Een domine vertelt
Onkerkelijke stromingen
XXVIL
Eens kreeg ik een collega op bezoek, die 's avonds zou preken in de Gemeente, waar ik juist met pak en zak was gearriveerd. Ik zat dus midden in de verhuisdrukte en was bezig, mijn boeken uit te zoeken, alvorens ze op hun bestemde plaats te zetten.
Die collega was een man van naam ; dezelfde, om wiens wil ik later ongenoegen kreeg met een kerkeraadslid, waarover ik reeds schreef. Ik kende die collega nog wel uit mijn studententijd. Het lag dus voor de hand, dat hij even bij mij aankwam.
„Ik wist niet, " zo sprak hij, „dat gij aanstaande Zondag al intree deedt, anders had ik die spreekbeurt hier niet op mij genomen. Gij staat dus weer voor een gewichtig ogenblik in uw leven. Ziet gij er nog tegen op ? "
„Wel wat, " gaf ik ten antwoord, maar ik zal maar denken :
„Welzalig hij, die al zijn kracht En hulp alleen van U verwacht".
Onze medebroeder trok hierbij, ik weet zelf niet, wat voor gezicht en zeide: „Dat Psalmvers is zeker wel waar, maar daar ligt anders nog al wat in, in dat woordje : „al". Wij lezen daar nog al eens overheen".
Hierin lag duidelijk van zijn kant opgesloten de verdenking, dat ik die regels wat hchtvaardig had aangehaald. Daarom klonk het wat kort van mijn zijde :
„Natuurlijk ! AL Zijn kracht of helemaal geen kracht !"
Dat gesprek werd niet verder voortgezet, maar het Kerkeraadslid, dat er bij tegenwoordig was, heeft het aan anderen oververteld en er bijgevoegd : „Ik was het meer eens met ds. X, dan met ds. K."
Dat had ik dan ook wel gedacht. Hoe gewichtiger wij soms met of over een woord „doen", des te beter wil dat er bij velen in. Al beweer ik hiermee niet, dat die collega dat niet meende.
Overigens een mager genoegen : elkan^ des soms te willen vangen op een woord, hoezeer één woord meer of minder er vaak heel wat toe doen kan.
Of ik dan iets tegen bevinding of bevindelijke prediking heb ?
Dat ligt er aan of het de gezonde bevinding is, uit de H. Schrift geput en daar in gegrond.
Paulus zegt ook in Rom. 5 ,,Want wij weten, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt en de lijdzaamheid bevinding en de bevinding hoop "
Tegen zulk een bevinding heb ik niet alleen niets, maar ik acht die zelfs noodzakelijk. Door de werking des H. Geestes heeft zij een ontdekkende, vertroostende en opbouwende invloed.
Daarom moeten de dienaren des Woords wel terdege voor zich zelf toezien, dat zij niet tengevolge van het drijven of voorstaan ener ziekelijke bevinding van sommigen in de Gemeente, in een tegenovergesteld uiterste terecht komen.
Want het is er zó mee gelegen, dat men aan sommige predikanten bemerken kan, waar zij staan of gestaan hebben, in hun felle oppositie vaak tegen alles, wat ook maar naar het bevindelijke zweemt. Dat is jammer en dat wreekt zich ook. Ligt het niet voor de hand, dat Gpds ware kinderen er behoefte aan hebben, om ook eens te mogen vernemen, wat er op de weg achter Christus aan al zo kan worden doorgemaakt ? Dat kan tot hun lering dienen.
Wie het zou durven wagen, om dit te negeren, moet zeker zelf nog weinig of niets kennen van de heilsgeheimen Gods in Christus.
Staat Gods Woord, b.v. de Brieven van Paulus, hier en daar niet van het bevindelijke leven vol ?
Wanneer dus een volk wegloopt, omdat het in de kerk zulk een prediking niet verneemt, zij het ook wel de waarheid in het algemeen, dan is dat jammer en niet goed te keuren, maar het is toch te begrijpen en mede de schuld van de voorgangers zelf.
Er is in de strikt voorwerpelijke prediking iets neutraals, dat er niet in mag wezen. De verkondiging van het Evangelie is toch geen dorre opsomming van feiten. Geen dode aflezing van enige Wets- en Genadeartikelen, al weet ik wel, dat de Heere machtig is, ook dat nog aan iemands hart te heiligen.
Hier ligt dus voor de bedienaar des Goddelijken Woords een dure roeping. Hij heeft daar op de kansel te staan niet als een koud, voorwerpelijk wezen, dat mechanisch zijn werk doet, als raakte het hem zelf niet. Maar zó, dat de Waarheid zijn eigen ziel doorstroomt en in gloed zet.
Hij staat daar niet, om bevindelijke waarheden te verkondigen, waaraan hij zelf part noch deel heeft; want dat is niet anders dan een napraten van bevinding en kan bij de goede luisteraars slechts weerzin opwekken.
Wanneer de waarheid der vrije genade Gods aan mijn eigen hart hart geheiligd werd, wanneer somtijds een voorsmaak der eeuwige vreugde in Christus mijn ziel doorstroomde, dan zal ik daar toch bij tijd en wijle van getuigen mogen. Dan zal dat ongetwijfeld in mijn prediking aan de dag treden, al betekent dit niet, dat ik mijn persoonlijk leven van a tot z op de kansel breng. Het gaat om de wondere leidingen Gods en de grootheid van Zijn Naam. Het , , ik" is er uit weg en moet er uit weg blijven.
Zo kan er in een prediking wel eens meer bevinding zitten, dan de oppervlakkige luisteraars hadden verondersteld. Het is ook hier weer de vraag, wat men onder bevinding verstaat. Een onbekeerd mens weet er toch eigenlijk niets van en hij wil er toch altijd weer over meepraten.
Vele hoorders zijn al tevreden, wanneer zij de woorden „bevinding" en „bevindelijk" af en toe maar horen onder de preek. Daarbenevens enkele geijkte termen, die zij van buiten kennen. Maar vooral iets uit de bekeringsgeschiedenis van dominee zelf.
Ik meende anders, dat Paulus zo grif niet was met het vertellen van zijn bekering.. Maar als hij niet anders kon en het dus deed, dan ontving God er alleen de eer in.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's