Een domine vertelt
XXVII. Onkerkelijke stromingen
Wat is de bevindelijke prediking toch eigenlijk anders, dan dat (om het nu maar heel kort te zeggen) de tweeledige Waarheid van zonde en genade onze ziel doorgloeit en dat het dan zó doorgegeven wordt, zoals de Geest het geeft uit te spreken? Wat dunkt u b.v. van Petrus' rede op; de Pinksterdag na de uitstorting des Heiligen Geestes? ,,Een zeer onbevindelijke preek", zouden velen zeggen, als zij niet wisten, dat het een rede van Petrus was.
Zij bevat niet anders dan een verdediging tegen dronkenschap, de Schriftuurlijke Christasverkondiging en een zware beschuldiging.
Dit alles is Petrus zelf door de ziel gegaan. De naam „bevindelijk" of „onbevindelijk" is op deze rede niet toepasselijk.
Eigenlijk moet dat met de prediking in het algemeen het geval zijn. Immers elke prediking moet een Christusverkondiging zijn, al erkennen wij, dat het éne onderwerp het andere niet is. Wij zagen reeds, dat er teksten zijn, die het geloofsleven van Gods kinderen als zodanig tot onderwerp hebben.
De opvatting van sommigen komt echter hierop neer, dat een Christusprediking de onbevindelijke en een preek over mij zelf de bevindelijke zou zijn.
Behoef ik thans nog te zeggen, dat dit absoluut onjuist is? Men mag de scheidslijn zó niet trekken.
Waarom horen vele mensen in gereformeerde Gemeenten gaarne een preek, die in de volksmond „bevindelijk" heet? Want dat is toch zo.
Vraagt men hun : „Zijt gij zelf al op de weg, dat gij daaraan zulk een behoefte schijnt te hebben? ", dan antwoorden zij: „Neen, wij zijn nog onbekeerd, maar wij willen toch wel gaarne horen, wat er op de weg ten leven voorvalt".
Dus onbekeerd, maar dan toch belangstellend? Men weerspreekt min of meer zichzelf.
Toch is deze manier van zeggen wel te verklaren. Het Woord Gods zelf is het niet, dat de belangstelling wekt en trekt, want dat kent men al lang, maar het bekeringsverhaal. De prediker moet zelf zeggen, wat hij ondervonden heeft. Gij moet weten, dat het heel wat gemakkelijker is, om daarnaar te luisteren, dan naar een strenge wettische preek, waarin de puntjes op de i gezet worden.
Onder de eerste predikatie wordt men zelf met rust gelaten; onder de tweede niet. Want de speciale voorliefde voor ziekelijk-bevindelijke prediking (wij bedoelen de christenprediking), moet zeer zeker een oorzaak hebben.
Wat is nu het gevaarlijke in deze dingen? Ongetwijfeld, dat men van zijn bevindingen een grond gaat maken.
Ik zeg er bij, dat het niet van allen geldt. Daar zijn er bij, die de Heere, onder alle vreezen door, liefhebben, al zou men hun gaarne een ruimere blik toewensen, ook ten opzichte van de éne heilige, algemene, christelijke Kerk. Maar de gevaren, die er in alle aardse, christelijke kerken liggen, zijn evenzeer bij hen aanwezig, al zijn ze dan van enigszins andere aard.
Zitten wij in de Hervormde Kerk nog altijd met leringen, die niet naar de H. Schrift zijn en begint dat in andere kerken al evenzeer aan de dag te treden, de onkerkelijken hebben ook aan liet hunne genoeg. Ook zij hebben hun leergeschillen. Hun verstarring in Farizeïsme.
Zij kunnen zo knus bij elkander zijn, zolang het kringetje klein is, maar wordt het groter, dan is dat spoedig uit.
Vooral daar maakt men van mensen nogal eens afgoden.
In het bijzonder wat de prediking aangaat : dat ongezonde bevinding preken zal die kleine kerken en secten nog parten spelen. Dat moet zich wreken. Wat voor uitwerking zal dat hebben op het jongere geslacht, dat genoodzaakt wordt onder zulk een prediking neer te zitten?
Voor zover zij over de dingen nadenken, zullen zij zeggen: ,,Wij hebben daar niets aan. Er wordt vaak geen woord tot ons gesproken, maar alleen over de bevindingen van Gods volk".
Dergelijke uitingen heb ik meer dan eens onder die jonge mensen vernomen. Wat moet er van dat jonge geslacht op de duur groeien, dat onder dergelijke predikingen aan het wegsuffen gaat? Dat kweekt op de duur een doodgepreekt en daarmee een onverschillig volk, dat nog aan de ouderwetse vorm vasthoudt, maar waar ten enenmale het rechte leven ontbreekt.
