De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

9 minuten leestijd

 Het bidden vóór de Dienst.

XXVI.

Een dezer dagen viel mijn aandacht op het bidden der kerkgangers vóór de Dienst bij het binnenkomen in de kerk.

Ik had namelijk aan de catechisanten gevraagd op de catechisatiën, of zij dit wel deden, en bijna niemand van hen antwoordde daarop bevestigend.

Bidden bij het binnenkomen in de kerk, neen, dat deden zij niet. Sommigen hunner meenden, dat het gewoonte was, om hiermee te beginnen na het afleggen van belijdenis des geloofs.

Het bleek, dat de ouders er met hun kinderen nooit over gesproken hadden. Ik ging er nu op letten, wanneer ik zelf onder het gehoor van een ander zat, hoe de jonge mensen over het algemeen zich hier hielden. En ja, er was bijna niemand van de jongelingen, die bleef staan voor een stil gebed. Men viel zó neer en dikwijls ging men zó aan de praat.

Dit voerde mij terug naar oude tijden, wanneer in de intieme dorpskerken zo goed als iedereen even in stil gebed was of tenminste de houding daartoe aannam. O ja, ook in die dagen was het wel eens wat. Nog zie ik sommige mannen daar de kerk binnenstappen, de zijden petten stijf op het hoofd, totdat zij hun bank of stoel hebben bereikt. Nu wordt de pet eindelijk afgenomen. Men houdt ze precies met de binnenkant onder de neus of even daarboven.

En daar staat de zogenaamde bidder. De ogen zijn niet gesloten. O neen ! Ze komen precies boven de pet uit en draaien wonderlijk snel alle kanten uit, als zagen zij overal leeuwen en beren aankomen.

Ziedaar nu de dode vorm, zonder meer! De gedachte komt bij mij boven of de predikanten in die tijd aan de mannen nooit eens gevraagd hebben : ,,Wat doet gij toch eigenlijk? Weet gij het zelf wel? Straks sluit gij misschien de ogen en valt onder de preek in slaap. Zijt gij bang, dat gij bestolen wordt, dat gij nu zo vreemd met uw ogen draait? "

Ik herinner mij niet, dat ik dit zelf ook ooit gevraagd heb tijdens mijn ambtsbediening, want in mijn verschillende Gemeenten kwam deze eigenaardigheid niet voor.

Dit neemt niet weg, dat wij het toch gaarne weer zouden zien, dat iedere kerkganger eerst zijn hoofd boog tot 't gebed. V/ant waarom gaan wij ter kerk? Om samen met de Gemeente de Heere groot te maken. Om onder Zijn Woord neer te zitten en daar voedsel voor de ziel te ontvangen. Om te vragen of de Heilige Geest ons schenken wil een ontvankelijk hart, opdat wij dat Woord in ons mogen opnemen tot zaligheid.

Om de Heere te vragen, dat Hij de Evangeliedienaar sterke en bekwame in zijn arbeid ; kortom : om onze ziel uit te storten voor het Aangezicht des Heeren in Christus.

Dit alles maakt toch zeker ook wel het persoonlijk gebed noodzakelijk.

Wat mij aangaat, dan had ik toch maar liever de oude tijd weer terug. Tegen dat „pettengemanoeuvreer" zouden wij dan wel vechten.

Ofschoon het niet zo gemakkelijk valt, plaatselijke misbruiken afgeschaft te krijgen.Probeert gij het, men neemt het u vaak kwalijk.

Raken de dingen echter werkelijk de ere Gods, dan mogen wij ons door een paar boze gezichten nimmer laten afschrikken. Het schijnt wel alsof bijna iedere Gemeente enkele kleine gebruiken en afgoden heeft, waarvan zij tot u zou willen zeggen, wat Naaman sprak tot Eliza : ,,De Heere vergeve toch uw knecht in deze zaak!"

Ik denk terug aan een mijner Gemeenten. Vele mannen hadden daar de minder loffelijke gewoonte, om, met het hoofddeksel op, rokend de kerk binnen te stappen. Nu gebeurde het eens, dat ik op de kansel stond en een man nog laat binnentrad. De Dienst was al begonnen, doch dat deerde hem in 't minst niet. Tergend bedaard wandelde hij naar zijn plaats ; bleef daar staan ; nam daarop heel tragelijk de hoed af en legde weer even doodbedaard de brandende sigaar op de bank neer, vanwaar de rook kronkelend nog een poosje opsteeg. Een paar weken later bemerkte ik nog iets : Aan het einde van de Godsdienstoefening had het Votum met het „Amen" nauwelijks weerklonken, of daar flitsten overal de lucifers aan en genoegelijk dampend werd door vele mannen de reis naar huis aanvaard.

Ik heb daarop eens in een predikatie over deze dingen gesproken. Wij hadden het, meen ik, over offeranden des lofs, en ik heb aan die mannen rokers gevraagd of dat nu offeranden des lofs waren, wanneer zij zo'n haast hadden, de brand weer in de sigaar te steken. Dat mij die opstijgende rookwolkjes, die in de ijle lucht meteen vervaagden, wel heel sterk deden denken aan de in rook opgaande invloed, die er van de prediking uitging. Ik trok dus uit de meteen weer opgestoken sigaar mijn nuchtere conclusies.

Dat werd mij toen allesbehalve in dank afgenomen. Men vond dit overdreven en ik geloof niet, dat mijn vermaning veel geholpen heeft.

