Geloof en wedergeboorte
De Hoofdredacteur:
Wij hadden ook kunnen schrijven wedergeboorte en geloof, want het valt niet gemakkelijk te zeggen, welke van beide voorafgaat, wat de tijd betreft althans niet. Sommigen zijn haastig geneigd om te zeggen : de wedergeboorte. Immers de gevallen mens is dood in zonde en misdaden. En dan zegt men : een dode kan niet horen, hoe zal hij dan geloven, want het geloof is uit het gehoor. Er zal dus eerst een levenwekkende daad Gods moeten plaats hebben, alvorens de prediking gehoor kan vinden, dus de wedergeboorte gaat vooraf aan het geloof als een verborgen daad Gods.
Dat schijnt recht geredeneerd en velen houden het daarbij, . Het geloof is een vrucht der wedergeboorte.
Het schijnt recht geredeneerd. Maar nu Hab. 2:4: De rechtvaardige zal door zijn geloof leven ? Hier worden geloof en leven door het geloof verbonden.
Hand. 26 : 18 spreekt van vergeving der zonden door het geloof in Christus. Rom. 3 : 28 : door het geloof gerechtvaardigd.
2 Cor. 4:13: gewaagt van de Geest des geloofs.
Gal. 2 : 20 : dat leef ik door het geloof des Zoons van God.
Gal. 3 : 14 : de belofte des Geestes door het geloof.
Col. 2:12: door het geloof der werking Gods. Het zijn slechts enkele grepen uit vele !
Over de wedergeboorte spreekt de Schrift o.a. 1 Petrus 1 : 3 in verband met de opstanding van Christus, terwijl in het 23e vers de wedergeboorte in verband wordt gebracht met het levende en eeuwig blijvende Woord van God : „Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende Woord van God".
Jacobus; 1:18! zegt : Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der Waarheid, opdat wij zouden zijn (als) eerstelingen Zijner schepselen.
1 Johannes 3:9: Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.
l Cor. 4:15: „Want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie gedeeld."
Letten wij nu op de verbanden door de Heilige Schrift gelegd, dan kunnen wij duidelijk twee lijnen waarnemen : De eerste duiden wij aan door de trits : prediking-gehoor-geloof. Deze wordt ons zelfs op klare wijze genoemd door de apostel Paulus (Rom. 10 : 14).
De andere zouden wij willen aanduiden als : Opstanding van Christus-Woord (Evangehe)-wedergeboorte .
Wij willen deze twee verbanden nader beschouwen en vergelijken.
Op de voorgrond worde geplaatst, dat beide verbanden op dezelfde zaak zien, maar zich onderscheiden als de zichtbare en de onzichtbare zijde der zaak.
Prediking-gehoor-geloof. Er wordt gepredikt -- er zijn er die horen en het horen des Evangelies leidt tot geloof.
De apostel wijst op deze weg niet in die zin, dat de prediking altijd gehoor vindt en het horen als op een wetmatige wijze geloof wekt. Iets dergelijks zegt de apostel geenszins, maar hij zegt wel, dat zij niet zullen geloven, als er geen horen is en dat er geen horen kan zijn, als er geen prediking des Evangelies is, zoals er ook geen prediking kan zijn, als zij niet gezonden worden, m.a.w. als er geen Evangelie en geen Zender is.
Dit laatste merken wij op, omdat de apostel met de prediking niets anders op het oog heeft dan het Evangelie naar de Schriften, met grote nadruk op de opstanding des Heeren en de zaligheid dergenen, die van Christus zijn (vgl. Rom. 10)..
Wij hebben dit de zichtbare zijde genoemd, in vergelijking met de zichtbare kerk. De eerste openbaring der kerk is in de prediking, het feit, dat er een Dienst des Woords wordt onderhouden in de gevestigde kerk en op het zendingsveld. Het tweede stuk der openbaring is de samenkomst der gemeente en het derde is het getuigenis des geloofs in leer en leven, dat van de gemeente uitgaat.
