De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Hoofdredacteur: Onzer Eén

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Hoofdredacteur: Onzer Eén

10 minuten leestijd

Wij zagen, dat Christus het woord wedergeboorte gebruikt in saamhang met de toevergadering en de openbaring van het Koninkrijk Gods. Hij stelt daarmede : het Koninkrijk Gods in het centrum van de grote werken Gods, welke mede de schepping van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde omvatten. Immers het schepsel, wij verstaan daaronder de schepping, verwacht de openbaring der kinderen Gods. (Rom. 18:19). Wij mogen daarvoor dus lezen : de schepping verwacht de openbaring van het Koninkrijk Gods. Zij doet dit reikhalzend ! De apostel beschrijft het, alsof de ganse schepping een  persoon ware, die zucht onder de dienstbaarheid, verlangende naar de bevrijding. Zij is als in barensnood, zegt de apostel. Zijn geestelijk oog ziet de ganse creatuur : onder het aspect van de nieuwe aarde en de nieuwe hemel, die alrede gewrocht worden. Zijn profetische blik ziet de wereld in het licht der herschepping.

Zo tekent de Schrift ons een toekomst, waarin het Koninkrijk Gods zal openbaar worden in een nieuwe wereld.

Zowel het Koninkrijk Gods als de ganse schepping worden door de Heilige Schrift in een innerlijk levensverband met de Zone Gods gezet. Wat het Koninkrijk Gods, de openbaring der kinderen Gods (Rom. 10 : 19) betreft, leert de Schrift, dat de ; gemeente des Heeren een schepping Gods 5 in Christus is. want de apostel zegt: : ,,Wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken". (Ef. 2 : 10). Als de apostel zo spreekt, wordt het wel duidelijk, dat de Heere in de overgave van Zijn Zoon, in de vleeswording des Woords, een nieuw volk heeft geschapen. Dit nieuwe volk wordt nochtans in de aardse gestalte aangesproken.

De apostel getuigt in verschillende brieven van het profetisch licht, dat hem over deze verborgenheid is opgegaan. Hij spreekt in het bekende opstandingshoofdstuk (1 Cor. 15) van de eerste Adam als de aardse of psychische mens. Dat woord psychische kunnen we eigenlijk niet door een goed Hollands woord weergeven. De Statenvertaling spreekt wel van natuurlijke mens, maar dat is toch niet geheel duidelijk. De eerste Adam is geworden tot een levende ziel en zoals hij was, zo zijn ook allen, die uit hem geboren zijn. Maar de andere Adam is de Heere uit de hemel een levendmakende Geest. De eerste mens is uit de aarde aards, de tweede is de Heere uit de hemel. In Christus is die geestelijke mens opgestaan en wijl de hemelse mensen zodanige zullen zijn als de hemelse Mens Jezus Christus, wijst dat reeds op een innig levensverband tussen Christus en de kinderen Gods. De apostel heeft dit uitgedrukt in de woorden : ,,geschapen in Christus Jezus".

Wij mogen dus van de schepping van een nieuwe, een hemelse, een geestelijke mens spreken in Christus Jezus.

Als de apostel voortgaat met te zeggen, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet kunnen beërven, is het duidelijk, dat de aardse mens van zich zelf uit de nieuwe hemelse mens niet kan aandoen. Verwonder u niet zegt de Heere, dat Ik gezegd heb : ,,Gijlieden moet wederom geboren worden. (Joh. 3 vs. 7).

Anderzijds wordt in dit woord van de apostel de relatie van deze nieuwe, geestelijke mens tot het Koninkrijk Gods aangewezen in zijn rein geestelijk karakter. Zo verschijnt het Koninkrijk Gods onder het aspect van een nieuwe schepping Gods. En daarmede komt ook overeen, dat de Schrift Christus een andere Adam noemt. Immers evenals Adam het hoofd is van het aardse geslacht, is de Christus tot het Hoofd van, een hemels geslacht gezet. 

Wij mogen zelfs nog verder gaan. Let­tende op de profetische betekenis, welke de Schrift aan het huwelijk toekent als een afschaduwing van de gemeenschap tussen Christus en Zijn gemeente, waarom zij wordt voorgesteld als de Bruid van de hemelse Bruidegom, mag ook de schepping der vrouw uit Adam een profetische zin hebben. De vrouw werd uit de man genomen. De apostel ziet daarin ook een aanwijzing voor de verhouding van man en vrouw, zelfs zo, dat hij de vergelijking doortrekt: de man het hoofd der vrouw, gelijk Christus is het Hoofd der gemeente. (Ef. 5 : 23). Deze vergelijking gaat ook daarin door, dat de gemeente in Christus is geschapen en alzo uit de Christus wordt genomen. Hij is het Hoofd van een nieuw geslacht.

