Kunst en Religie
Een expositie van bijbelse kunst in Delft en een cantate-eredienst in Amsterdam stellen ons dezer dagen weer voor de moeilijke vraag naar de verhouding van kunst en religie.
In het Delftse Museum Prinsenhof kan men tot 12 Augustus een keur van bijbelse kunst bezien, bijeengebracht uit binnen- en buitenland. Bijbelsche geschiedenis wordt ons voorgesteld in schilderijen, etsen, sculptuur, boeken en gobelins. Het accent wordt vooral gelegd op de geestelijke inhoud.
De kunstcriticus van ,,Trouw" (15 Juli 1952) wijst er op, hoe de catalogus van 358 nummers uit kunst-historisch oogpunt gezien, een zeer waardevol boekwerk is, maar dat deze catalogus uit jde circulatie is genomen, omdat de beschrijving van de onderwerpen helaas niet Christelijk is.
Hier stuiten we op een zeer wonderlijke tegenstelling. Bijbelse kunst kan kunsthistorisch uitnemend zijn en tegelijk bijbels onaanvaardbaar.
De harmonie tussen bijbelse kunst en religie schijnt derhalve niet apriori vast te staan. Er kunnen tegenstellingen zijn, of zijn het twee verschillende vlakken, die elkaar amper raken?
Deze problematiek dringt zich ook op aangaande de cantate-dienst in de Westerkerk te Amsterdam. Op Zondagavond 15 Juni j.l. leidde ds. H. A. Visser een dienst in de Westérkerk, waaraan meewerkten het Westerkerkkoor, Bach-orkest en enige solisten.
De bedoeling was een kerkdienst te houden en daarom werd begonnen met orgelspel, votum, groet, gemeentezang en schriftlezing, terwijl men eindigde met gemeentezang en zegen.
In de dienst werd uitgevoerd cantate no. 75 van Joh. Seb. Bach ,,Die Elenden sollen essen". Tussen de beide delen hield ds. Visser een prediking van ruim een kwartier over Joh. 6 : 27 : „Werk niet voor de spijs, die vergaat, maar voor de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal".
Wij geven in dit artikel geen beoordeling van het gegevene — de uitvoering van de cantate berustte in deskundige handen — maar stellen wel de vraag naar de vorm, waarin deze uitvoering werd aangeboden, n.l. als kerkdienst.
Ongetwijfeld geeft zulk een cantatekerkdienst een ontroering, maar de vraag is gewettigd -- denkend aan Delft — welkq ontroering ? Een religieuze of een aesthetische impressie ?
Meestal merkt men ten aanzien van deze vraag op, dat Bach zijn cantates en passionen voor de eredienst heeft geschreven en dat dus dit strenge onderscheid tussen religieuze of aesthetische ontroering niet gemaakt mag worden.
Wij erkennen, dat Bach deze bedoeling heeft gehad, maar vragen ons daarbij af of het juist is deze werkelijkheid zo maar bonder meer óver te brengen in 'Nederland, waar de zaken aangaande de verhoudingf religie-kunst zo geheel anders liggen dan in Duitsland.
De Duitser gelooft zingende, de kunst en de religie zijn daar meer een harmonische eenheid dan bij ons. In Nederland ligt dit alles zeer gespleten.
Het kunstminnend publiek van de concertzaal valt niet samen met de gemeente, die des Zondags de kerkruimte vult.
En omdat dit alles bij ons gespleten ligt is het gevaar groot dat de gemeente zich uit de cantate-k; erkdiensten terugtrekt en de kunstliefhebber deze diensten om het kunstgenot gaat bezoeken — gratis toegankelijk — en daarbij het preekje op de koop toe neemt.
Het accent zal in deze diensten meer op de aesthetische uitvoering en het kunstgenot vallen dan op de schriftuurlijke Woordbediening en de beleving dezer verkondiging.
Men heeft jaren lang de strijd aangebonden tegen de natuurlijke rlihgie, juist in dat land, waar deze diensten al jaren bestaan. We vrezen dat door deze diensten hier te lande de natuurlijke religie weer zijn kansen krijgt, wanneer men door deze cantatediensten voor religie gaat aanzien wat in werkelijkheid aesthetische ontroering is. Vooral in deze tijd, waar de kennis der Openbaring zo zeer geslonken is.
Natuurlijk zijn er ook mensen, die beiden in hun geestelijk leven kunnen combineren , — Bach zelf was een vrome man — maar de gespletenheid is heden ten dage te groot dan dat er van een groot aantal derzulken sprake kan zijn.
Ook dringt zich nog een homiletische kwestie op : Het Gereformeerd protestantisme heeft vier eeuwen lang de eredienst gezien als dienst des Woords, te weten de dienst van het Woord door het gesproken woord, clara voce, met heldere stem (Calvijn) naar Paulus' woord : het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het (gepredikte) Woord Gods.
In deze sobere diensten heeft men zich bewust gesteld vanaf de Reformatie tegenover de rijke liturgische diensten der kerken van de Lutherse Reformatie.
En zo zien we dat naast de vele liturgische stijlen in onze Hervormde eredienst ook een typisch Duits Lutherse eredienst bezig is zich een plaats te veroveren.
De vraag diene onder ogen gezien te worden of dit dienstig is als we letten op ons volkskarakter en onze Gereformeerde eredienst-opvatting.
Dienen wij het geestelijk beginsel van ons volk hiermee gezien de ervaring van de laatste decennia Duitse kerkgeschiedenis ?
Dit zijn zo de vragen rondom de teruggenomen catalogus in Delft en de cantate kerkdienst in Amsterdam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's