De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit en over het Dienstboek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit en over het Dienstboek

9 minuten leestijd

Dr. H. Bout

In het ontwerp-dienstboek voor de Ned. Hervormde Kerk wil men een indruk geven, in welige richting de arbeid aan het dienstboek zich bgweegt. Het is dan ook van grote betekenis na te gaan, of en zo ja, welke veranderingen in de oude formulieren zijn aangebracht en welke de inhoud is van de nieuw opgestelde.

Deze keer is aan de orde de Bediening van de H. Doop., Er zijn in het nieuwe ontwerp vijf formulieren ten gebruike voor de bediening van de H. Doop en bovendien is er nog een bijlage : Voor de bediening van de H.Doop, waarin een orde van dienst wordt voorgesteld zonder prediking. Een bediening van de H. Doop, zonder dat daarmede verbonden is een dienst des Woords, wijzen wij af. Reeds op het Convent van Wezel in 1568 is besloten dat de Doop zoude bediend worden nergens anders, noch op enige andere wijze dan in de samenkomsten der kerk bij de prediking en de catechismus. De Synode van Dordrecht (1618/19) heeft vastgelegd: Doch ter plaetse, daer niet soo veel Predicatien ghedaen worden, salmen enen sekeren dach ter weke verordenen, om de Doop extraordinaerlijck te bedienen, soo nochtans, dat t' selve sender Predicatie niet en gheschiede".

In de formulieren wordt er van uitgegaan, dat in het algemeen de bediening des Woords aan die van het Sacrament voorafgaat. Dit is liturgisch juist; de klemtoon valt op het Woord in de Kerken der Reformatie; het Woord eerst en daarna en op grond daarvan het Sacrament. Dit was ook de practijk in de bloeitijd van de Hervormde Kerk. Men kende wel bezwaren : Smijtegelt b.v. klaagt, dat er predikanten waren, die het formulier in haast afraffelen, omdat de dienst anders te lang zoude duren. Zij „brabbelen het daer wat heen". Zij lezen zonder hart en zonder eerbied en de gemeente hoort heit oneerbiedig aan. Deze bezwaren blijven ook, als, zoals tegenwoordig bijna overal geschiedt; eerst de H. Doop bediend wordt en daarna een korte prediking wordt gehouden. Uit de aard der zaak behoort de volgorde tot de middelmatige dingen ; het zal in deze tijd goed zijn op de eerste plaats, die aan de prediking toekomt, altijd weer de klemtoon te leggen, zeker niet het minst bij de bediening van de Sacramenten.

Formulier I van het Dienstboek is het oude formulier, zoals dit in onze Kerkboeken voorkomt én door de Synode van Dordrecht is aanvaard en vastgesteld. Hier en daar zijn enige woorden voor het juist begrip vervangen, b.v. ,,zodat wij in het rijk van God niet kunnen komen, ten zij wij van nieuws geboren worden" ; in de oude redactie lezen wij; mogen komen. Deze verandering is taalkundig verantwoord, omdat mogen in betekenis is veranderd, en sluit geheel aan bij de woorden des Heeren in Johannes 3 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. (Joh. 3 vs. 3, 5). Daarnaast zijn verscheidene oude uitdrukkingen gehandhaafd, b. v; overzulks. (Hierover schrijft Chr. Stapelkamp in Ger. Theol. Tijdschrift, 40ste j., 1940, pag. 325 vv. : Taalkundige opmerkingen over het Doopsformulier)! 

Ons formulier stamt uit de klassiek' Gereformeerde tijd en draagt daarvan geheel het stempel. Als in 1566 het Psalmboek van Datheen uitkomt, komt daarin ook voor tevens de Heid. Catechismus een aantal formulieren, waaronder een formulier te gebruiken bij de bediening van de H. Doop, dat een omwerking is van een formulier in de Palts in gebruik. Dit formulier werd in 1574 op de provin^ dale Synode van Z.-Holland te Rotterdam verkort en de Synode van 1578 van Dordrecht heeft dit als het officiële formulier aangenomen en erkend.

Zeer sterk legt ons formulier de nadruk op het Verbond, waarin onze kinderen geboren zijn ,, Waaruit dan volgt, dat de kinderen der gelovigen niet worden gedoopt, opdat zij alsdan eerst kinderen Gods zouden worden, alsof zij tevoren vreemd zouden zijn aan de kerk, maar dat zij veelmeer in de kerk worden opgenomen, omdat zij alrede tevoren uit kracht van Gods beloften tot het lichaam van Christus behoorden." (Calvijn, Inst., IV- 15, 22).

Er zijn in de loop van de tijd heel wat kwesties gerezen ten aanzien van de vragen, die aan de Ouders gesteld worden. De eerste vraag stamt uit 1566. Hoewel onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn en daarom aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelve onderworpen, of gij niet bekent, dat zij in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten Zijner Gemeente behoren gedoopt te wezen ? Wat betekent het nu, dat deze kinderen in Christus geheiligd zijn ? Men heeft wel bezwaar gemaakt om van de kinderen, van wie men geen persoonlijke belijdenis kan verwachten te zeggen : zij zijn in Christus geheiligd. Zo veranderde men deze vraag soms door het woordje „zijn" te schrappen : Dat zij in Christus geheiligd, als lidmaten van Zijn gemeente behoren gedoopt te wezen ? Dan werd dus de mogelijkheid van heiliging in Christus erkend, maar de werkelijkheid daarvan op de achtergrond geschoven.

