De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

9 minuten leestijd

Onkerkelijke stromingen

XXVI

Op gevaar af, al te wijdlopig te worden, moet ik hier toch ook iets zeggen over bovengenoemd onderwerp. De predikant kan immers in zijn ambtsbediening ook telkens met dergelijke stromingen in aanraking komen en ik zou u nu eenmaal hier vertellen, wat een domine op dit terrein alzo ontmoeten kan.

Intussen brengt de weergave van deze dingen niet mede, ook de namen van bepaalde voorm.annen te noemen of het ontstaan van die verschijnselen te verklaren. Een feit is het dat men in verscheidene Gemeenten nog dergelijke onkerkelijke mensen aantreffen kan. In de steden zeer zeker ook ; maar men ontmoet hen daar heel zelden. Zij vormen daar een geheel aparte kring en hebben verder geen invloed. Het stadse! leven leent zich daar immers niet voor.

Neen, de onkerkelijke mensen beheersen gewoonlijk de dorpen.

Ter voorkoming van misverstand zij hier nog even gezegd, dat wij dus niet bedoelen de onverschillige, godsdienstloze mensen, de onkerksen tevens, maar de onkerkelijken, die oefeningen houden op eigen hand. Zolang zij zich in een dorp rustig houden, heeft men niet direct last van hen, al is hun invloed hier en daar te bespeuren. Anders wordt het evenwel, wanneer zij in actie komen en zelf ,,gezelschappen" of ,,oefeningen" houden buiten de kerk om. Dan werken zij tegen, wat zij kunnen. Ontmoeten zij ergens een predikant, zij zetten zich aanstonds in postuur. ,,Die mannen van de fabriek" wekken hun haat op.

Staat er in zulk een Gemeente een predikant, die volk trekt, dan zeggen zij : ,,dat is de rechte niet". De ware dominees moeten de kerk leeg preken, dat de onbekeerden het er niet meer houden kunnen".

De volle kerk is het dus, die hun de ogen uitsteekt. 

Nu zou men zich van deze dingen niets behoeven aan te trekken, wanneer eigen gemeenteleden er zich niet aan stoorden. Maar dat is het nu juist: Omdat zij zelf menigmaal geen klaar en zuiver Schriftuurlijk inzicht hebben in de Waarheid, laten zij zich van die kant teveel aanleunen. Men ziet op tegen dat volk als ,,het volk" en wil er eigenlijk niets kwaads van horen.

Blijft men nog bij zijn predikant kerken, men neemt zo dikwijls een houding aan als wil men zeggen : ,,kan ik u geloven of niet ? "

Een kerkeraadslid vertelde mij eens van één hunner : „die man zou u wel eens gaarne ontmoeten."

Mijn antwoord was: ,,hij kan mij in de kerk horen, wanneer hij er lust in heeft".

, , Dat heb ik hem ook al gezegd", was zijn bescheid, "maar de Heere had hem te zien gegeven, dat hij geen voet in de Hervormde Kerk mocht zetten".

Natuurlijk wilde ik gaarne weten, wat hij daarop geantwoord had, maar het enige, wat hij zei, was : „dat hij daar af moest blijven".

Ik heb dat Kerkeraadslid er op gewezen, dat hij het dus met de man eens was óf dat hij bang voor hem was.

Alsof dat ooit een openbaring Gods kon zijn, dat men geen voet meer zetten mag in een kerk, waar de Waarheid verkondigd wordt.

Wat is er al een misbruk gemaakt van het: „de Heere heeft mij te zien gegeven!"

Er zijn ook duivelse gezichten. Dat is natuurlijk koren op de molen der onkerkelijken, wanneer sommige gemeenteleden zulk een houding aannemen.

Het is alsof zij het roken wanneer iemand in de kerk eens getroffen werd onder het Woord. Zij hadden zeker hunne overbrengers. Onmiddellijk gingen zij die persoon bezoeken en dikwijls was dit het einde, dat zulk een mens voor de kerk verloren ging. Voortaan voegde hij zich bij het gezelschap.

Ik heb eens getracht, een man er van af te brengen. Hij had, naar zijn eigen zeggen, een zegen ontvangen onder de prediking des Woords in de kerk. Niet lang daarna hoorde ik dat hij „een gezicht" had gehad en ik zag hem in de kerk niet meer.

Ik ging hem opzoeken en vroeg, wat de reden van zijn wegblijven was.

Hij antwoordde, gehoord te hebben van anderen, dat ik in de preek iets gezegd zou hebben, dat op hem sloeg.

Wat hij nu ten gehore bracht, was te gek, om los te lopen. (Het overkomt een voorganger trouwens wel meer, dat de een of ander meent, dat domine hem bedoelde).

Ik vroeg de man ook naar ,,het gezicht", waarmee hij al (onbewust misschien) naam begon te maken.

Nu, dat kwam op het volgende neer : Op zekere avond had hij een uur te bed gelegen, toen hij daar plotseling de Engel des Heeren met uitgetogen zwaard voor de bedstede zag staan.

Hij was zó bang geworden, dat hij de vrouw gewekt had. Zij waren toen beiden opgestaan, (de Engel des Heeren was dus blijkbaar weer verdwenen) hadden al het personeel geroepen en waren een paar uur om de tafel blijven zitten. Er gebeurde verder niets en zij waren daarop weer ter ruste gegaan.

Dit was alles en de man had er zijn naam aan te danken, dat hij van God bekeerd was.

