De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Hoofdredacteur: Verzoening en Verlossing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Hoofdredacteur: Verzoening en Verlossing

9 minuten leestijd

In het voorafgaande kon worden opgemerkt, dat de Schrift geen algemene verzoening leert in de zin van een algemene verlossing. Verzoening en verlossing zijn trouwens niet hetzelfde. Verzoening der zonden sluit nog geen verlossing van de verzondigde natuur in. Verzoening is nog geen overgang in een nieuw leven, geen wedergeboorte, herschepping of vernieuwing.

Indien de verzoening van de zonde der wereld afdoende ware, zou God genoegen nemen met de zonde. God zou met de wereld verzoend zijn.

Deze gedachte. schijnt niet ver verwijderd van de opvatting, welke er van uitgaat, dat zonde eigen is aan onze creatuurlijkheid, ja, dat zonde eigenlijk slechts een ander woord zoii zijn voor creatuurlijkheid.

Dan echter wordt Golgotha een onoplosbaar raadsel. Immers als creatuurlijkheid als zodanig voor zonde zou gehouden moeten worden, waarom moest het Woord vlees worden ? Ja, waarom moest de Christus lijden en sterven ? De Heilige Schrift kent geen andere oorzaak van de vleeswording dan de zonde, waardoor de menselijke natuur alzo verdorven werd, dat zij onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.

Als de zonde nu niet anders zou zijn dan onze creatuurlijkheid, dan ware de Schepper als zodanig auteur der zonde en dan ware zonde geen breuk met de gerechtigheid, doch heel eenvoudig schepselmatig en normaal.

De Schrift leert echter, dat alle schepsel Gods rein is en nadrukkelijk deelt zij mede, dat God he: t werk Zijner handen aanschouwde en ziet, het was zeer goed !

De Heere zou ook Zijn eigen schepsel niet veroordelen, als het goed ware gebleven. Dat immers zou in strijd zijn met Zijn gerechtigheid. Het is echter ook diezelfde gerechtigheid, welke toornt over de mens, die zich moedwillig zet tegen Zijn heilige wil.

Aangezien de toorn Gods oorzaak vindt in onze zonden, kan deze niet gestild worden doordat God de opstandige mens maar voor goed neemt, alsof hij in gehoorzaamheid zijn God diende.

Zulk een God ware toch een ziehge vertoning, erger dan de afgoden en hun dienaren, met wie de profeet de spot drijft, (Vgl. Jesaja 44:16 vv.).

Tot dergelijke voorstellingen geeft de heilige Schrift trouwens allerminst aanleiding. Zij bestaan slechts in het brein van de mens, die zichzelf tegenover God wil handhaven.

Het staat in de Schrift juist andersom. God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende, en heeft het Woord der verzoening in ons gelegd. (2 Cor. 5 vers 19).

Zelfs de niet-toerekening der zonden brengt daarin geen verandering, dat God in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende was. De mens zal derhalve God hebben te erkennen en te dienen gelijk Hij Zich in Zijn Woord openbaart.

De Heere buigt in Zijn genade tot de mens neder en is in de Zoon Zijner liefde zelfs ingekomen in onze ellende en dood, maar juist in deze weg, wil Hij Zijn goddelijke Majesteit verheerlijkt hebben. Hij is God en Hij zal Zijn eer aan geen anderen geven.

Verzoening betekent niet alleen, dat God in de weg Zijner genade een zoenoffer heeft gegeven voor de zonde der gehele wereld, maar verzoening betekent die God der Schriften erkennen, Hem in het gelijk stellen. Hem aanbidden en uit Zijn genade willen leven.

Het is er dus verre vandaan, dat God de zonde niet ernstig zou nemen en dat Hij te zeer verheven zou zijn boven onze creatuurlijkheid om zich met ons aardse doen en laten te bemoeien.

Dat wij in Christus een verzoening hebben voor de zonde der gehele wereld is een Schriftuurlijke waarheid, welke ons tot een oordeel zal wezen, indien wij daarin een vrijbrief voor een zondig en onbekeerlijk leven willen zien en een wissel op het eeuwige leven.

Ook de apostel Paulus, die getuigt van deze dingen : ,,want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende", voegt daaraan toe : ,,Wij bidden u van Christus' wege, laat u met God verzoenen". (2 Cor. 5.: 19).

En dat niet, opdat gij u blijft gedragen naar de gedachten der mensen, maar ,,op dat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem!" (vs. 21).

Derhalve mogen wij niet blijven staan bij een objectieve verzoening in Christus, alsof wij daarmede het heil in Christus deelachtig konden zijn, en van verlossing gewagen.

Doch al is het ook zo, dat verzoening op zich zelf gezien nog geen verlossing inhoudt, toch mogen wij aan de andere kant verzoening en verlossing niet scheiden, omdat zij in Christus niet gescheiden zijn.

Het is dezelfde Christus, die in onze dood in ging wegens de vloek, die op ons was, dezelfde ook, die opstond in de nieuwigheid des levens. Hij is gekomen, opdat Hij Zijn volk zou zalig maken.

In Zijn Middelaarswerk laten zich twee delen onderscheiden. Overeenkomstig het theologisch spraakgebruik is daarin een weg der vernedering en een weg der verhoging. De weg der vernedering is de weg van het offer, die eindigt in de dood. Dit is de weg der verzoening. „En gelijk het de mensen gezet is éénmaal te sterven en daarna het oordeel, alzo ook Christus éénmaal geofferd zijnde om veler zonden weg te nemen, zal ten andere male zonder zonden gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid." (Hebr. 9:27 v.).

