Gij zijt priester
II
In de Oud-Testamentische schemering wezen priesterschap en altaardienst henen naar hetgeen komen zou.
En in het licht van de Nieuw-Testamentische dag zien we achter de terzijde tredende priesters oplichten de Figuur van de Priester bij uitnemendheid, Jezus Christus, en zien we het altaar vervagen en plaats maken voor het Kruis van Golgotha.
Toen priesters en altaar. Nu, Christus en het kruis.
Toen het onvolkomen offer. Nu, het afdoende Offer. Zegt het Avondmaalsformulier niet dat het offer van Christus een volkomen verzoening is voor al onze zonden ?
Zo is dan door de komst van Christus het priesterschap in de Oud-Testamentische betekenis genomen, verdwenen. Maar in Hem is en wordt er een volk geformeerd tot een geestelijk priesterdom. Tot een koninklijk priesterdom. We mogen er ook wel aan toevoegen : tot een profetisch priesterdom. Want is het niet zo dat al de Zijnen in Hem, Die profeet. Priester en Koning is, ook tot profeten, priesters en koningen gesteld worden en deze drie ambten kunnen immers niet van elkander gescheiden worden ?
In Christus is Gods volk een priesterdom. Omdat Christus gestalte in hun hart gekregen heeft. En de gestalte van Christus is toch wel zeer in het bijzonder de gestalte van de Priester, van de Priester- Borg, Die Zichzelf als een Offerlam ter slachting liet leiden, om zo Zichzelf vrijwillig te geven tot een volkomen offer.
Christus — Priester. Had God de Vader Hem daartoe niet gezalfd en met ede gezworen : „Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek" ?
Christus — Priester èn Offer. We vragen : wat heeft dat Hem gekost? Onuitsprekelijk lichaams- en zielelijden. Onze zwakheden heeft Hij op Zich genomen. Niet alleen koude en hitte, honger en dorst heeft Hij verdragen, maar ook verachting, armoede en andere uitwendige noden. Doch daarnaast ook innerlijke aandoeningen der ziel, zoals vrees, droefheid, schrik des doods.
Christus heeft uit het lijden gehoorzaamheid geleerd en op die wijze heeft Hij Zich tot Priester gewijd voor onze zaligheid.
Diep is de lijdensweg van deze Priester geweest. Door bidden heeft Hij het zoeken af te wenden. In de hoogste angst Zijner ziel heeft Hij het uitgeroepen :,,Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan" en later horen we de kruisklacht: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? " Doch onder dit alles bleef Hij de weg der volkomen gehoorzaamheid bewandelen. Deze Priester offerde in Gethsémané gebeden en smekingen, met sterke roeping en tranen. Hoor Hem klagen : „Mijn ziel is ontroerd en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure? Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. Vader, verheerlijk Uw Naam!" Hierin beluisteren we de priesterlijke bede om gehoorzaamheid. En hierin beluisteren we ook het kloppen van het priesterlijk hart, gedrongen door de liefde Gods, liefde tot Gods onkreukbaar recht, maar ook liefde tot een zondaarsvolk.
Christus—Priester.
Het lam, dat eens op de Moria, waar Abraham zijn zoon Izaak op het altaar gelegd had, de plaats van Izaak in ging nemen, dat lam wees toen reeds heen naar het schuldovernemende en strafdragende Offerlam van Golgotha. Priester en Offerlam in één Persoon. Zo is Christus een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden. Gods toorn is door Hem gedragen, de schuld betaald, de vijand overwonnen, de dood gedood en het graf geopend. De zaligheid van Gods kerk rust in het priesterlijk ambt van Christus.
Priester, Hogepriester is Christus gebleven, ook na Zijn opstanding. Zoals een priester, nadat hij met het offer was binnengegaan in het heiligdom, daarna op grond van de verzoening, door het offer verkregen, het volk in de voorhof zegende, zo heeft ook Christus Zich daarna als de zegenende Hogepriester geopenbaard. ,,Mijn vrede geef Ik u. Mijn vrede laat Ik u", zo was Zijn zegenwens op de Paasdag en later. En op de Hemelvaartsdag vaart Hij met zegenende doorboorde Priesterhanden op naar het hemels heiligdom. Sindsdien staat er als het ware naast de Troon van God een altaar. Een altaar dat dagelijks bediend wordt door de verhoogde en voorbiddende Hogepriester, Die de namen van de 12 geslachten Israels op Zijn borst draagt. Daardoor is de troon van Gods majesteit voor al de Zijnen geworden tot een troon der genade, met een weer geopende toegang, die eerst versperd was door de rechtvaardige vervloeking van een vertoornd Rechter.
Gods kerk en Gods kind zijn toch wel rijk begenadigd.
In de hemel hebben ze een voorbiddende en tussentredende Hogepriester.
Hier beneden hebben ze engelen, die hen behoeden en bewaren.
In het hart hebben ze de Heilige Geest. En bij dit alles de belofte, dat de Heere ze in beide handpalmen gegraveerd heeft.
De apostel Johannes heeft geschreven, dat de wereld de geschreven boeken niet zou kunnen bevatten, indien al wat Jezus deed op aarde, beschreven zou zijn. Terecht heeft eens iemand in dit verband opgemerkt, dat dit nog veel minder het geval zou zijn, indien alles beschreven moest worden, hetgeen de voorbiddende Hogepriester in de hemel sinds Zijn hemelvaart gedaan heeft.
Is het wonder, dat in de onvergelijkelijk schone lofzang, die Paulus aan 't einde van Romeinen 8 aanheft, boven alles deze toon der dankbaarheid en der aanbidding opwelt: ,,Die ook voor ons bidt!"?
Op de hoogten van het geestelijke leven wordt van dit alles iets doorleefd. Zielsverkwikkend en geloofsversterkend is het, daar te vertoeven. Daar geldt het: ,,En zij zagen niemand, dan Jezus alleen". Daar beseffen de levende leden van Gods Gemeente er iets van wat het zeggen wil „in Hem gevonden te worden", terwijl het getuigenis des Heiligen Geestes hen verzekert, dat Christus niet alleen voor anderen, maar ook voor hen persoonlijk alles volbracht heeft.
„In Hem" verkoren. „In Hem" verzoend, geheiligd en gerechtvaardigd. „In Hem" aangenomen tot kinderen. Aangenaam voor God de Vader. ,,In Hem" ook priesters. Zo begrijpen wij de vrijmoedigheid van Calvijn, als hij daar staat op één van die geestelijke hoogtepunten en het uitroept: „Want wij, die in onszelf bevlekt zijn, maar in Hem priester, offeren onszelf en al het onze aan God en trekken vrijelijk het hemels heiligdom binnen, zodat de offerande der gebeden en des lofs, die van ons komen, aangenaam en van goede reuk zijn voor het Aangezicht Gods".
Als we iets van dit alles mede-doorvoelen, dan kunnen we iets van Petrus begrijpen, toen hij boven op de berg der verheerlijking tabernakelen wilde maken en we kunnen tevens ons indenken welk een schrijnende tegenstelling het voor hen was, toen zij afdalende van de berg aan de voet daarvan weer geplaatst werden tegenover de werkelijkheid van een discipelenkring, van een kerk, die de strijd heeft te voeren tegen de macht der duisternis, een kerk die zo vaak in klein- en ongeloof als machteloos openbaart komt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's