De Hoofdredacteur: Algemene Verzoening
In de eerste beschouwing aangaande de verhouding van geloof en wedergeboorte viel het accent op het innerlijk verband tussen deze beide. Men kan wel plaats geven aan de gedachte, dat de wedergeboorte logisch aan het geloof voorafgaat, maar men scheide ze niet van elkander.
Zou men daaruit de gevolgtrekking maken, dat het geloof als werking der wedergeboorte mag worden gewaardeerd, dan is dat als zodanig juist, doch alle geloof is niet wat de gereformeerde theologie als ,,zaligmakend" geloof onderscheidt. Men behoeft slechts te denken aan de uitdrukkingen ,,historisch" geloof, tijdgeloof, schijngeloof, die inderdaad recht hebben, zoals uit de gelijkenis van de zaaier reeds kan gebleken zijn. Wij staan daarmede op Schriftuurlijke grond.
Calvijn handelt in het derde boek van de „Institutie" over het geloof en merkt zelfs op, dat er een geloof kan zijn, dat als twee druppels water overeenkomt met het ware geloof zonder daarmede in werkelijkheid overeen te komen.
Daarom heeft de uitdrukking ,,zaligmakend" geloof een goede zin. De reformatoren hadden een voorkeur voor het woord zalig en zaligheid. Men lette ook op de Statenvertaling, welke dat bevestigt. De nieuwe vertaling daarentegen spreekt liever van heil in verschillende plaatsen, waar de Statenvertaling zaligheid heeft. Intussen hebben velen geen bezwaar tegen dat woord in het alledaagse leven om aan te duiden, dat men een of ander genot heel prettig vindt.
Het woord heil is op zichzelf niet vreemd aan de grondstekst, en wij kennen ook het woord Heiland reeds uit het Oude Testament. Denk ook aan het werkwoord helen, heelmeester, d.i. geneesmeester. Daarom kan men taalkundig geen bezwaar maken tegen de vertaling heil. En toch zullen velen de, reformatorische voorkeur voor zaligheid behouden. Het is persoonlijker, minder nadrukkelijk objectief, en beantwoordt aan de innerlijke vreugde bij het smaken van het heil. Vergelijkenderwijs herinneren wij aan de blijdschap, welke gepaard gaat aan de ervaring van de genezing na een ernstige ziekte. Voor de zieke is de aankondiging van de geneesheer, dat genezing mogelijk is, zeker moedgevend, maar als de genezing zich aan den lijve doet gevoelen, is er verheuging.
Zo kent ook het geloof de weldadige vreugde des heils, die het hart kan vervullen van zahgheid in de gemeenschap met Christus. Het woord zaligheid ziet op die levende betrekking tot het heil in Christus, wel te verstaan op het persoonlijke in die betrekking.
Wij hebben ook kunnen opmerken, dat de Heere Jezus Christus het woord wedergeboorte in een meer centrale zin gebruikt (Matth. 19:28), ziende op het grote gebeuren van Zijn opstanding en troonsbestijging, de wedergeboorte met al de omvang en inhoud van Zijn herscheppende arbeid.
De Heere spreekt hier tot de discipelen, die Hem gevolgd zijn, en zegt dan : ,,in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon Zijner heerlijkheid, dan zult gij ook zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israels".
Het kan duidelijk zijn, dat Hij spreekt als de machthebbende in de hemel en op de aarde en van de dag Zijner toekomst, als Hij zal oordelen de levenden en de doden.
Als de Christus zo centraal spreekt over de wedergeboorte en men vergeet de persoonlijke eis van Joh. 3 : , , Tenzij iemand wederom geboren wordt" enz., dan schijnt er aanleiding te zijn Om de wedergeboorte als een algemeen gebeuren der mensheid in de toekomende eeuw te nemen, gelijk sommigen doen.