Ook predikte ik eens in een vacaturedienst in een vreemde Gemeente. Het voorgebed zou juist aanvangen, toen ik daar zag, dat, behalve de Kerkeraad en een paar Kerkvoogden, alle mannen bleven zitten.

En hoe? Er waren er zelfs, die er gemakkelijk bij gingen liggen met het hoofd op de arm, „opdat de slaap hier veel verzoeten mocht".

Dat werd mij toen te ergerlijk. Meteen kwam het mij over de lippen : „Gemeente, ik heb u wat te zeggen !"

Niemand keek op. Men dachte zeker, dat het gebed al begonnen was. Men gaf zich blijkbaar totaal geen rekenschap van de woorden, die pas waren gesproken. Dat was nu niet bepaald bemoedigend. Zaten mijn hoorders daar zó machinaal neer, dat zij niet eens 't onderscheid meer hoorden tussen bidden en gewoon iets zeggen?

Nu begon ik opnieuw : „Gemeente van vóór wij in het gebed gaan, wilde ik eerst wat zeggen !" Nu kwam er toch wei wat leven in de schare, en ik heb hun aan 't verstand trachten te brengen, dat opstaan voor de Heere der heren toch alleszins betamelijk was.

Daarop verrezen vele mannen van hun zitplaatsen. Een koppige kerkvoogd, die zich blijkbaar in zijn eer getast gevoelde, ,,was het niet met mij eens".

Neen, neen, dat was allerminst ,,in de geest" gevallen. Een domine van elders mocht daar wel komen preken, maar men wenste allerminst gekapitteld te worden over de plaatselijke gebruiken.

Al deze dingen zijn lang geleden en komen uit oude tijden weer even in de herinnering. Vindt gij ze komisch, misschien? Uw tijd toch beter?

Laat ons zien : Daar komt een Evangeliedienaar een stampvolle, stadse kerk binnen. Hij gaat onder aan de kansel of voor het podium staan, om zich af te zonderen voor een stil gebed. Wat aanschouwt hij? Neen, geen boeren met zijden petten op de neus, maar dames en heren. Wat is dat hier toch? , zo moet hij wel even denken. Een geroezemoes van stemmen, als was men aan het ossen en schapen en duiven verkopen. Een twisten over plaatsen soms, met al de onverkwikkelijkheden, daaraan verbonden.

Kortom : een gonzende bijenzwerm, als was men in een vergaderlokaal. Neen, dat doen toch die draaiogige dorpspettenmannekes nog niet.

In onze dagen heeft men er dit op gevonden, om bij het binnenkomen van de predikant de ganse Gemeente te doen opstaan voor een stil gebed. Dan is ineens een einde gemaakt aan allerlei gepraat en rumoer. Want dit is een feit, dat er wel mensen zijn, die expres wat vroeger in de kerk komen, om hun buurpraatje te kunnen houden, vóór domine begint. Zij hebben nog weinig besef van wat een godsdienstoefening behoort te zijn.

Ik heb de werking van die nieuwe maatregel eens gadegeslagen en mijn eindindruk is, dat er evenveel tégen als vóór is. Ik wil niet ontkennen, dat die plotseling ingevallen stilte in het bedehuis een diepe indruk maakt; vooral wanneer men dat voor de eerste maal ondergaat. Een ontroering trok er door ons heen bij de gedachte, dat wij nu allen tezamen in stil gebed waren verzonken.

Maakt men dit evenwel meermalen mee, dan vervaagt ook hier de indruk min of meer en komt de vraag wel eens boven : Zit er nu in dat tezamen stil zijn ook nog een diepere inhoud of komt het feitelijk alleen neer op „een paar minuten stilte? " Hier vooral moet ieder zichzelf dat afvragen, want dat gezamenlijk oprijzen en stil zijn wil immers het persoonlijk gebed vervangen.

Zit er toch eigenlijk niet iets gedwongens in? Tijd voor een rustig gebed wordt u niet gelaten. Loopt het niet uit op een zekere spanning : wanneer het teken gegeven wordt, dat gij weer kunt gaan zitten?

Deze vragen zijn bij mij wel eens boven gekomen.

Maar er is meer. Een mens, en dus ook een kerkganger, is nooit voor één gaatje gevangen. Dat bleek ook hier al weer.

Zeker, wanneer de dienaar des Woords nu binnentreedt, is het stil. Maar vraag niet, hoe het er thans naar toe gaat in de ogenblikken, die aan ,, de paar minuten stilte" voorafgaan. Het is of men een vrijbrief heeft gekregen, zich nog even in conversatie te begeven. Het persoonlijk gebed is nu geen band meer, die dat tegenhoudt of intoomt; in één woord : het hek is van de dam.

Het persoonlijke heeft zich thans ook opgelost in het gebed der Gemeente. Dit is zeker een grote schaduwzijde. Wij mogen toch ook weer niet opgaan in de massa. Zijn er dan geen andere middelen om de eerbied in Gods huis er weer in te krijgen? Ik vrees zeer, dat het verantwoordelijkheidsbesef op die manier meer en meer verdwijnt en dat langzamerhand alles in beslag genomen wordt door „de Gemeente".

Voor bovengenoemde nieuwe regeling is alléén wat te zeggen, wanneer het gebruik van persoonlijk bidden, behouden blijft.

RECTIFICATIE.

Het drukduiveltje begint zich te roeren. In het vorige stukje over „Geestelijke Bijstand" komt voor : meer dan de enge­len. Dat moet zijn ezelen !

K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's