Dan nóg......
Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen als ik tot U riep. Psalm 31 vers 23,
Het Boek der Psalmen bevat een anatomie van alle delen der menselijke ziel, zegt Calvijn ; alle smarten en droefheden, alle vreze, twijfel, hoop, zorgen en benauwdheden, waardoor de harten der mensen heen en weer gedreven worden, heeft de Heilige Geest hier het levendigst verhaald. Nergens vinden wij zo rijke lof van de bijzondere genade Gods jegens Zijn Kerk, nergens zovele bewijzen van de vaderlijke zorg des Heeren ; als wij door twijfel geplaagd worden, hier kunnen wij leren strijden, totdat de bevrijde geest wederom zich tot God verheft.
Niet altijd leeft Gods volk op berghoogten ; in het boek der Psalmen niet het minst zien wij, in welke diepten de vromen soms verzonken geweest zijn ; zij belijden hun kleingeloof en hun wantrouwen van de Heere en hun verdenken van de goedheid Gods. Zij zitten soms in zulk een dichte mist, dat alle uitzicht hun benomen is en vanuit de diepten der vertwijfeling hebben zij geklaagd en geroepen. Zij hebben gebeefd in de storm en in hun vertwijfeling was er niemand, die hen steunde.
Zo vinden wij het in deze psalm ; het stormt hier; het gaat van diepte naar hoogte en dan eens en nog eens dezelfde weg. Ook dit vers spreekt in één adem van diepte en hoogte : diepten van menselijk kleingeloof en wantrouwen van de macht en wijsheid Gods en onmiddellijk daarmede verbonden van hoogten van Goddelijk erbarmen en neerbuigende genade.
De diepte : ik zeide in mijn haasten : ik ben afgesneden van voor Uw ogen. De hoogte : Dan nog hoordet Gij de stem mijner smeking, als ik tot U riep. Genade maakt oprecht: de psalmist wil niet groter schijnen dan hij is of geweest is ; hij belijdt eerlijk : dit had ik gedacht. Hij gaat alles vertellen tot roem van Gods genade ; bij de genade wordt de mens klein en God groot.
Het waren moeilijke dagen, die hij moest meemaken : Hij zat in grote nood (vs. 1, 2); zijn vijanden hebben hem een net gespannen en loeren op zijn leven (vs. 5. 9, 16) ; het was hem bange, van verdriet werd hij verteerd (vs. 10), zijn kracht was gebroken ; niemand bemoeide zich meer met hem ; hij was vergeten, als een dode (vs. 13) ; eenzaam ging hij zijn Weg; zijn leven werd bedreigd (vs. 14); de hoogmoed zijner vijanden benauwde hem (vs. 21, 24). In dit alles erkende hij, dat hij rechtvaardig om de wille van zijn zonde bezocht werd : door zijn ongerechtigheid was zijn kracht vervallen, (vs. 11).
Als deze man zich nu maar door de Heere als zijn schild bedekt gevoelde, als hij maar wist: de Heere is bij mij, dan was er geen reden om versaagd te zijn. Want de Heere is de sterkte van Zijn volk ; als alles hem ontviel, als hij dan zijn God maar overhield, maar dat was nu het verbijsterende : het was hem, alsof de Heere de deur had dichtgcwbrpen, alsof de hemel voor hem gesloten was, alsof de Heere voor gcsd de band had doorgesneden. Stel u voor, ergens op de Oceaan een sleep in een vliegende storm; wat een benauwend vragen: zullen de trossen het houden? En als dan de trossen afknappen of misschien wel moeten worden afgekapt; dan drijft het gesleepte schip hulpeloos, stuurloos, prooi van wind èn golven — dat betekent: verloren! Zo is het bij de psalmist: ik ben afgesneden. Of wilt u een ander beeld : een ontploffing in de mijn, vallend gesteente sluit de weg naar boven leri naar buiten volkomen af — alles wordt donker, en als men tot zichzelf komt, dan weet men : wij zijn afgesneden ! Afgesneden, dat betekent de dood, alsi niet van buiten af hulpe komt.
Afgesneden, dat lezen wij in Klaagliederen 3 vs. 54 : De wateren zwommen over mijn hoofd ; ik zeide : Ik ben afgesneden. (Zie ook |K1. 3 ys. 18 v.).
Of ook in Ezechiël 37 vs. 11 : Onze verwachting is verloren ; wij zijn afgesneden.
Afgesneden d.w.z.: Hij heeft zijn hand van mij afgetrokken. God, de enige, die voor mij zorgen kan. Hij, op Wien ik in alles aangewezen ben. Als ik Hem niet heb, dan mis ik alles.
Afgesneden d.w.z. : verstoten, vergeten, verlaten. Nu zijn alle banden doorgesneden ; voor de wereldling is dat het ideaal. Adam en Eva braken met de Heere, sneden de band door en meenden, dat het toen eerst recht goed zou worden in hun leven, maar vloek en dood kwamen, met alles, wat daarbij behoort. Voor wie de Heere vreest is dat het ergste, wat zich denken laat: Een God, die zich niets aan mij laat gelegen liggen, die alle band heeft doorgesneden en zegt: Ik kan met u niet te doen hebben. O, wie zichzelf heeft leren kennen, kan de Heere niet van onrecht beschuldigen, als Hij zich zou losmaken van een onheilig en boos mensenkind. Maar dat is nu het rijke : de psalmist meende, dat de Heere hem verstoten had, maar het was niet waar. Tot roem van Gods genade moest hij het belijden : ik zeide het in mijn haasten.