In dit licht verschijnt de wedergeboorte als een geestelijke werkelijkheid, zijnde de weg der openbaring en realisering van het Koninkrijk Gods, waardoor de schepping Gods in de Christus gestalte aanneemt in de kinderen des Koninkrijks. Deze gestalte: zal tot haar volle ontplooiing komen in de opstanding, welke is de hope des geloofs : „wedergeboren tot een, levende hope". Zo hebben wij onderscheid te maken tussen het werk der wedergeboorte, dat in de tijd een aanvang neemt tot waarachtig geloof in de Christus der Schriften en de vervulling van de beloften Gods in de toekomst des Heeren overeenkomstig de orde des heils.

Geschapen in Christus Jezus. De gemeente des Heeren een nieuwe schepping. Die in Christus Jezus is, is een nieuw schepsel. (Gal. 6 : 15). Ziet het is alles nieuw geworden. (2 Cor. 5 : 17).

Gij ziet, hoe zeer de nieuwigheid des levens in Christus Jezus veelvuldig wordt betuigd door de Heilige Schrift.

Wie alleen daarbij stilstaat, zou haast in de verleiding komen om aan te nemen, dat de schepping in Christus Jezus zo iets geheel afzonderlijks, zo iets geheel nieuws en zo ganselijk op zichzelf staande in de werken Gods is, dat die hemelse mens in Christus er ook wel zijn kon zonder enige relatie met de aardse mens.

Men wake er voor om van deze schepping Gods ook maar iets af te doen. En toch zou de gedachte onjuist zijn, dat in Christus nu eigenlijk de ware mens is geschapen, als zou deze waardering aan de eerste Adam en zijn geslacht niet toekomen. De eerste Adam zou dan slechts enigermate in zijn armelijke, aardse creatuurlijkheid op de ware mens gelijken.

Zoiets leert de Heilige Schrift nergens. De mens werd geschapen naar Gods beeld en het is het waarachtig menselijke, dat de mens Gods beeld is. Zo blijft ook de mens in zijn val ware mens, beeld Gods, en God handelt met die mens in Zijn gerechtigheid en genade als zodanig. Daarom eist Hij van hem, dat hij de gehoorzaamheid brengt, die God van hem vordert. Daarom toornt Hij over de zonde. Daarom blijft de mens verantwoordelijk en rekenschap schuldig tegenover Zijn hemelse Rechter.

God handelt met de mens als met een redelijk en zedelijk wezen. Maar de mens is een zondaar.

Wij geven niet de vrije teugel aan de vraag, welke weg God met de mens genomen zou hebben, indien hij in zijn gerechtigheid zou hebben volhard en gebleven ware in overeenstemming met zijn wezen.

De vleeswording des Woords leert ons dat de Zone Gods die aardse mens heeft aangedaan. Nadrukkelijk leert de Schrift, dat Hij geworden is uit een vrouw, opdat Hij het ware zaad Davids zij. David heeft dat door goddelijke openbaring gezien. (2 Sam. 7 vs. 29).

De nieuwe mens in Christus is de aardse mens, die door de dood is heengegaan en in een nieuwe hemelse gestalte is verrezen. Als Christus dan ook zegt (Matth. 19 VS. 28) : in de wedergeboorte als de Zoon des mensen in Zijn heerlijkheid zal zitten op Zijn troon, wijst Hij op Zijn opstanding en verheerlijking als op de wedergeboorte van de Zoon des mensen. Het verdient de aandacht, dat hij deze uitdrukking gebruikt : ,,Zoon des mensen", derhalve met nadruk op de mensheid, dat is de mensheid, welke Hij uit de aardse mens heeft aangenomen door geboorte uit de maagd.

De vleeswording des Woords mag daarom niet zó worden verstaan, alsof de Zoon des Allerhoogsten een andere tevoren niet bestaande mensheid heeft aangedaan, of een tevoren niet geopenbaarde hemelse mens, zodat zijn geboorte in feite eigenlijk geen verwantschap met ons geslacht zou hebben. Dit zou er op neerkomen, dat de mens Jezus, die dan al.of niet in onze historie zou zijn ingegaan, van meet af vrucht van een scheppende daad Gods uit niets zou zijn geweest.

