Gehoorzaam aan de Zoon
Alle dingen zijn door de Zoon gemaakt (Joh. 1 : 3). Van het scheppende Woord Gods, de Zoon, wordt verder getuigd : ,,In hetzelve was het leven, en het leven was het licht der mensen." (vs. 4).
Uit 1 Cor. 15 weten wij, dat de Heere uit de hemel een levendmakende Geest wordt genoemd. Hetgeen door de apostel met toepassing op de opwekking ten leven van de Zoon wordt gezegd, wordt in het eerste Hoofdstuk van het Evangelie van Johannes ook reeds van het scheppende Woord getuigd, n.l. dat in Hem het leven is.
Wij lezen dit ook in het vijfde Hoofdstuk van Johannes (zie vs. 26) : „Gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven in Zichzelven te hebben".
Dit is heel wonderlijk en onbegrijpelijk, want wij zijn geneigd om de verhouding vader en zoon afhankelijk te zien volgens het feit, dat de vader de genererende is en de zoon het leven van de vader ontvangt. Zelfs in het leven van de aardse mens is die afhankelijkheid echter maar zeer tijdelijk en betrekkelijk. Het is trouwens regel, dat de zoon met de volwassen staat ook tot zelfstandigheid komt. Hoe vaak overtreft een zoon zijn vader in verschillend opzicht.
Het is daarom al niet juist bij de verhouding van God de Vader en God de Zoon aan een zekere ondergeschiktheid te denken. Hoewel de kerk de eeuwige generatie van de Zoon door de Vader belijdt, heeft zij zich altijd verzet tegen een leer van ondergeschiktheid van de Zoon aan de Vader. En al hadden wij geen andere tekst als die van Joh. 5 : 26, dan is deze op zich zelf reeds grond genoeg om het standpunt der kerk als juist te waarderen.
Gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven. Dat geloven wij. De Vader is de Oorsprong van alle leven en licht en Hij moet daarom het leven in Zichzelven hebben en Hij is licht.
Het wonderlijke en goddelijke is nu, dat Hij de Zoon gegeven heeft het leven in Zichzelven te hebben.
Daarom kan de Zoon het niet alleen afleggen en wederom tot Zich nemen, gelijk Hij gedaan heeft in Zijn lijden en sterven (Joh. 10 : 17v.), maar, omdat Hij het leven in Zichzelven heeft, kan Hij het leven geven. Dit bewijst Hij in Zijn scheppende arbeid. Immers Hij is het Woord, dat alle dingen gemaakt heeft.
Van Hem staat dan ook geschreven, dat in Hem het leven was en het leven was het licht der mensen.
Wij gaan thans nog niet uitvoerig in op die scheppende werkzaamheid van de Zoon, die het Woord genoemd wordt.
Doch wij verstaan uit deze woorden van Johannes, dat er een blijvende betrekking is, tussen het leven, dat in de Zoon is, en het leven, dat Hij door Zijn scheppende arbeid opwekt en onderhoudt.
Al te weinig wordt op die blijvende relatie niet alleen van de mensheid en het Woord, de Zoon, maar een betrekking van alles, wat ademt, van-alle schepsel, dat wij zien en niet zien, met dat Woord, hetv/elk de Zoon van God is. Alles ademt en leeft uit Zijn^jeYenwekkende scheppingsdaad.
De Schrift leert, dat Woord en Geest uitgaan tot de werken Gods (Ps. 33:6) en hoe nauw de Geest aan het Woord gebonden is, leert de zoeven genoemde psalm, die spreekt van „de Geest Zijns monds". Die Geest gaat uit, waar het Woord uitgaat. Zó nauw is de Heilige Geest in de werken Gods aan het Woord, de Zoon, gebonden, dat Hij ook de Geest van Christus genoemd wordt (Gal. 4:6).
De Christus doet alles naar de wil des Vaders. Daarom hoort de Vader Hem altijd : (Joh. 11 : 42). Wij zien daaruit, dat de Vader de Zoon gegeven heeft het leven in Zichzelven te hebben, hoe grote zelfstandigheid - de 'Zoon bij de Vader heeft. Vandaar dat Hij genoemd wordt: het uitgedrukte beeld der goddelijke zelfstandigheid.