Op verschillende bezwaren werd reeds gewezen, maar wij vragen, doet de Heilige Schrift mogelijk meer uitspraken, die zulk een opvatting schijnen te rechtvaardigen. Het is immers niet maar van vandaag of gisteren, dat zulke gedachten aanhang vinden. Wij denken aan de leer ener algemene verzoening en ook aan pelagiaanse dwalingen, die daaraan mede verwant zijn.
Welnu om een paar sprekende voorbeelden te noemen : Joh. 1 : 29 : „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld weg neemt", en 1 Joh. 2:2: „En Hij is een verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze maar ook voor de zonden der gehele wereld".
Dit is nog al algemeen! De zonde der wereld. Het staat er en nog eens : voor de zonden der gehele wereld. Daaraan valt niets weg te exegetiseren.
Er is geen zonde, waarvoor Christus niet is gestorven. Dat is op zichzelf een troost voor hem, die onder zijn zonde gebukt gaat en meent, dat zijn zonde te groot is om vergeving te erlangen.
Maar er staat, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt! Hebben zij dan hier gelijk, die zeggen, dat de mensheid sedert het offer van Golgotha in een andere situatie, een situatie van verzoend zijn is gekomen? Dat schijnt wel zo, want ook die andere plaats spreekt van een verzoening voor de zonden der geheld wereld.
Het staat er werkelijk zo radicaal als een feit van algemene strekking.
Wij gaan aan deze uitspraken der Heilige Schrift niet tornen en proberen niet die uit te leggen op een wijze, welke mogelijk beter past in het kader van beschouwingen, die aan die algemene zin begeren te ontkomen.
Het zou trouwens genoegzaam kunnen zijn te wijzen op de omgeving, waarin deze uitspraken staan, en die geenszins blijk geeft van een algemene toepassing tot kennisse Gods en tot zaligheid. Joh. 3 spreekt van de toorn Gods, die blijft op de ongelovige en 1 Joh. 2 ; waarschuwt voor de anti-christ en spreekt met onderscheiding van ,,de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt", (vs. 27).
Daarin ligt derhalve besloten, dat het wegdragen van de zonde der wereld door het Lam Gods, en de verzoening voor de zonden der gehele wereld, nog geen overwinning van de boze (vs. 13) voor allen betekent, geen deel geeft aan de kennis der 'waarheid (vs. 21), en aan de zalving (vs. 27), waarover in hoofdstuk 2 van de eerste brief van Johannes wordt gesproken.
Die algemeenheid der verzoening neemt niet weg, dat de toorn Gods op iemand blijft, als hij niet gelooft in de Eniggeborene des Vaders.
De Schrift zet deze dingen naast elkander, noemt ze in één adem, zonder tegenstelling.
Gaan wij nu twee mijlen mede met de leraren ener algemene verzoening op grond van deze en dergelijke uitspraken der Heilige Schrift: „een verzoening voor de zonden der gehele wereld".
Wij vragen niet, hoe kan anders de Christus een volkomen Verlosser zijn voor de Zijnen, als Hij niet een verzoening voor de zonden der gehele wereld ware? Want, wie onzer heeft geen deel aan de wereldzonde, aan de zonden der gehele wereld?
Ook in dit stuk spreekt de eenheid van het menselijk geslacht. Wij allen, die uit Adam stammen, hebben deel aan de zonde van allen. Ieder begenadigde heeft nodig van de zonden der gehele wereld verlost en bevrijd te worden, zal hij het Koninkrijk Gods beërven. Wie aan één gebod zondigt, is schuldig aan alle geboden.
Zo is er dan geen zondaar, voor wie de genade Gods in Christus ontoereikend zou zijn. Integendeel, zij is meer dan overvloedig over degenen, die Hem vrezen. Daarom zijn deze „algemene" woorden voor de zondaar zo troostrijk.
Maar nu die , .algemene" verzoening. Neem het maar algemeen en met betrekking tot de gehele wereld. Wat troost is daarin op zichzelf genomen dan gelegen?