Bij zulk een beschouwing der vleeswording zou de aardse mens uit Adam als een mislukking verschijnen, een creatuurlijke voorlopigheid, in ieder geval niet de ware mens, maar een schepsel, wiens enige zin in de aarde ware te zoeken.

In dergelijke beschouwingen zou de vleeswording ook een geheel ander vlees betreffen dan wat de Schrift daarmede bedoelt, als het de aardse mens als zodanig aanduidt: „Wat uit het vlees geboren wordt is vlees". De Christus zou dan een vlees aangenomen hebben, dat de Schrift niet kent, het vlees van een ware mens, die niet is de Adam van Genesis,

Daarentegen leert de Schrift, dat de nieuwe mens is opgestaan uit de oude mens, die gestorven was.

Beschouwingen over de Christus en de vleeswording, die, hetzij dan terecht of ten onrechte, aanleiding geven voor dergelijke opvattingen, leiden tot consequenties, die ook met andere geloofsstukken in strijd komen. Dat ligt ook voor de hand, omdat de Christologie zo centraal is voor heel de theologische bezinning.

Vooreerst dreigt het gevaar om het levende verband tussen de aardse mensheid en de nieuwe schepping in Christus door te snijden, en het als volkomen normaal en als de weg van allé vlees voor te stellen, dat het oude geslacht in de voleindiging zal overgaan in het nieuwe. Dit treedt reeds te voorschijn in de neiging tot een leer van een algemene verzoening, en in de weerstanden, die zich verheffen tegen de gereformeerde leer der uitverkiezing.

Aan een en ander ligt de gedachte ten grondslag van een de ganse mensheid omvattende vernieuwing in Christus, welke als zodanig een algemene verzoening zou betekenen. Hiermede hangt dan weer samen, dat ook de leer der verzoening wordt uitgehold, zo zelfs, dat ideëel gezien de mensheid in een positie van verzoend zijn verkeert, ondanks de werkelijke toestand, waarin zij zich bevindt.

Het is daarom niet toevallig, dat dergelijke gedachtengangen de ernst van de zonde wegdringen. 't Ontbreekt dan ook niet aan de tekenen van zulk een veronachtzaming in menige prediking. Daarmede hangt ook samen, dat de levende functie van het geloof op de achtergrond wordt gedrongen, of zelfs geheel secundair wordt geacht, de verhouding van Wet en Evangelie averechts wordt voorgesteld en met een objectieve verkondiging van het heil in Christus door velen wordt volstaan. Zelfs de verdringing van het woord prediken door verkondigen houdt daarmede verband. Van persoonlijke wedergeboorte te gewagen en op bekering aan te dringen, heeft in zulke beschouwingen weinig zin. Immers allen zijn naar zulke veronderstellingen in de nieuwe schepping van de ,,ware" mens in Christus begrepen.

Het is daarom van het grootste belang de nadruk te leggen op de leer der Schriften, dat Christus is geworden als onzer èèn ; ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde ! Dat Hij uit het geslacht van David is, m.a.w., dat Hij waarachtig mens is, en de ware menselijke natuur ontleende aan de eerste, de aardse Adam, doch zonder zonde. De andere Adam, d.i. de Zoon des mensen, wordt ons alzo voorgesteld als de eerste Adam in rechtheid ! Dat is toch sprekend, wijl Hij geen zonde heeft gekend. In Zijn aardse rondwandeling, zoals de Evangeliën leren, aanschouwen wij in Hem de Adam in staat der rechtheid. „Wie uwer overtuigt Mij van zonde !" Hij is de ware mens krachtens Zijn geboorte uit de eerste Adam, en de volkomen mens wegens Zijn vlekkeloze zondeloosheid. Zo is Hij naar Zijn menselijk wezen. Maar zó ook, heeft Hij door Zijn geboorte uit een vrouw de vloek op Zich genomen, die op ons ligt, als een onschuldige, en zó is Hij tot een Middelaar gesteld, opdat Hij door Zijn goddelijke kracht de aardse mens tot een nieuwe, hemelse mens zou herscheppen. Het is de eerste Adam, die door Gods Zoon tot een geestelijke Adam wordt herschapen of wedergeboren in Zijn opstanding. En Zijn eigen woord : ,,Een iegelijk, die niet gelooft in de Eniggeborene des Vaders, de toorn Gods blijft op hem", en vele andere getuigenissen, zijn daar om ons het recht te ontnemen, de nieuwigheid des levens ook toe te schrijven aan het ongeloof. Wij zijn echter niet aan het einde der vragen, welke met deze dingen samenhangen, doch het zou te lang worden.

Een volgende keer verder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Hoofdredacteur: Onzer Eén

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's