De kwestie „Loos”
In korte trekken
Het geval van ds. J. J. Loos, Hervormd predikant te Hilversum, die aan zijn kerkeraad te kennen gaf het voornemen te hebben over te zullen gaan naar de R.K. Kerk en daarom ontheffing uit het ambt te zullen vragen, heeft allerwege sterke aandacht getrokken. Niet alleen in ons land, maar ook daarbuiten. Het Amerikaanse weekblad „Time" achtte deze zaak zó belangrijk, dat het door één van zijn verslaggevers eenl vraaggesprek met ds. Loos deed houden!
Intussen is echter al weer gemeld, dat ds. Loos op zijn voornemen over te gaan naar de R.K. Kerk, is teruggekomen, terwijl de laatste ontwikkeling schijnt te zijn dat ds. Loos ook zijn aanvrage om ontheffing uit het ambt heeft teruggenomen.
't Haagse blad ,,Het Vaderland" heeft zich nu tot ds. Loos gewend met de vraag om nadere toelichting op deze gang van zaken. Het lijkt wel van betekenis, hier door te geven wat in dit blad omtrent het onderhoud met deze predikant wordt geschreven :
Reeds in 1949 heeft het z.g.n. Hilversumse Convent zich gewend tot de Synode van de Ned. Hervormde Kerk met de vraag, of het mogelijk zou zijn dat predikanten de additionele wijding ontvingen en toch in hun ambt bleven. De wens daartoe hield in, dat deze predikanten door een Bisschop van de Anglicaanse Kerk of door zulk een geestelijke uit de Heilergroep in Duitsland, de priesterwijding zouden ontvangen. In het genoemde Convent heerst n.l. de opvatting, dat het voor een waardige ambtsbediening en vooral voor het bedienen der sacramenten vereist is, dat de ambtsdrager deel heeft aan de priesterwijding, die hem een schakel doet zijn in de apostolische successie. Men wil in deze tot vóór de Reformatie teruggaan en verlangt dezelfde sanctie, die o. a. in Engeland, althans in de Church of England bestaat. In Duitsland hebben enkele predikanten deze priesterwijding ontvangen, zonder dat zij hun kerk verlieten, en al is daar protest tegen geweest, deze predikanten zijn nog steeds als predikant van de Evangelische Kirche in functie.
Ds. Loos deelde trouwens mede, dat er ook in Nederland enkele dominees zijn die, via Duitsland, tot priester zijn gewijd, maar dit als een geheim voor zich bewaren. Het Hilversumse Convent acht een dergelijke geheimhouding onjuist en in hoge mate onwenselijk.
Vandaar dan dat men zich in 1949 tot de Synode richtte met boven gemelde vraag. De gang van zaken is toen deze geweest, dat de Synode een commissie benoemde om deze kwestie met de betreffende ambtsdragers te bespreken. Daarop is er nog weer een commissie geweest, vervolgens nog een, enz. Hoewel men zich ernstig beraadde, is men nimmer tot een conclusie gekomen, noch in positieve, noch in negatieve zin. Ondertussen verliepen er maanden en jaren.
Voor ds. Loos persoonlijk werd dit wachten ondraaglijk. Eerst was er voor hem nog de mogelijkheid over te gaan tot de Church of England, maar ofschoon zijn wijding tot Anglicaans geestelijke voor de deur stond, ging deze deur plotseling om financiële redenen toe. Bij deze grote teleurstelling voegde zich het genoemde uitblijven van een conclusie van Synodewege en dat, terwijl ds. Loos het voor zichzelf als ondraaglijk ondervond, als niet gewijd priester de gewijde handelingen van zijn ambt te moeten verrichten. Zich in deze geestelijke impasse, persoonlijk nog eens wendende tot enkele figuren uit de Synode, werd het hem duidelijk, dat een door hem verlangde conclusie niet viel te verwachten : men zeide, dat daar nog wel een generatie over zou heengaan. Daardoor gevoelde hij zich van de Ned. Hervormde Kerk geheel vervreemd.
Toen heeft ds. Loos na al deze ontmoetingen, gelijk hij het thans zelf uitdrukt: in ene, naar hij hoopt vergevenswaardige, toestand van vermoeidheid, het voornemen opgevat over te gaan tot de R.K. Kerk, als de Kerk, waarvan de priesterwijding een der belangrijkste elementen is.
Dit voornemen gaf hij aan de kerkeraad van zijn gemeente te kennen. Publicaties, die toen verschenen, deden het voorkomen alsof hij reeds R. Katholiek was geworden. Dit was echter niet het geval. Het tegendeel geschiedde. Toen hij n.l. dit voornemen had uitgesproken, veroorzaakte dit een heftige geestelijke crisis. Immers juist toen laaide bij hem zijn grote liefde weer op voor het oecumenische streven, zijn oude liefde voor de Katholica, d.i. de Algemene Kerk, en hij besefte pijnlijk, dat een overgang tot Rome hem aan deze liefde ontrouw zou doen worden ; dit deed hem op zijn besluit terugkomen en dit zó radicaal, dat hij thans spreekt van „een weerzin" die hem vervulde, tegen deze Kerk, die in haar exclusiviteit de ware Katholica verloochent, een weerzin, die hij kenschetste als ,,feller dan enig antipapist — die ik toch niet ben — zou kunnen gevoelen".
