

Want hoezeer sommige broeders nog gaarne gewichtige onderwerpen zouden aansnijden, er was hun al meer gezegd, „dat deze dingen eerst op de Agenda geplaatst moeten worden voor een volgende vergadering".

Dank u, mijnheer de Voorzitter ! De vergaderingen, die ambtshalve bezocht moeten worden, waaronder de Classicale en andere, mogen wij verder passeren.

Wij hebben het nooit kunnen goedkeuren, dat er vooral in de steden, zovele predikanten zijn, die op elke Classicale Vergadering schitteren door afwezigheid. Dat getuigt niet van belangstelling in de kerkelijke aangelegenheden.

De Kerk heeft toch geen behoefte aan ambtsdragers, die thuis zitten te critiseren zonder op te bouwen. Heeft men critiek. men spreke die tenminste uit op de vergaderingen zelf.

De kerkelijke gebeurtenissen kunnen wel eens zó belangrijk wezen, dat wegblijven zonder geldige reden niet te rechtvaardigen is, omdat ook al onze aandacht voor de nieuwe onderwerpen en voorlopige besluiten gevraagd, ja, geëist wordt.

Hier betaamt geen thuis blijven en ligt er in 't bijzonder een roeping voor degenen, die daarvoor de gaven hebben ontvangen, hetzij predikanten of anderen.

Tengevolge van wegblijven zou het bovendien ons eigen schuld worden, wanneer er straks over ons en zonder ons beshst en besloten werd.

Nog zijn er vaak van die bijeenkomsten, waaraan men zich ook heel moeilijl^ kan onttrekken.. Dat zijn o.a. jaarvergaderingen of jaarfeesten, waar domine ook uitgenodigd is. Hij behoeft heus geen zwaar werk te doen. Alleen de opening, gevolgd door een toespraakje, is hem opgedragen. Het wordt er op het programma expres bij gezet ten behoeve der bezoekers, om meer mensen te lokken.

Het andere doet men zelf wel, ja, zelfs liever alleen.

Aangezien in de grote Gemeenten de verenigingen vermenigvuldigd, zijn, mag men ook telkens weer van zijn tegenwoordigheid blijk geven.

Aldus zijn er verschillende zaken, die elk voor zich weer een stukske van de tijd vragen. Een functie in het een of ander bestuur, hetzij van Zending, School of iets anders. Er is menigmaal geen einde aan.

Ook hier moet gezegd worden : hoe wenselijk zou 't wezen, dat men de stadspredikanten toch wat meer met rust liet. Maar eveneens : dat vele ambtsdragers ook zelf niet zo op al die baantjes uit waren!

Zij moesten zoveel mogelijk ongestoord blijven aan hun ambtelijk werk, dat alles van hun krachten vordert, inplaats van als figuranten in allerlei ditjes en datjes te zitten.

Of men moest denken : de heren mogen met een enkele vergadering in een andere stad ook wel eens „een verzetje" hebben met hun lunchje daarbenevens,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's