De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gij zijt priester

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gij zijt priester

6 minuten leestijd

Op de hoogten is het eenzaam. Moeizaam worden de toppen bereikt. Het is niet de massa welke zich daar ophoudt, doch het zijn slechts enkelingen die in de zuivere wijde luchten genieten van het panorama dat zich voor hun oog ontrolt.

Ook op de geestelijke hoogte is het eenzaam. Het is meestal geen grote schare van pelgrims die ge er aantreft. Doch nu eens is het deze pelgrim, dan weer die, die zich verlustigen mag in de schatten des heils, ja in de God des heils.

Toch is het gemeenschappelijk toeven op geestelijke bergtoppen, Gode zij dank, niet uitgesloten, al vindt het helaas slechts sporadisch plaats. Het kan b.v. zijn onder de bediening des Woords, wanneer de Geest in de raderen is, dat zielen als het ware worden losgemaakt van al het aardse, dat er met een verwonderend oog geweid wordt en het gemeenschappelijk in een verheven psalm vertolkt wordt de zieleweelde welke wordt gesmaakt. Zodat er aan de voet of langs de flanken der bergen getuigd moet worden : Hoort, hoe der vromen tent weergalmt, van hulp en heil hun aangebracht. Hoort hoe men blijde zingt met dankbre psalmen : Gods rechterhand doet grote kracht.

Geestelijke hoogten, ze worden niet zo dikwijls beklommen en het toeven is er vaak zo kort.

Maar die, zij het ook meestal korte ogenblikken, zijn van onuitsprekelijke waardij. Vol van aanbidding, omdat men tegenover diep-doorleefde eigen ontrouw, Gods trouw zo, ziet schitteren ; omdat God Zich in Christus voor het geloofsoog openbaart. Dan kan er ook zijn die geestelijke door God geschonken vrijmoedigheid, die reeds in de oude dag een Job deed jubelen : ,,Ik weet, mijn Verlosser leeft".

Een klank vanaf zulk een geestelijke hoogte beluisteren we ook in Calvijn's woord :

,,Want wij, die in onszelf bevlekt zijn, maar in Hem priester, offeren onszelf en al het onze aan God, en trekken vrijelijk het hemels heiligdom binnen, zodat de offerande der gebeden en des lofs, die van ons komen, aangenaam en van goede reuk zijn voor het Aangezicht Gods".

Dit is inderdaad een taal die men niet elke dag beluistert, omdat het geestelijk leven van Gods kinderen helaas niet altijd op de hoogte zich bevindt. Die men niet elke dag beluistert, ook hierom niet, omdat zovele christenen vreemdeling zijn van dit geestelijke leven.

Toch spreekt Calvijn hier niet te hoog wanneer hij o.a. zegt: ,, Want wij, die in onszelf bevlekt zijn, zijn in Hem priester". Is dit niet geheel in overeenstemming met het Woord der Schrift dat getuigt ten opzichte van de gemeente des Heeren dat ze is ,,een koninklijk priesterdom" en dus de leden afzonderlijk priesters ?

Vandaar ook, dat we als titel voor dit onderwerp kozen : „Gij zijt priester".

Priesters en altaren. We vinden ze door de gehele Schrift, van begin tot einde getekend.

Reeds Abel offerde als priester.

En in het boek der Openbaringen lezen we van het altaar, waaronder de zielen dergenen die om het Woord Gods gedood waren. Het waren priesters, in de Nieuw-Testamentische betekenis van het woord, die hun leven Gode geofferd hadden.

En sinds de Hemelvaartsdag bevindt zich boven al de aardse priesters de hemelse voorbiddende en dankende Hogepriester, de Heere Jezus Christus, ten opzichte van Wie het tot aan het einde der dagen voor al de Zijnen zal gelden : „in Hem priester".

Er is een Nieuw-Testamentische priesterstand. Degenen die daartoe behoren zijn niet te herkennen aan een priestergewaad, doch ze hebben door de genade der wedergeboorte allen ontvangen een priesterhart.

Allengs is er in zulke godsdiensten een priesterstand opgekomen. Ook onder Israël, het is ons bekend, was er zulk een priesterstand. Toch is deze er van het begin af niet geweest. Abel, Kaïn, Noach, Abraham, zien we zelf het offer brengen. Later is Israël in zijn geheel een priesterlijk volk, overeenkomstig het woord dat de Heere door de mond van Mozes tot de huize Jacobs en de kinderen Israels liet uitgaan. In Exodus 19:6 luidt het immers : ,, En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn".

Na de bondsbreuk aan de Sinaï komt daarin echter verandering. Het priesterwerk wordt aan een afzonderlijke stam, aan Levi, toegewezen. Deze stam werd tot priesterstand verheven door Goddelijke verkiezing. Onderscheid werd nog gemaakt tussen het geslacht van Aaron, de broeder van Mozes, en de andere Levitische families.

Voor alles wat in betrekking stond tot het heiligdom en het altaar, hadden de priesters te zorgen ; zij alleen hadden de toegang tot tabernakel en tempel. De Levieten in het algemeen werden belast met alles wat verder tot de dienst van het heihgdom behoorde, zoals de bereiding van het reukwerk, het vormen van koren bij het psalmgezang, de bewaking, enz. Voorts waren er dan nog een soort van tempelslaven, die dienden voor de reiniging van Gods Huis, de voorziening van water, hout en alles wat diende te worden gedaan tot instandhouding van de openbare eredienst in Israël.

De Heere zorgde voor Levi: ,,Ik ben uw Deel en uw Erfenis".

Het Oud-Testamentische priesterschap stond in het teken van altaar en offer. Van dat altaar en van die offers ging een diepe en rijke sprake uit, evenals van het priesterschap zelf.

Een taal die het gelovige hart verstond.

Er werd o.a. het volgende in beluisterd : Geen gemeenschap met God zonder tussenkomst van een priester.

God moet verzoend worden.

Zonder offerande, zonder bloedstorting, geen verzoening, geen bedaring van Gods toorn.

Terwijl de zegen die de priester op het volk legde, getuigde van de verzoening door het offer aangebracht.

Zo had Israël in tabernakel- en tempeldienst, in priesterstand, in altaar en offers aanschouwelijk onderwijs. En toch, ook toen was het geloof onmisbaar. Uit het geloof leven, gold ook voor het geestelijk Israël van toen. Trouwens het zo juist genoemde zichtbare, was er niet altijd. Van Abel tot Mozes was er geen zichtbare tempel; in de tijd van Salomo tot de verwoesting van Jeruzalem waren er perioden van tempelondergang. Maar ook toen Israël wel zijn tabernakel en tempel had, waren deze voor het geestelijke leven alleen van betekenis voor zover ze met een geloofsoog aanschouwd werden. Zonder geloof was de zichtbaarheid een vloek.

Niet het zichtbare heeft de vromen onder het Oude Verbond staande gehouden, doch het geloof in Gods beloften, het gelovig beschouwen van de inzettingen Gods. Dit deed een David zingen : Och mocht ik in die heilige gebouwen. De vrije gunst die eeuwig Hem bewoog. Zijn liefelijkheid en schone dienst aanschouwen. Hier weidt mijn ziel met een bewonderend oog.

of dat andere schone psalmvers : „Zo ik niet had geloofd "

Het geestelijk leven onder het Oude Verbond had zijn middelpunt als het ware in priester en altaar, in Hogepriester en Arke des Verbonds. Doch deze allen waren slechts schaduwen, onvoldoende en onvolkomen. Ze spraken van een hoger priesterschap dan het Levitische en. van een hoger Offer dan de offers die op Israels altaren werden gebracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Gij zijt priester

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's