Wat baat het ons, als onze zonden voor God in Christus verzoend zijn en wij hebben geen deel aan Zijn opstanding?
Christus heeft als het Lam Gods de zonde der wereld gedragen en heeft het oordeel der zonde op zich genomen tot in de dood. Hij is der zonde gestorven, zegt de apostel. Zo is in de dood van Christus de zonde der wereld verzoend. Dat lijdt geen tegenspraak.
Daardoor is de weg der genade geopend, maar de eerste, die ingaat is Gods heilig Kind Jezus door de opstanding uit de dood.
Nog eens, wat baat het een mens, dat Christus gestorven is, en de zonde der wereld heeft weggenomen, als hij blijft in zijn zonde en niet herboren wordt door de kracht van Christus' opstanding?
Als in ons, zondaren, geen nieuw leven W(jrdt ontvangen, staan wij altijd nog met onze zonden voor God.Houdt het er zelfs voor, dat gij u telkens weer voor God kunt beroepen op de verzoening der wereldzonde, maar gij blijft in uw zondenatuur en zondigt steeds weer. Ja, al kondt gij u tot in eeuwigheid beroepen op die verzoening en gij bleeft in eeuwigheid toch de oude zondaar, zou het eeuwig beroep op de verzoening u niet tot een eeuwig verdriet en oordeel worden?
Daarom roemen zij vergeefs op de verzoening der zonden van de gehele wereld, die van een wedergeboorte en de gemeenschap aan de opstanding van Christus niet willen weten.
Zo troostrijk die „algemene" verzoening is voor degenen, die door een waar geloof Christus zijn ingelijfd* en aan al Zijn weldaden deelachtig, zo veroordelend is deze voor hen, die daarop hun hoop willen vestigen zonder de' kracht Zijner opstanding te kennen. Deze zijn als degenen die zich schikken tot de bruiloft, doch zonder bruiloftskleed, en als de maagden, die geen olie voor haar lamp hadden.
Zij verstaan niet, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet kunnen beërven en dat het Koninkrijk Gods is geest en leven.
Het beroep op de ,,algemene" verzoening geeft dan ook geen beroep op de wedergeboorte in de toekomst des Heeren. Zij vergissen zich, die het zo stellen : hier een zondaar en daar gerechtvaardigd, want de nieuwigheid des levens vangt hier aan in een werkzaam' geloof, dat naar de Schriften is en vruchten brengt der bekering waardig.
Daarom heeft het zijn nut er acht op te geven, wat de Heilige Schrift leert omtrent het geloof en zijn werken, want het geloof is een levende functie van het heil in Christus.
De apostel Paulus weet er van, wat het zeggen wil, zondaar te zijn en tegelijk rechtvaardig voor God in Christus Jezus door het geloof. Hij weet van een verzoend zijn met God door de dood Zijns Zoons, toen wij nog vijanden waren, en van een behouden worden door Zijn leven. (Rom. 5 VS. 10).
Zo is dan het behouden worden, het heil, de zaligheid door het leven van Christus, terwijl de verzoening is door Zijn dood.
Waar het voor ons op aankomt is, dat wij met Christus één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, d. w. z., dat wij met Hem sterven, opdat wij ook met Hem opstaan. Wat in Christus is geschied en in Hem is, moet niet buiten ons blijven, maar het moet ook enigermate in ons zijn naar de kracht der gelijkmaking. En dat wordt openbaar in de werkingen des geloofs. In het geloof treedt de heerschappij der genade aan de dag, uit het geloof gerechtvaardigd, hebben wij vrede bij God door onze Heere Jezus Christus (Rom. 5 vs. 1), door het geloof hebben wij toeleiding tot die genade door onze Heere Jezus Christus (Rom. 5 vs. 2), dooi? het geloof roemen wij in de hope der heerlijkheid Gods. (Roni. 5 vs. 2).
En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is.
Ziedaar, hoe innig het geloof met de Heilige Geest is verbonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's