De Hofnar van Gelre
FEUILLETON
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
Maar thans, thans is zij geheel van eigen kommer en verdriet vervuld. Met lome stappen keert ze, soms wankelend als een dronkaard, naar heur eenzame woning terug.
Ach, wat gevoelt ze zich nu verlaten ! wat kwellen haar zorgen, onrust, vrees ! Als zij, naar gewoonte de wekelijkse biecht zal gaan doen, hoe dan te handelen ? Verzwijgen, dat ze ketters en spionnen heeft geherbergd ? Maar dat verzwijgen is een grote zonde, zegt de pater. Dus alles bekennen ? Maar dan verraadt ze ook haar jongen !
Ach ! .— Wanhopig zet ze zich in de ruwe leunstoel bij de tafel neer, waarop nog een stukske ongelkaars op de koperen kandelaar met een grote ,,dief" rossig staat te gloeien. Ze vergeet te snuiten, zij, anders zo in-zuinig. Met zenuwachtige haast neemt ze haar rozenkrans op, om troost te zoeken in 't afraffelen van paternosters en ave-maria's. Maar neen, ze kan heden niet bidden, altijd maar staat heur jongen haar voor ogen, en ze vindt geen troost, geen enkele, niets ! Ook de Heiligen laten de arme helemaal in de steek.
Zuchtend en steunend buigt ze zich, 't gelaat door beide handen bedekt, over de tafel heen, en onder snikken vallen eindelijk haar brandende oogleden dicht. God heeft haar de tijdelijke trooster in lijden gezonden : de slaap.
Eindelijk — flap ! de kaars dooft uit. Een smeulend puntje aan de ,,dief" geeft nog even een spiralend walmpje te zien.
Dan is het pikdonker in 't kleine vertrekje.
Hoofdstuk XI. Harderwijk belegerd.
Hattem is tem laatste, zoals te vrezen was, voor de krijgsmacht van Karel V, de jonge erfvijand van Gelres hertog, bezweken. Het overwinnende leger is daarop terstond naar Elburg opgetrokken, ten einde ook deze veste aan hertog Karel te ontrukken, hetgeen naar ieders berekening zonder veel moeite zal geschieden, want het stadje bevindt zich in slechte staat van tegenweer.
Anders dan in Elburg heeft men in Harderwijk gehandeld. Toen men hier vernam, dat 's Keizers troepen de Geldersen uit Friesland en Overijsel hadden verdreven, en daarop de strijd op Gelders grondgebied kwamen overbrengen, heeft de magistraat der stad besloten, zich tot een kloeke ontvangst van de vijand voor te bereiden, wel inziende, dat Harderwijk geenszins een vijandelijke insluiting zal ontgaan. Reeds in Mei is hij begonnen aan dit besluit gevolg te geven en wel in overleg met de bevelhebber der bezetting, Bruin van der Schuren. Men heeft ijverig gewerkt om de muren en rondelen krachtig te versterken. Ook heeft men de poorters gewapend, opdat zij in geval van nood de bezettingstroepen kunnen bijstaan. Bovendien vroeg men bijtijds de hertog om een grote hoeveelheid munitie.
No. 47 (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's