Het tweede bericht, n.l. van zijn terugkomen op zijn R. Katholiek worden, vervulde velen met vreugde. Maar deze vreugde is, wat de meesten betreft, toch ongefundeerd. Want men dient te begrijpen, dat ds. Loos zijn bezwaren tegen de Hervormde Kerk ten volle handhaafde. Daarom handhaafde hij ook zijn ontslagaanvrage als predikant.
In verband met deze aanvrage had hij vervolgens, daartoe verzocht, een onderhoud met de leidende figuren uit het Provinciaal Kerkbestuur te Amsterdam. Na dat onderhoud heeft ds. Loos, op advies van zijn collega's bestuursleden, zijn ontslagaanvrage ingetrokken. Men zeide hem n.l. bij dit onderhoud : Er is natuurlijk geen enkel bezwaar u uw ontslag te verlenen. Maar dan is de kwestie zelf meteen weggerangeerd. Willen wij principieel oordelen over uw mening, dat het mogelijk moet zijn dat een predikant zich tot priester laat wijden en predikant in de Hervormde Kerk blijft, dan is het beter, dat u nog in uw ambt blijft, zodat deze zaak zijn kerkrechtelijk beloop kan hebben.
Zo is dus de toestand thans deze : ds. Loos is nog ten volle predikant van de Hervormde Kerk, echter een ambtsdrager, die zijn bezwaren heeft kenbaar gemaakt bij de betreffende instanties en daaraan de vraag verbindt, of de additionele wijding kan worden toegestaan.. Ds. Loos heeft in deze natuurlijk zijn theologische en biblicistische argumenten en zal zijn mening voor de betreffende instanties kunnen verdedigen.
Practisch doen zich natuurlijk grote moeilijkheden voor, want een procedure als hieruit volgen kan, kan een twee jaar duren. Zó gemakkelijk zet men — gelukkig — een predikant niet uit zijn ambt. Ds. Loos en zijn kerkeraad zijn overeengekomen, dat hij voorlopig niet meer in de dienst zal voorgaan. Natuurlijk is het echter hoogst wenselijk, dat men spoedig tot een vastere en minder negatieve regeling komt.
Tot zover het verslag van het onderhoud met ds. Loos, dat weliswaar enige zaken verduidelijkt heeft, maar daarom nog des te meer het verlangen versterkt, dat er klaarheid in deze kwestie worde geschonken.
Allereerst van de zijde van ds. Loos. Wat door middel van het Time-interview tot in Amerika is doorgedrongen, is me onbekend, maar voor mij ligt een onderhoud van ds. Loos met het A.N.P., mede door het Persbureau van onze Kerk wereldkundig gemaakt. Het dateert, naar 't me voorkomt, uit de tijd, toen ds. Loos zijn aanvraag om ontheffing nog niet had teruggenomen. Hij zegt daarin dat hij „sterk katholiserend in zijn overtuiging is, maar nog niet tot een beslissing is kunnen komen over de verdere richting, die hij volgen zal, hetzij in Anglicaanse of R. Kath. richting". Nu is dan de R. K. richting afgevallen, maar dan blijft toch de Anglicaanse over. Of moeten we uit het feit, dat ds. Loos op de voorslag zijn aanvraag om ontheffing in te trekken inging, opmaken, dat hij ook in die richting niet meer wil wandelen? Waarschijnlijk lijkt het ons niet, want ds. Loos blijft zijn bezwaren tegen de Hervormde Kerk ten volle handhaven. Maar welke zin kan het dan hebben, dat ds. Loos tenslotte ook terugkwam op zijn vraag om ontheffing uit het ambt? Alleen de begeerte om deze zaak op kerkrechtelijke wijze teneinde gebracht te zien? Of —• laten we onze gedachten maar niet onder stoelen of banken steken — doemde bij ds. Loos bij deze besprekingen toch nog de mogelijkheid op, dat zijn verlangens en die van zijn medestanders vervuld zouden kunnen worden, zonder dat de Hervormde Kerk verlaten moet worden?
Daarom vragen we in de tweede plaats vooral ook klaarheid van de leiding gevende organen van onze kerk. Men werpe niet tegen, dat men op een leertuchtprocedure •— is het dat dan nu geworden? — niet vooruit lopen kan. Het gaat niet alleen om de kwestie van ds. Loos, het gaat om zaken, die al jaren lang aan de orde zijn. Aan de orde op een wijze, die ons ten zeerste verontrust.
Moet de uitspraak van enkele figuren uit de Synode, dat er nog wel een generatie over zal heengaan, voordat de door ds. Loos verlangde conclusie valt te verwachten, zó verstaan worden, dat de kerk zich naar die conclusie beweegt, laten we het maar zeggen, in de weg van het belijden der kerk? Naar de mening van de door ds. Loos bedoelde personen uit de Synode dan ; óf gaat het hier om een oordeel, dat van meer dan particuliere betekenis is?
Ik wil het nu maar bij deze vragen laten. Het is tijd, dat er worde gesproken. Duidelijker en beslister, meer naar Schrift en belijdenis dan dat, naar mijn overtuiging, wel eens is gedaan. Vooral met het oog op die predikanten, die tot priester zijn gewijd, maar dit als een geheim voor zich bewaren.
Men weet dat nu. Maar dan kan en mag er ook niet gezwegen worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's