Wat nu de prediking aangaat, deze kan zeer verschillend zijn, doch, zoals reeds werd opgemerkt, de prediking, waarom het gaat, is de prediking van het Evangelie der Schriften. Een prediking, welke een ander Evangelie wil brengen, kan deze naam niet dragen en heeft geen recht op de waardering van kerkelijke prediking. Overigens, hoezeer de levende prediking van de wettig gezondene predikant en zendeling het eerst aan de orde is, kan de prediking zich ook van andere organen of middelen bedienen, als door vermaning en gesprek van gemeenteleden, door geschriften en niet te vergeten door het lezen der Heilige Schrift. Doch ook zo zal degene, die hoort, zich om uitlegging en onderrichting onder de prediking voegen.
Nu het horen. Wij merkten op, dat prediking, horen en geloof niet als een wettige formule mag worden opgevat, alsof de prediking steeds gehoor vindt en waarachtig geloof wekt.
De gelijkenis van de zaaier leert ons wel anders en laat ons zien, hoe verschillend er gehoord wordt.
Een deel van het zaad valt op de weg, een deel op steenachtige plaatsen, een deel tussen de doornen en een deel in de goede aarde. „Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat." (Vgl. Matth. 13).
De anderen hebben ook gehoord ; soms zelfs zó, dat het zaad schijnt op te komen, maar het is slechts voor een tijd, want het wordt verstikt of vindt geen diepte van aarde.
De gelijkenis van de zaaier geeft een beeld van de mensen onder de prediking van het Evangelie. Er zijn er die niet horen, die horen voor een tijd en die horen en verstaan tot waarachtig geloof.
De vergelijking van het zaad, dat is het Woord, zoals de Heere Jezus Christus leert, brengt ons nu tot de bovenaangehaalde tekst van de apostel Petrus : „Wedergeboren uit onvergankelijk zaad, door het levende Woord Gods". (1 Petrus 1 : 23).
Van het zichtbare komen wij tot het onzichtbare. Het Woord wordt hier voorgesteld als de wederbarende kracht.
Zo straks hebben wij vernomen, dat het geloof is uit het gehoor des Woords, en hier wordt ons. de wondere werking van het levende Woord geopenbaard, welke de wedergeboorte werkt. Gebaard door het Woord der Waarheid zegt Jacobus. Zo is hij die plant, niets, en die besproeit niets, maar God, die door groei, deze wasdom, geeft.
Dit werpt nu een nieuw licht over de gelijkenis van de zaaier. De prediking werkt geen gehoor en geloof, maar het Woord der Waarheid, dat gepredikt wordt, doet een wonder aan degenen, die naar het voornemen Gods geordineerd zijn tot de uitnemende kennis van Christus en de kracht Zijner opstanding.
Daarom zegt de apostel Petrus : Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
Hij ziet de wedergeboorte opkomen uit de opstanding des Heren, en Paulus zegt: ,,opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding." Zo is dan de wedergeboorte als de opstanding van de nieuwe mens, Christus de eersteling en die van Christus zijn delen in Zijn opstanding. Zonder wedergeboorte geen opstanding van een nieuwe mens.
En als Petrus zegt: , „Gij, die wedergeboren zijt door het levende Woord Gods, " en in het 3e vers aan de Heere Jezus Christus de wedergeboorte toeschrijft, zo is het duidelijk, dat de Heere Christus dat levende Woord Gods is, en dat Hij het is, die het wonder doet in de prediking, hetwelk koren, verstaan, geloven wekt.
Tegenover hen, die in onze dagen altijd maar weer spreken over de onmogelijkheid, mogen wij met nadruk wijzen op het feit, dat de Christus zelf het wonder werkt door Zijn Woord en Geest en niet de prediker. Wij willen daarmede de ernst van de taak van de prediker niet verkleinen, maar Christus heeft gezegd : waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden.