Meerdere malen hebben zowel Classes als part. Synoden zich tegen willekeurige veranderingen van het formulier moeten verzetten en zij hebben de betrokken predikanten vermaand.

Anderen hadden geen bezwaar tegen het geheiligd in Christus, omdat men uitging van de onderscheiding tussen een uitwendig en inwendig Verbond, waaruit een uitwendige en inwendige heiliging voortvloeide. Toch gaat dit niet op. Waar ouders inderdaad zullen kunnen belijden, dat hunne kinderen in Adam verloren liggen en in zonden ontvangen, daar kan ook beleden worden : In Christus geheiligd. Niet een belijden met de mond en niet uit gewoonte of. bijgeloof, maar zo dat de verlorenheid der kinderen in Adam wordt beleden, omdat men zelf dit geleerd heeft door de bediening des H. Geestes. Terecht zegt Brakel : „Geheiligd zijn wil niet zeggen, dat de kinderen nu in waarheid het beginsel des geloofs, der wedergeboorte en heiligmaking deelachtig zijn. Ook niet, dat alle te dopen kinderen en in het bijzonder dit mijn kind uitverkoren is en bekeerd en zalig worden zal, maar in het algemeen, dat de kinderen der bondgenoten, uit kracht van het verbond met de bondgenoten en hunne kinderen opgericht de goederen daarvan in rechte hebben en in bezitting zullen deelachtig worden".'

Een uitwendig verbond wijst Brakel af ; de sacramenten zijn geen zegelen van een uitwendig verbond, maar alleen van het genadeverbond.

,,Indien men met die woorden wat anders wil dan in het verbond der genade zijn, gelijk men schijnt te willen, dan kan ik niet begrijpen, op welke grond zij hun kinderen laten dopen, daar er toch geen andere grond van dopen is dan het Verbond der genade, waarvan de Doop een zegel is" (Redelijke Godsdienst, dl I. hoofdst. 39; par. 26).

Allerlei vragen zijn ook gerezen in verband met de tweede vraag, die nu zo luidt : Of gij de leer, die in het O. en N. Testament en in de art. des Christelijken geloofs begrepen is en in de Christelijke Kerk alhier geleerd wordt, niet bekent de waarachtige en volkomene leer der zaligheid te wezen. Dit is ongeveer de vorm, die de vragen hadden in 1566, waar ook ,,hier" was opgenomen. Nu is er verschil van mening over de vraag, of niet de Synode van den Haag in 1586 een andere formulering heeft aanvaard : ,,en dienvolgende in Christelijke Kerk geleerd wordt". Trigland ontkent dit; hij is hier wel een autoriteit maar het is wel mogelijk, dat hij hier de dingen zich niet goed herinnert.

De Remonstranten wilden van de formulering ,,in de Christelijke Kerk alhier", niets weten. Meer dan eens maakten de Remonstranten bezwaar om bij deze vraag ja te zeggen, indien de voorganger sprak over de leer, die hier geleerd wordt. Het is zeer wel mogelijk, dat de oude lezing : in de Christelijke Kerk alhier op de Synode van den Haag in 1586 is veranderd in ,,dien volgende in de Christelijke Kerk geleerd wordt", maar dat na de Synode van Dordrecht in 1618/19 het oude is hersteld. Het is mogelijk, dat deze verandering door de drukkers-uitgevers is aangebracht ; Trigland klaagt, dat deze maar raak drukken.

Hoe deze dingen ook historisch liggen •— in elk geval bedoeft ja zeggen op de vraag, zoals die thans, in ons formulier wordt gesteld, niet is insterriming met de leer, die de voorganger van deze dienst brengt. Met de beantwoording zeg ik veelmeer ja op de leer van de Kerk. In dit verband mogen wij er op wijzen, dat de H. Doop in zijn betekenis en kracht niet afhangt van de waardigheid van de dienaar, want, zegt Calvijn, het hangt er niet van af, wie de brief brengt, als de handtekening maar bekend is van de afzender. Bij de Wederdopers herleefde de dwaling van de Donatisten, die de waardigheid van het Sacrament lieten afhangen van de waardigheid van de dienaar. ,,Ofschoon degenen, die ons doopten nog eens zo grote nietweters en verachters Gods en der ganse godvruchtigheid waren, zo hebben zij nochtans ons niet gedoopt tot de gemeenschap van hun onwetendheid of goddeloosheid, maar tot het geloof van Jezus Christus, want zij hebben aangeroepen niet hun eigen, maar Gods naam (Calvijn, Inst. IV, 15, 16). Wij bedoelen niet, dat wij onze kinderen nu maar ergens laten dopen om hen maar gedoopt te krijgen, het doet er immers toch niet toe wie hen doopt.

Onder allerlei wind van leer kunnen wij niet opgaan en dat geldt ook van de dienst der sacramenten, maar de kracht van de Doop hangt niet af van wie de H. Doop bedient.

In de derde vraag wordt aan de ouders een belofte voor de onderwijzing van het kind gevraagd in de voorzegde leer :

Of gij niet belooft en voor U neemt (dat betekent niet maar een los opgevat voornemen, een plan hebben, maar of gij op U neemt, dus of het uw vaste voorne­men is deze kinderen, waarvan gij vader (of moeder of getuige) is in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen of te doen en te helpen onderwijzen ?

(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit en over het Dienstboek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's