Gij zijt priester
III.
Gij zijt priester.
We kijken naar onszelf, naar onze allernaaste omgeving, en we trekken de kring al verder. En we vragen elkander af: : Waar zijn de priesters?
Tijdens de woestijntocht der kinderen Israels gebeurde het dat de dienaar van Mozes tot hem kwam en hem vertelde dat er twee mannen in het leger profeteerden. En het antwoord van Mozes luidde : ,,Och, of al het volk des Heeren profeten waren, dat de Heere Zijn Geest over hen gave !"
Zo mogen we ook wel de wens uitspreken : Och, of alle leden der gemeente priesters waren.
Het is er helaas ver vandaan. Ge zoudt de opmerking kunnen maken : maar ge kunt toch niet verwachten dat alle gemeenteleden hoofd voor hoofd priesters zijn? Het is immers niet alles Israël wat Israël heet? Inderdaad. En toch, toch mogen we ons er hiermede niet te gemakkelijk afmaken. Dit mag voor ons persoonlijk nooit een verontschuldiging zijn, indien we ons niet als priesters openbaren.
God heeft Zijn strijdende kerk hier op aarde gesteld tot een priesterdom. En wanneer wij door Doop of door Doop èn Belijdenis lidmaten van Gods gemeente zijn, wanneer we de naam van christen wensen te dragen, dan hebben we er ernst mede te maken dat Gods gemeente een koninklijk priesterdom is.
Tot allen die de naam van Christus dragen gaat de roepstem uit : sta af van ongerechtigheid, wees heilig, want Ik ben heilig. We zouden er ook aan toe kunnen voegen : wees priester.
Dit is de goddelijk klemmende eis, waarvan we ons niet af kunnen noch mogen maken door het uiten van een of andere vrome wens en dan weer over te gaan tot de orde van de dag. Indien we ons christen noemen, doch geen priester zijn, dan hebben we één van twee volgens Gods Woord te doen, n.l. óf onze christennaam te laten varen of ons te bekeren.
Wanneer we deze dingen zeggen, is het niet om de mens te tekenen als bekwaam tot enig goed, aangezien de Bijbel zo duidelijk leert dat hij daartoe geheel onbekwaam is. Noch doen we dit uit remonstrantse overwegingen. Doch wél om de eis des Heren scherp op ons te laten inwerken, zodat we ons niet achter onze onmacht zouden verschuilen, maar onze verantwoordelijkheid en dure roeping zouden gevoelen.
De bekende godzalige Engelse schrijver Andrew Gray zegt in één van zijn kostelijke preken : ,,Het Evangelie heeft ons geen hinderpalen in de weg gelegd om ons met Christus te verenigen en om de vruchten van het Evangelie deelachtig te worden, doch het toont integendeel, dat ons gemis aan gewilligheid het grote beletsel is, dat wij zelf in de weg leggen : zoals duidelijk blijkt uit Joh. V : 40 : „Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben". Ja, elders zegt deze schrijver : ,, Ik gebied u te geloven".
Dit is zo opmerkelijk en leerzaam bij Gray, dat hij enerzijds de mens zijn volle verantwoordelijkheid voor ogen stelt, maar anderzijds ook Gods vrije genade. Het is er verre vandaan dat hij de mens iets verdienstelijks zou toeschrijven of hem een oppervlakkig geloof zou aanpraten. Integendeel, hij heft waarschuwend zijn vinger op, wanneer hij zegt dat er christenen gevonden worden die beweren te geloven, terwijl ze nooit de weeën der nieuwe geboorte gehad hebben. Dat zijn mensen, zo zegt hij, die de godsdienst aanvatten, vóór de godsdienst hen aanvat. We kunnen het geloof maar niet opnemen als het ons lust, doch het is een vrucht der, wedergeboorte, een verkregen geloof.
Zo is het nu ook met het priester-zijn. Enerzijds ligt er de eis priester te zijn voor allen die de naam van christen dragen, doch anderzijds is het louter genade priester te mogen zijn in Hem.
Gij zijt priester.
Wanneer we dit waarlijk zijn, dan zullen we als priester zeker niet vreemd zijn aan het brengen zowel van schuldoffers als van dankoffers. De eerste offers worden gebracht, wanneer men het stuk der ellende doorleeft. Gods offers toch zijn een gans verbroken geest, door schuldbesef getroffen en verslagen. Dit offer kan alleen Gods heihg oog behagen, 't Is nooit bij Hem veracht geweest.
Maar ook bij het beleven van het stuk der verlossing en der dankbaarheid worden de offers gebracht, „'k Zal liefde en lof voor U ten offer mengen, in 't heiligdom, waar het volk vergaderd is".
Het dankoffer zal des te groter zijn, naarmate er meer beseft wordt duur gekocht te zijn, naarmate men meer oog krijgt voor de smarteweg, welke het Lam Gods heeft moeten gaan om Zijn gemeente te kunnen verheffen tot een koninklijk priesterdom. Ze weten zich priesters, doch priesters alleen bij de gratie Gods.
Waarlijk priester zijn, dat wil o.a. dit zeggen, dat men diep van de noodzakelijkheid der verzoening doordrongen is. Geen priesterschap zonder schuldoffers. Indien men de werkelijkheid van Gods toorn niet meer kent, zal men ook nooit de werkelijkheid van Gods vergeving kennen. Een rechtgeaard priester onder het Oude Verbond was er zich diep van bewust dat men voor het Aangezicht van de heilige en rechtvaardige God niet zou kunnen naderen, zonder dat door het bloed der verzoening de zonde was uitgedelgd. Vandaar dat we uit Israels tempelzalen het psalmlied kunnen beluisteren: Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven. Die van de straf voor eeuwig is ontheven.
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt. Voor 't heilig oog des Heeren is bedekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's