Wat verwachting zouden wij nu hebben, als Christus in de dood gebleven ware ? Hij, de onschuldige, zou zich tot een offer gegeven hebben voor de zonden der wereld. Zeg, dat de vrucht van dat offer ware, dat de zonde niet wordt toegerekend. Wij hebben daarop reeds eerder de aandacht gevestigd, dan bleven wij desondanks toch in de zonde.

De apostel spreekt dat heel erg duidelijk uit in 1 Cor. 15: 17: ,,En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs en zo zijt gij nog in uw zonden".

Maar het graf kan het einde niet zijn van een verzoening, welke door God was bestemd een verlossing te zijn van de heerschappij der zonde.

Dezelfde Christus, die is gestorven, is ook dezelfde, die is opgestaan ten eeuwigen leven. In Hem is de nieuwe mens opgewekt. De Zoon des mensen, die is gestorven om onze zonde, is opgestaan in heerlijkheid om onze rechtvaardigmaking (Rom. 4:25).

De verlossing is in Christus dan ook niet los van de verzoening, want God heeft Zijn heilig kind Jezus tot zich genomen. De verhouding met de Zoon is nooit gebroken geweest, want de Zoon doet de wil des Vaders, maar , God is verzoend met die mens, die Hij in Christus aanschouwde, omdat Hij geen zonde gekend of gedaan heeft. Deze toch kon zeggen : Wie uwer overtuigt Mij van z onden ?

Omdat God met hem verzoend was, daarom werd hij niet aan de dood prijsgegeven, maar opgewekt ten eeuwigen leven.

Zo is er in Christus een onmiddellijk verband tussen verzoening en verlossing, omdat Hij tegelijkertijd de Middelaar der verzoening en der verlossing is.

In Zijn Middelaarswerk liggen verzoening en verlossing verbonden. God was in Christus de wereld verzoenende met Zichzelf.

In Christus is de verzoening niet een verzoend worden, maar verzoenende daad. Die daad begint met de vleeswording des Woords, zijnde de vereniging met de mens der aarde in gelijkheid des zondigen vleeses. Maar in die vereniging van de goddelijke en de menselijke natuur werkt ook de herscheppende kracht des Zoons louterend op de menselijke natuur, welke Hij aangenomen had.

En zo is ook de verlossing in Christus een goddelijke acte. De verzoenende daad is de inleiding en voorbereiding van de verlossende daad.

Daarin is een hogepriesterlijk en koninklijk werk volbracht jegens Zijn uitverkorenen, die in de val van Adam meegesleurd onder de macht der zonde onder de vloek waren weggezonken in verlorenheid.

Ook zij waren besmet met de zonden der wereld en in het geweld des duivels gevangen. Om hen aan de heerschappij van zonde en Satan te onttrekken, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen en heeft Hij het oordeel over ons geslacht op zich geladen en gedragen tot in de dood. De bezoldiging der zonde is de dood. Daarom is Hij, die geen zonde gekend heeft, tot zonde gemaakt, toen Hij de menselijke natuur aannam in de weg der geboorte uit een vrouw.

Hoewel Hij de Zoon des Allerhoogsten is ondergaat Hij als de Zoon des mensen het oordeel der zonde tot in de dood des kruises, en betoonde daarmede, dat Hij de vloek der zonde heeft gedragen. Hij onschuldig voor de zondaren, in wier plaats Hij vrijwillig de bezoldiging bracht, welke zij niet brengen konden. Dat is Zijn plaatsvervangend, hogepriesterlijk werk om verzoening teweeg te brengen. Hij heeft de schuld voldaan. Niet alleen, omdat Hij de eerste Adam in gerechtigheid Gode heeft voorgesteld, maar ook, omdat Hij de straf der zonde en de toorn Gods gedragen heeft als een onstraffelijk lam. (Jes. 53).

Wij delen allen in de wereldzonde, in de zonde van de gehele wereld en de straf der zonde is voot een iegelijk onzer de eeuwige dood. Doch als Christus in onze dood ingaat als de Heilige en Rechtvaardige kan de dood Hem niet houden. Hij overwint de dood en wordt opgewekt in nieuwigheid des levens. Een natuurlijk lichaam is gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt.

Zo werd in Christus de aardse mens, die Hij had aangenomen door de geboorte uit een vrouw herschapen tot een geestelijke mens. (1 Cor. 15).

En zo kan het duidelijk zijn, dat wij geen deel zullen hebben aan die geestelijke mens, als wij geen gemeenschap hebben in Zijn opstanding. En het kan ook duidelijk zijn, dat daarin de verlossing gegeven is, dat wij deel hebben aan die levensvernieuwing.

Verzoening en verlossing mogen ook in ons leven niet gescheiden worden, noch ook alleen maar buiten ons blijven. Wat verzoening en verlossing in Christus betekenen, kunnen wij alleen leren in de gemeenschap Zijns lijdens en stervens en de gemeenschap Zijner opstanding.

Van de verlossing spreekt de apostel PaulUs verder in drieërlei zin : Die ons uit zo grote dood verlost heeft en nog verlost, en op welke wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal!' (2 Cor. 1 VS. 10).

Men ziet hoever de apostel verwijderd is van een alleen objectieve verlossingsleer. Hij hee[t ons verlost. Dat ziet zonder twijfel op het heil, dat geschied is.

Die ons nog verlost, ziet op het geloofsleven en de levende hope.

Die ons nog zal verlossen, ziet op de toekomst der heerlijkheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Hoofdredacteur: Verzoening en Verlossing

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's