Geloof en eeuwig leven
De vorige keer hebben wij een enkele opmerking gemaakt over wedergeboorte en geloof. *) Daarbij werd vooral gewezen op de innerlijke saamhang van het waarachtig geloof in de Christus der Schriften en de wedergeboorte. Men make deze twee niet los van elkander. Het hoofdstuk, dat ons bijzonder over de wedergeboorte spreekt, wijst ons uit de mond van de Christus tot tweemaal toe op de noodzakelijkheid der wedergeboorte.
„Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien". (Joh. 3 vs. 3). Derhalve kan iemand van het Koninkrijk Gods naar waarheid niet spreken, tenzij in de weg der wedergeboorte.
Hoezeer heeft dit ons tot nedrigheid en zelfonderzoek te bewegen. Denk aan de woorden tot Nicodemus gesproken : Zijt gij een leraar van Israël en weet gij deze dingen niet ? (vs. 10).
Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, zo klinkt het woord des Heeren andermaal: ,,Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan." (vs. 5). ,,Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb : Gijlieden moet wederom geboren worden." (vs. 7).
Welk een distantie wordt hier door Christus zelf gezet tussen de natuurlijke staat, waarin wij naar onze geboorte uit het vlees verkeren, en het Koninkrijk Gods. (vs. 6). Edoch, wie zal daarvan iets verstaan, tenzij hij idee heeft aan de nieuwigheid des levens.
Ternauwernood ontkomen wij aan de verleiding om nader in te gaan op deze dingen, maar wij bepalen ons er toe, dat de Christus van Zijn komst in deze wereld en Zijn verhoging aan het kruis handelende, over geloof en ongeloof vervolgt te spreken.
Hij zegt niet: opdat een iegelijk, die wedergeboren is, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe, maar Hij zegt: opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. (vs. 15 en 16).
En in VS. 18 : Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de Naam des eniggeboren Zoons van God".
Het kan overbodig heten op te merken, dat dit de betekenis van Christus' woord over de noodzakelijkheid der wedergeboorte niet verkleint of wegneemt. Die in Christus gelooft, wordt gezegd het eeuwige leven te hebben. Wat is dit anders dan wedergeboorte ?
Men praat in onze tijd nog al eens over de anti-these, als ware dit een uitvinding van dr. Kuyper, doch wie heeft ooit de antithese tussen geloof in de Christus en ongeloof scherper gesteld, dan de Zone Gods : ,, Wie niet gelooft, is alrede veroordeeld" ? Een anti-these, die in het licht der wedergeboorte zelfs door het aardse kerkelijke leven heengaat! Dat is nog wat anders dan een uitwendige tegenstelling tussen hen, die uit een Christelijke levens- en wereldbeschouwing begeren te leven en degenen, die daaromtrent onverschillig zijn of het goed recht van zulk een beschouwing miskennen of bestrijden.
Anderzijds schijnt er in deze woorden van de Christus aanleiding te zijn voor sommigen de noodzakelijkheid der wedergeboorte te maken tot een dekmantel voor hun wandel. Terecht wordt dit voorwendsel als valse lijdelijkheid aangemerkt.
Anderen hebben de mond vol van het Evangelie, maar willen van een prediking dezer noodzakelijkheid niet weten en onttrekken zich daaraan, alsof zij het Koninkrijk Gods zouden kunnen ingaan langs een andere weg dan de Christus hier zo nadrukkelijk leert.
Die in het eerste euvel vervalt moge zich rekenschap geven van Christus' woord tot Nicodemus : ,,De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet van waar hij komt en waar hij heengaat; alzo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is." (vs. 8).
Wie zich daarvan rekenschap geeft, kan het woord des Heeren over de noodzakelijkheid der wedergeboorte niet tot een oorkussen van ongeestelijke traagheid maken.
Wanneer wij wel voorzien zijn van voedsel, kunnen wij heel rustig praten over de noodzakelijkheid van de voeding om te kunnen leven, maar als er gebrek en hongersnood is, gevoelen wij deze noodzakelijkheid letterlijk aan den lijve. Zo is het nu ook met de noodzakelijkheid der wedergeboorte. Als wij die alleen als een dogma aanvaarden, omdat het er staat en omdat wij zo geleerd zijn, blijft die noodzakelijkheid op een afstand, maar als er werking in de ziel is en een dorst naar gerechtigheid, komt die noodzakelijkheid binnen het geestelijk gezichtsveld. De wind blaast en zijn geluid wordt gehoord en men weet niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat. Het is wonderlijk en verrassend, maar er is wat gaande in het binnenste, dat uitdrijft naar het Woord als naar de wateren des levens. Men kan niet meer wegschuilen achter het dogma, omdat het in zijn geestelijke werkelijkheid verschijnt.