Ik heb de man er op gewezen, dat „dit gezicht" geen bekering was. Dat hij een en ander kon beschouwen als een ernstige, bijzondere roepstem Gods. Dat de waarachtige bekering er nu op volgen moest, omdat het anders nog tegen hem zou getuigen.

Dezelfde avond van de dag, waarop ik hem bezocht, stapten de onkerkelijken het erf bij hem op, met „een oude schrijver onder de arm. Ik was zeker bespioneerd. Zij namen de man over met ,, gezicht en al".

Er tegen in te gaan, baat eenvoudig niets. Hard met hard te willen keren, zou ons hoe langer hoe verder van de weg afbrengen.

Het beste zal wezen : rustig voort te gaan in het geloof; alle eigen naam ook hieronder te verliezen en de uitkomst in s Heeren handen te leggen.

Natuurlijk sluit dit niet in, hen zoveel mogelijk uit de weg te gaan. Die mensen moeten zelfs niet de indruk krijgen, dat wij bang voor hen zijn. Wij hebben niets te verbergen. Wij hebben ook niets te vrezen. Maar met hen te gaan debatteren IS vrij nutteloos. Wanneer het wederkerig , vertrouwen er niet is ; ja, wanneer wantrouwen er tussen zit, houd dan maar liever op ! Zij zien u toch aan voor een blinde en onbêkeerde. Zij maken toch alles verdacht, wat gij zegt. Wanneer gij van genade spreekt, dan zeggen zij: „Daar zijn paaltjes in de genade, domine !"

Dan kunt gij gevat zijn en zeggen: ,, 's Heeren goedheid kent geen palen". Het helpt u alles niets.

Wat kunnen zij ook smalend opmerken: „de Geest is uit de kerk geweken !" Het is in het geheel niet moeilijk, om dan te vragen : ,, Wie gaf u dit te kennen ? "

Direct hebben zij het antwoord klaar en laten er op volgen : ,,Het echte volk komt er niet."

Houd maar liever op, want als gij zo voortgaat, dan vragen zij u op hun beurt: „Wanneer de Geest des Heeren niet uit de kerk geweken is, bewijs dat dan zelf en vertel ons eens, wat God aan uw ziel deed".

Onwillekeurig denken wij hier aan die woordvoerder der leugenprofeten, Zedekia, de zoon van Kenaana, die Micha. op het kinnebakken sloeg en zeide: 1 Kon. 22 VS. 24b : ,,Door wat weg is de Geest des Heeren van mij doorgegaan, om u aan te spreken? "

Dikwijls meent men in die kringen het monopolie van het bezit des Geestes te hebben. Men wil u zo gaarne in de hoek drijven, opdat gij er toe zoudt overgaan, ook eens iets van u zelf te vertellen, om dan ,,dat iets" met verachting in een hoek te kunnen trappen.

Slechts éénmaal heb ik iemand uit die kringen een ogenblik stil gezien en wat bewogen, toen ik hem vroeg : „En als gij nu van God bekeerd zijt, en gelooft, dat ik onbekeerd ben, hebt gij dan ooit voor mij gebeden, of de Heere mijn hart nog veranderen mocht? "

O, als die mensen wisten ! Zeker, daar zijn huichelaars en bedriegers onder, die 't heel goed weten; althans weten kunnen. Doch zó zijn zij niet allen. Daar zijn er ook, die het werkelijk menen. Wier le­vensopvatting werkelijk zo is. Die geloven, dat zij ziende zijn, en anderen blind. O, als zij wisten, wat kwaad zij deden. Zij willen zuiver in de leer zijn. Er niet licht overheen gaan, naar hun zeggen. Maar meten zij toch eigenlijk niet met tweeërlei maatstaf?

Wanneer men zich maar bij hun clubje voegt; dezelfde wijze van zuchten en uitwendigdoenerij overneemt, men laat van al zijn zogenaamd zware eisen op de duur waarlijk wel wat vallen. Men ziet van „de vrienden" nog wel eens heel wat door de vingers. De roep gaat al spoedig : „In die of die is ook wat werkzaam !"

Men kan elkander ook aansteken met zijn bekommerdheid.

Wee het volk, en de leraren, die zelf bekommerde mensen maken, inplaats dat de Heere het doet.

Hier ligt wel een geheim, dat nog niet door zovelen begrepen wordt. Het is één van mijn bedenkingen (en er zijn er meer) die ik in het algemeen heb niet alleen tegen de onkerkelijke kringen, maar ook tegen die, waar men het bevindelijke leven meer tot onderwerp van prediking en gesprek gemaakt wil zien : Men blaast de verschilpunten met anderen op tot iets groters, dan zij in werkelijkheid zijn.

Men wil niet letten op dat, wat vereent ; men staart zich blind op hetgeen scheidt.

Ik spreek hier van de kinderen van één volk, dat op de grondslag van Gods Woord en de Belijdenisschriften staat. Niet alles is gereformeerd, wat zich als zodanig aandient, maar wij moeten ons toch wachten voor woorden- en muggenzifterij.

Overal zoekt men wat in; overal zoekt men wat achter, om het direct tegen iemand uit te spelen.

Wil men ook niet verstaan, dat de ene mens nu eenmaal wat „subjectiever", en de andere wat „objectiever" aangelegd is? Wat is er tegen, als het bij beiden maar niet overslaat tot subjectivisme of objectivisme?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's