Deze psalm is een Messiaanse psalm. Met de woorden uit deze psalm is de Heere Jezus gestorven. De Geest van Christus beduidt en betuigt ook in deze psalm het lijden, dat over Christus komen zou en de heerlijkheid, daarna volgende (1 Petr. 1 VS. 11). Van de Middelaar Gods en der mensen gold het, wat hier de psalmist zegt: Christus is afgesneden geweest uit het land der levenden, afgesneden van voor Gods aangezicht, van God verlaten, maar daarom kan het formulier zeggen : Hij van God verlaten, opdat wij nimmermeer van Hem verlaten, maar altoos tot Hem genomen zouden wórden.
Och, zegt gij, als ik dat nu maar wist, dat dit voor mij is. Maar ik kan mij niet voorstellen, dat er voor mij genade is. Zou echter iemand niet in de genade delen, die de genade op zulk een hoge prijs stelt, dat hij zegt: Heere, zonder Uw genade kan ik niet, in leven, noch in sterven !' Zou iemand buiten de genade staan en toch om genade roepen? Zou iemand buiten Christus staan, die buiten Hem niet kan leven?
De Psalmist belijdt zijn zonde van wantrouwen van de Heere. Als het dan uit is, wel, zouden wij zeggen : leg u er bij neer, er is niets aan te doen; zoek het dan maar opnieuw in de wereld, waarin gij het vroeger hebt gezocht. Maar de wereld is hem de dood geworden, hoe zou hij daarin kunnen leven? De smaak uit de zondedienst is hem weggenomen. Het wonder Gods wordt daarin openbaar, dat deze man naar de Heere wordt uitgedreven. Van nature gaat des mensen weg van God weg : de goedertierenheden des Heeren leiden niet tot bekering en de oordelen Gods verootmoedigen niet. De Psalmist echter wordt onweerstaanbaar naar de Heere voortgedreven, uitgedreven, want de Heere is hem de fontein des levens.
Dan nog heeft hij tot de Heere geroepen ; alles in hem en om hem zegt: Houd er maar mee op. Hij kan het niet nalaten.
Dat is de enige weg, waarin de zegeningen Gods uit de volle hemelschuren afdalen in het ledige hart. Afgesneden, dat is een dichte deur. Voor die deur stond ook de psalmist in Psalm 116, waar alle troost hem ontzonk, omdat banden des doods hem omgaven en angsten der hel hem omringden. Maar straks daalde de hemel in zijn ziel, : Toen hoorde God ; de Heere is groot, genadig en rechtvaardig en een Ontfermer op het gebed.
Dan nog hoorde de Heere. Zou er voor de Heere niet alle reden zijn ons gebed te verwerpen en voorbij te gaan? Maar de psalmist troost een mens, die zich met eigen gebeden niet troosten kan. Hij troost met wat God is voor een kleingelovig, wankelmoedig, wantrouwend mensenkind.
Ik zeide : nu is het uit — en daar heb ik ervaren, toen ging het eerst recht beginnen ; de Heere schaamt zich niet om van zulke mensen God te zijn. Toen ging de poort van de hemel open, toen ik meende : het kan niet meer, want door mijn zonden heb ik die wel voor altoos dichtgeworpen ; toen werd mij geopenbaard, wie Christus voor een zondaar is, toen ik meende, dat er voor mij geen hoop was om van zonde en schuld ooit af te komen. Het leven Gods wordt geboren aan de rand van het graf. De psalmist klaagde over de dood, maar uit het leven. Het is hem menens geweest in zijn gebed ; hij kon niet leven zonder de Heere en Zijn zalige gemeenschap. Het heimwee zijner ziel heeft hem zo machtig gevangen.
Daarom zal de klacht niet het einde zijn, maar de lofzang ^^ niet van eigen doen en laten, maar van Gods goedertierenheid, die niet naar zonde deed, noch vergold naar ongerechtigheid, maar die vasthield, die met verborgen ondersteuningen des Geestes een schier vertwijfelend mensenkind bleef schragen. Deze man bleef roepen, omdat de Geest des gebeds het vuur der genade in de ziel onderhield, zodat hij afhankelijk blijft pleiten op de goedertierenheden des Heeren. Van het einde des lands roep ik, als mijn geest in mij overstelpt is. (Ps. 61 : 3). Paulus klaagt over de tweespalt in zijn binnenste : als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij ; het goede, dat ik doen wil, doe ik niet, zulks door de macht van de inwonende zonde. Maar het omgekeerde is óok waar : Als ik het kwade doe, ligt het goede mij'bij. Het kwade van wantrouwen en verdenken van de Heere was bij de psalmist en het goede Gods kwam aan de dag, als hij het bidden niet laten kon, want op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest en dien, die voor Mijn Woord beeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's