Welk een troost is daarin voor zulk een mens, dat de Heere verder spreekt over geloof en ongeloof. Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven. De Christus noemt geloof en leven in één adem. Het geloof wordt door Hem niet verbonden aan een leven, dat er nog niet is, en hier op aarde misschien ook niet gekend wordt, neen die gelooft in de eniggeboren Zoon Gods heeft het eeuwige leven. Het eeuwige leven is in het geloof reeds werkzaam, ondanks ons aardse bestaan. In het geloof gaat de glans der eeuwigheid over ons leven op, daarom wordt gezegd, dat het geloof de wereld overwint, n.l. het geloof in de eniggeboren Zoon Gods, het geloof in die Christus, die ons van de noodzakelijkheid der wedergeboorte spreekt.
Het geloof in de Christus der Schriften is maar niet een teken, niet een symbool van de nieuwigheid des levens, maar een werking van de kracht van Christus' opstanding, want de apostel Petrus zegt: ,,Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden". (1 Petrus 1:3).
Daarom valt alle nadruk op het geloof in de Christus, die ons door het Evangelie wordt voorgesteld en niet maar aan de waarheid, dat Christus in het vlees is gekomen en is gestorven, begraven, opgestaan en ten hemel gevaren, maar in Christus, in Zijn dood, in Zijn opstanding, in Zijn heerlijkheid.
En als de apostel Paulus zegt: Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende ; of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden", geeft hij daardoor te kennen, dat het leven des geloofs in al zijn worstelingen niet anders is dan een dieper doordringen in de verborgenheid van het werk der wedergeboorte.
De volle heerlijkheid der wedergeboorte zal dan ook eerst openbaar worden in de wederopstanding der doden, als zij aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig zullen zijn, een gemeente zonder vlek en zonder rimpel.
Zo valt het ganse geloofsleven onder het aspect der wedergeboorte. Zoals de Catechismus zegt: opstanding van de nieuwe en afsterving van de oude mens.
Degenen nu, die van een wedergeboorte niet willen horen, schijnen een geloof te hebben, dat aanspraak maakt op de weldaden van Christus buiten de vernieuwing van de mens om.
Wij willen onze gedachten niet laten gaan over de veronderstellingen, die daaraan ten grondslag kunnen liggen, o.a. dat de zonde niet ernstig wordt genomen, dat er in de mens nog enig vermogen der gerechtigheid woont, dat de hele mensheid, zij moge geloven of niet geloven, in de toekomende eeuw als hemelse mens zal verschijnen e.d.g.
Het is ten enenmale afdoende tot weerlegging van dergelijke veronderstellingen en misverstanden, op het nadrukkelijke woord van Christus te wijzen aangaande de wedergeboorte als de enige weg tot kennis van en ingang in het Koninkrijk Gods.
Als de Heere zegt: Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, tekent Hij dat geloof als een werking des levens. En als de apostel Petrus spreekt van wedergeboren tot een levende hope, en de Hebreënbrief het geloof noemt een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet, heeft dit betrekking op de voleinding des geloofs in de toekomst des Heeren: n.l. de openbaring van het Koninkrijk Gods in zijn volheid. Wij zijn in hope zalig geworden.
Zo stelt de Christus een tijd, welke Hij aanduidt met de woorden : „in de wedergeboorte, als de Zoon des mensen zal gezeten zijn in de troon Zijner heerlijkheid". (Matth. 19 VS. 28). Deze tijd is dus ingegaan met Zijn troonsbestijging.
Zo staat heel de komst van het Koninkrijk Gods in het teken der wedergeboorte.
*) Helaas zijn in het vorig artikel weer enige drukfouten ingeslopen.
blz. 195, Ie kolom, zesde alinea van onder staat „wettige formule", moet zijn wetmatige formule.
blz. 195, 2e kolom, tweede alinea van boven staat „door groei, deze wasdom geeft", moet zijn : „den groei, den wasdom, geeft".
blz. 195, 3e kolom, vijfde alinea van boven staat ,,ongerijmd om wedergeboorte", moet zijn „ongerijmd een wedergeboorte".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's