De rechte houding
„Want zie: hij bidt" Handel. 9 vs. IIb
Bijzonder treffend is altijd weer de bekeringsgeschiedenis van Paulus. Zij toont ons de grote macht van Gods genade, die van een vloeker een bidder en van een vervolger een apostel kan maken.
De werking van Gods genade is immers onweerstaanbaar. Zij kan de hardste harten breken en de grootste vijandschap overwinnen. Ja, zij kan de meest hoogmoedige doen buigen voor de Heere.
En dat was het geval bij Paulus !
Vóór zijn bekering was hij toch een man, die Christus haatte en Zijn discipelen overal vervolgde. In 't bijzonder was hij daartoe gekomen na de moord op Stefanus. Toen was de haat in al zijn felheid in hem ontbrand. Toen verzamelde hij al zijn krachten om de secte van die gehate Nazarener uit te roeien.
Maar God heeft hem staande gehouden. Hij is met Zijn genade gekomen in het leven van deze man en Hij heeft hem tot inkeer gebracht.
Dat is gebeurd op de weg naar Damascus !
Daar is Christus in Zijn hemelse heerlijkheid verschenen aan de door haat verblinde Saulus, toen deze opnieuw er op uitgetrokken was om allen te arresteren, die tot Jezus behoorden en heeft Hij hem een halt toegeroepen.
En deze verschijning is voor Saulus indrukwekkend geweest. Zij heeft hem niet alleen met blindheid geslagen, maar zij heeft hem ook al zijn vroegere trots en hoogmoed ontnomen. Als een gebroken mens, wien alles uit de handen is geslagen, zien we hem, aan de hand van een paar soldaten, voortstrompelen naar Damascus, waar men hem in het huis van een zekere Judas achterlaat.
En daar, in dat huis, daar begint de strijd pas goed. Daar worstelt hij in de eenzaamheid met God en bidt hij om uitkomst.
God heeft n.l. de ogen van zijn ziel geopend.
En als Saulus dan naar binnen ziet, dan ontdekt hij allerlei dingen, die hij vroeger niet opgemerkt had. Dan ziet hij de grote vergissing van zijn leven. Dan ontdekt hij met schaamte zijn grote zonde en schuld, en dan komt bij hem de smart. En die smart is zó groot, dat hij drie dagen lang niet eet en niet drinkt. Hij heeft aan niets behoefte. Er bestaat eenvoudig niets meer voor hem. Hij heeft het gevoel alsof hij alles verloren heeft.
En dat laatste is ook waar. Hij heeft niets meer over, van wat hij vroeger zo liefhad : zijn goede naam bij de mensen, zijn roem als Parizeer en zijn verdiensten tegenover God. Dit alles is hem ontnomen. Het enige, wat hij nog over'heeft, is het besef, dat hij een groot zondaar is. En is dat niet de ervaring van allen, die God ontmoet hebben in hun leven? Hebben ook zij niet alles moeten verliezen, om alles te kunnen behouden?
Wanneer God komt in het leven van een mens, dan ontneemt Hij hem immers alles. Dan zet Hij hem niet alleen voor zijn grote zonde en schuld, maar dan doet Hij hem ook verstaan, dat alles, wat van hemzelf is, niets te betekenen heeft.
Er is immers maar één gerechtigheid, die voor God bestaan kan, dat is de gerechtigheid van Jezus Christus.
En waar deze ontbreekt, daar heeft de mens niets te verwachten. Daar is alleen maar sprake van vloek en toorn.
Dat beseft Saulus, als hij daar zit in die binnenkamer, in de eenzaamheid. Hij gevoelt, hoe zwaar hij gezondigd heeft tegen de Heere en hij begrijpt, dat hij met al zijn vroomheid en ijver voor God niet bestaan kan. En dat vervult hem met droefheid en smart. Dat doet hem roepen om licht en om uitkomst.
En die uitkomst zal zeker niet uitblijven ! Want God mag de mens weleens op harde wijze aanpakken, zodat die mens siddert en beeft voor Zijn majesteit, maar dat is nooit het laatste werk van God. Hij wil die mens ook verder helpen. Hi| wil hem ook vertroosten met Zijn genade.
En zie, dat ogenblik is voor Saulus weldra aangebroken ! Want als hij enige dagen alleen gezeten heeft, in het donker en in de eenzaamheid, dan verschijnt de Heere aan Ananias, een discipel uit Damascus. En dan zegt Hij tot hem : ,,Ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar één, met name Saulus van Tarsen !"
En als Ananias dan schrikt en daartegen bezwaar maakt, omdat hij van deze Saulus van Tarsen zoveel kwaad gehoord heeft, dan stelt de Heere hem gerust. Dan wijst Hij hem op de grote verandering, die in het leven van deze man heeft plaats gegrepen.
De bloeddorstige vervolger van voorheen is immers tot een weerloos lam geworden. De eens zo trotse Parizeer buigt thans zijn knieën voor de Heere.