Het kan dus ook duidelijk zijn, van hoe groot belang het is, dat wij óns onder de prediking voegen, omdat het aan geen twijfel onderhevig is, dat de Heere Christus bevolen heeft: Predik het Evangelie aan alle creaturen. Hij wil de prediking dienstbaar maken aan Zijn akkerwerk.
Vandaar, dat Paulus de predikers mede-arbeiders Gods noemt en deze naar de aard van het akkerwerk vergelijkt met degenen, die planten en nathouden en opmerkt, dat God de wasdom geeft.
Want de prediker of de prediking werkt niet de wedergeboorte of het geloof, maar het levende Woord Gods.
Aangezien echter de Heere zich van de prediking des Evangelies bedienen wil om Zijn gemeente te vergaderen, welk een verantwoordelijkheid en schuld moeten zij op zich laden, die de prediking verachten en aan hun kinderen onthouden.
De apostel Paulus trekt de band tussen het levende Woord Gods en de prediking zó nauw, dat hij tot de Corinthiërs zegt: ik heb u door het Evangelie geteeld (1 Cor. 4 VS. 15) en de apostel Petrus besluit : Dit is het Woord, dat onder u verkondigd wordt.
Nu weten wij, dat de Heere Jezus Christus het wonder der wedergeboorte in de prediking voltrekt door de werking van de Heilige Geest, welke ook genaamd wordt de Geest van Christus.
Woord en Geest gaan in alle werken Codes gepaard en zij zijn, zoals Calvijn het ergens uitdrukt, als de handen Gods.
Ten slotte zal ieder, die ons betoog met aandacht heeft gevolgd, met ons tot de conclusie komen, dat het dwaas is om de wedergeboorte van het waarachtig geloof en waarachtig geloof van de wedergeboorte los te maken.
Het geloof is er niet zonder wedergeboorte, want geloof en leven worden door de Schrift, zoals wij gezien hebben, telkens verbonden.
Maar het is.niet minder ongerijmd om wedergeboorte zonder de werkingen van het nieuwe leven aan te nemen, zodat er geen geloof, hetzij nog zo zwak en gebrekkig, zou zijn, terwijl er toch een wedergeboorte wordt verondersteld.
Bovendien geeft zulk een onderstelling aanleiding tot een theologie der wedergeboorte, die buiten het werkzame geloofsleven omgaat.
Men kan wel beredeneren, dat de wedergeboorte logisch aan het horen, verstaan en geloven voorafgaande moet worden gedacht, omdat deze werkingen van het nieuwe leven er niet zijn kunnen zonder de wederbarende kracht des Woords. Doch men kan niet aannemen, dat deze kracht in een mens een wedergeboorte teweegbrengt, die overigens niet zou verschillen van een geestelijk dood zijn.
De onder ons niet onbekende a Brakel heeft een open oog voor het verband van prediken — horen — geloven. En daarom vraagt hij, hoe het nu met de jonge kinderen is gelegen, die God verkoren heeft, en die niet horen en verstaan kunnen en dus ook niet kunnen geloven. Als hij daarop een antwoord geeft, doet hij een beroep op de almacht Gods — niet op een veronderstelde wedergeboorte.
Wij houden het ook daarvoor, dat wedergeboorte en geloof twee zijden van dezelfde zaak zijn, dat de wedergeboorte in het verborgen geschiedt, als een beginsel van de nieuwigheid des levens, hetwelk openbaar wordt in het horen verstaan en geloven. De Schrift spreekt immers van de Geest der Waarheid, van de wedergeboorte als een werk des Geestes en van de Geest des geloofs. Zo moet het duidelijk zijn, dat wedergeboorte, kennis der Waarheid en geloof, als de werkingen van dezelfde Geest verschillende aspecten belichten van het genadewerk Gods in de Zijnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's