Ik spreek hier alleen over wat ik zelf o.a. las of hoorde en noem dus maar enkele dingen :
Ten eerste ontbreekt onder hen heel veel de echte, gezonde Schriftverklaring. Dat kan ook niet anders. De voorgangers hebben de Bijbel zelf in het oorspronkelijke niet leren lezen en moeten zich er dus mee behelpen, wat anderen er van zeggen of schrijven.
Niet, dat de meeste hoorders zich daar veel van aantrekken. De Schriftverklaring is voor de meesten maar bijzaak. Eigenlijk kon die naar hun gedachten wel worden gemist. Op de toepassing komt het aan.
Maar zó spreekt het Woord Gods zelf niet meer. De voorganger legt zijn eigen gedachten in de tekst en maakt er van, precies wat hij wil.
Ten tweede wordt er gesproken op een wijze, die op zijn zachtst gezegd, misverstand kweken moet. Wat dunkt u b. v. van deze uitdrukking :
,,En gelijk Hiskia in de dagen van ouds kirde als een duive, mochten wij zo ook nog eens een hele kir geven, of als het mocht wezen, een halve, ja een kwart kir !"
Dit wordt toch eigenlijk profanie. Van heilige, intieme dingen een vertoning maken.
Of deze uitdrukking : ,,Mochten wij nu maar eens zuchters worden om een zuchtje !"
Daar hebt gij het nu. Dat wil men eigenlijk, wanneer men het onder een gezond gereformeerde prediking niet meer houden kan.
Zó diep moet het nu gezegd worden, denken velen.
Maar is dat nu zo diep als het schijnt ? Hoe wordt zulk een uitdrukking vanzelfsprekend door een oppervlakkig gehoor (want dat zit daar even goed als bij ons) opgevat ? „Zuchten alleen is niet genoeg. Niet diep genoeg. Zuchten om een zucht moet het worden".
Ik moet dus bij God leren zuchten, of Hij mij een zucht wil geven, want als ik die heb, dan weet ik pas, dat ik een zuchtend schepsel ben.
Dit alles is geheel onschriftuurlijk. De Psalmist zegt: „Mijn zuchten is voor U niet verborgen"; niét: mijn zuchten om een zacht is voor U niet verborgen. Als dit nu niet is een grond maken van zijn bevinding en zijn zuchten, wat is het dan wel ? Met de beste wil kan ik hier geen spoor ontdekken van verlangen naar Christus en Zijne gerechtigheid.
Bemerkt men dan in die kringen niet, dat men daar zelden tot de rechte blijheid des geloofs komt ? Men gaat elkander wel nazuchten en herkent de mensen vaak aan hun houding en ook aan hun tred.
Indertijd sprak ik daar eens over met een hunner en vroeg : „Waarom gaat het u eigenlijk ? Om wat bevindelijke klanken ? Om nog dieper dan diep te willen wezen ? Om een zucht o[fom Christus ? Wanneer het u om Christus gaat, waarom zegt gij dat bovengenoemde dan ook? "
Mij werd geantwoord : „Zó moet u dat niet opvatten. Wij bedoelen er niet mee, van ons zuchten een grond te maken ; maar juist, omdat er zoveel ingebeeld zuchten is; omdat de mens zó maar geen zuchter is, daarom zeggen wij dat."
Men bedoelde er wellicht bij : „Onder u neemt men dat zuchten wat te gemakkelijk op".
Daarop werd dit bescheid gegeven: „Waarschuwen tegen ingebeeld zuchten doen wij juist, maar dan zeggen wij het niet in die ongezonde en dubbelzinnige terminologie, maar in gewoon Hollands. Een voorganger moet weten en hij weet het ook wel, hoe onjuist en tevens hoe gevaarlijk een dergelijke uitdrukking is, al klinkt ze dan nog zo bevindelijk, zo ingeleid diep".
Hier blijft maar één bede over : „Zie Heere, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste; geef ook mij die lust!"
Van standen in u zelf moet gij nooit gronden maken:
Ten eerste raakt gij daarmee aan de ere Gods ;
Hoe langs zo meer zult gij van 't pad des Woords afraken En niet meer steunen op de enige Rots.
Laat vrij de gronden in Gods eeuwig welbehagen Zijn Sion is daarop van eeuwigheid gebouwd Die kunnen ook uw huis van zaligheid wel dragen Het heeft nog nooit een Sionskind berouwd.
En spreekt de Schrift van diepten in uzelven Die dieper uitgedolven moeten, altijd meer ? Dacht gij nu in die gans verduisterde gewelven Toch eindelijk iets te vinden, waardig voor de Heer ?
In uwe diepten was het niet gelegen. Zoek het vooral niet in „zuchten om een zucht." Hij zal toch nooit het heil u daarom geven.
Uw zuchten mag geen doel zijn, maar slechts vrucht.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's