En terwijl de Engelen in de hemel juichen over de bekering van deze zondaar, khnkt het Ananias tegen: „Want zie, hij bidt !"
En is dat geen heerlijk getuigenis, als dat van een mens gezegd kan worden ? Dat is toch een bewijs, dat God met Zijn genade in zijn leven is afgedaald. Dat is een bewijs, dat er contact is tussen God en zijn ziel.
O zeker, deze Saulus zal ook vroeger vaak gebeden hebben. Hij was toch een vroom en nauwgezet man, die blaakte van ijver voor de Joodse eredienst.
En toch, nu bidt hij voor het eerst, zoals hij waarlijk bidden moet. Nu bidt hij met het hart van een tollenaar.
Kent gij óok zulk bidden, lezer ? Wanneer de Heere op u neerziet, kan Hij dan ook van u zeggen : „Want zie, hij bidt!"
O, misschien zegt ge : als ik maar eens zo'n weg gehad had als Paulus, dan zou ik dit wel durven geloven, maar nu niet. Maar vergeet dan niet, dat het niet bij alle mensen behoeft te gaan, zoals het bij Paulus gegaan is. Elke Christen heeft zijn eigen weg en zijn eigen geschiedenis. De een wordt getrokken met geweld, de and«r geleidelijk aan. De een komt op onverwachte wijze tot bekering, de ander dient de Heere van jongsaf aan.
Maar hierin moeten allen toch overeenstemmen, dat is in het getuigenis van boven, dat zegt: „Want zie, hij bidt!" Dat is toch het bewijs, dat wij God in ons leven ontmoet hebben.
En als de Heere nu op u neerziet, kan Hij dit dan ook van u zeggen ?
Het staat te vrezen, dat Zijn oordeel over velen heel anders moet zijn. Immers wat is er weinig sprake van een roepen uit de diepte ! Wat is er weinig sprake van een erkennen van onze zonde en schuld ! Is ons bidden vaak niet veel meer een danken van God en van onszelf, dat wij zo goed en zo braaf en zo vroom zijn?
Maar van zulk bidden heeft God een afkeer!
Dat heeft Paulus geleerd na de ontmoeting met Christus op de weg naar Damascus. Hij heeft geleerd alles uit handen te geven, waarop hij vroeger vertrouwd had, om niets anders meer over te houden dan de bede om genade.
En tot deze bede zal het bij ons allen moeten komen. Wij zullen onszelf bij het ontdekkend licht van Gods Woord en Geest moeten leren kennen als schuldige en verloren mensen, die alleen nog maar pleiten kunnen op genade.
Alleen dan kan er van vernieuwing in ons leven sprake zijn.
Maar dat gaat niet zo gemakkelijk. Wij proberen onszelf immers tot het uiterste toe te handhaven. Wij doen al ons best, om zelf in ons leven de baas te blijven.
Maar als God komt in ons leven en met de werking van Zijn genade tot ons afdaalt, dan wordt dit anders. Dan is het met ons afgelopen. Dan moet al het onze ten onder en blijft er niets meer over van hetgeen waarop wij vroeger vertrouwden.
Dan kunnen wij, ziende op Gods heiligheid, onszelf alleen nog maar aanklagen, zoals Saulus van Tarsen zichzelf heeft aangeklaagd in dat huis te Damascus. Dan kunnen wij alleen nog maar vragen : „O God, wees mij zondaar genadig !"
Maar geen nood !
Zó komt het waarlijk goed ! Want dan mogen wij nóg zoveel gezondigd hebben, ja, dan mogen wij de grootste vijand geweest zijn, evenals Saulus van Tarsen, — zodra het in de hemel weerklinkt: „Want zie, hij bidt!" slaat het uur der redding.
Dan komt de Heere met Zijn troost en genade.
Dan doet Hij voor ons oprijzen het kruis op Golgotha.
Dan doet Hij ons steunen op het volbrachte werk van Christus.
Is dat ook reeds uw ervaring, lezer ? Hebt gij evenals Paulus de Heere in uw leven ontmoet en in Hem uw behoud gevonden ?
Zo ja, dan zijt gij gelukkig. Dan moogt gij moed vatten uit deze geschiedenis. Dan moogt gij weten, dat God u ziet en hoort, wanneer gij tot Hem roept.
Maar zo niét, dan roept deze geschiedenis u tot bezinning : Dan wekt zij u op om uw knieën te buigen voor God en Hem te smeken om de vernieuwing van uw hart.
Nog roept de Heere u immers tot bekering. Nog wil Hij aan zondaren genade bewijzen.
En dan geeft het niet, hoe ver gij van God hebt geleefd. Dan doet het er niet toe, hoe diep gij gezonken zijt.
Als gij maar waarlijk leert roepen tot de Heere. Als gij maar tot Hem leert komen met de bede om genade. Dan zal Hij Zich niet onbetuigd laten. Want:
„Hij slaat toch, schoon oneindig hoog.
Op hen het oog. Die need'rig knielen.
Maar, — ziet van ver met gramschap aan. De ijd'le waan. Der trotse zielen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's