Maar zo is ook de Zoon een toonbeeld der gehoorzaamheid aan de wil des Vaders, hetwelk ons afhankelijke schepselen, die zonder Hem niets kunnen doen (Joh. 15:5), niet alleen beschamen moet, maar ons in onze ongehoorzaamheid om naar Zijn Wjoord te luisteren veroordeelt.
Gevoelt men nu, welke een diepe grond in deze dingen ligt voor de uitspraak van Johannes de Dooper, de grootste der profeten : ,, die de Zoon ongehoorzaam is, de toorn Gods blij[t op hem" ? (vgl. Joh. 3 vers 36).
De Zoon schiep alle dingen naar de wil des Vaders. De Zoon gaf gestalte aan de dingen en zij zijn en leven en bewegen uit Hem. Hij deed dat als Degene, Wien de Vader gegeven heeft het leven in zichzelf te hebben. Zo staat de Zoon ook in de schepping tussen de Vader, of wilt gij de Wil des Vaders, en het schepsel. Van Zijnentwege is het schepsel overeenkomstig de wil des Vaders, het voldoet aan die wil. Alle schepsel Gods is goed (1 Tim. 4:4). Het gehoorzaamt de Zoon en daarin de wil des Vaders. Ja, het is zelfs zo, dat in die gehoorzaamheid is begrepen, dat het alles de mens zou gehoorzamen en in de mens de Zoon en de Vader, opdat de mens in gehoorzaamheid (Ps. 8:7) aan God zijn bestemming zou bereiken.
Gehoorzaamheid is de grondwet der schepping. Gehoorzaamheid is het leven van alle schepsel. Gehoorzaamheid is de harmonie van alle werken Gods, omdat zij door de Zoon, in gehoorzaamheid aan de Wil des Vaders gemaakt zijn.
De wil des Vaders is de oorsprong en het wezen van alle dingen.
Daarom is de ongehoorzaamheid van de mens een gruwel voor God en de ondergang voor de mens. Daarom past een mens, die de gehoorzaamheid weigert niet in het kader van de werken Gods. En dat is te ernstiger, omdat de ganse schepping op de mens is aangelegd.
Gehoorzaamheid grondwet en harmonie der schepping. Ongehoorzaamheid breuk met de Wil des Scheppers, breuk met de alle dingen harmoniërende scheppende werkzaamheid des Zoons, breuk met zijn eigen wezen en toekomst.
Het werk Gods, de schepping is geen machine, die zich zelf verbrijzelt, als er wat breekt in het raderwerk. En toch is er iets van die aard in het oordeel Gods, als de aarde haar vrucht weigert voor zulk een mens, en hij onderworpen wordt aan ziekte en dood.
Het is niet vreemd, dat de schepping wordt voorgesteld als zuchtende. Om de zonde van, de mens zou zij geneigd zijn de dienst te weigeren, welke zij om Gods wil brengt, zij het ook niet gewillig. (Rom. 8:20).
Wij horen hierin als het ware het knarsen der wielen.
In dit licht, dat over de schepping door de Zoon opgaat, kunnen wij niet alleen beseffen, hoe schrikkelijk de zonde en de verwoesting, welke zij teweegbracht, is. Het kan duidelijk zijn, dat er voor de ongehoorzame mens geen plaats in Gods Koninkrijk is, juist, omdat gehoorzaamheid de grondwet van de schepping Gods is.
Maar het kan ook verstaan worden, dat de volle eis Gods neerkomt op gehoorzaamheid aan de Zoon. Daarop is het gebroken. De Zoon is niet alleen de Schepper, die alle dingen heeft gemaakt. Hij is ook de Openbaarder van Gods Wil. Dit laatste op tweeërlei wijze. In de arbeid der schepping naar de wil des Vaders maakt Hij openbaar, wat er in het hart des Vaders was betreffende de werken Gods.
Hij is echter ook de met de mens sprekende God, de verschijnende God, de gebiedende God, de verbond sluitende God. Als de Vader met de mens handelt, handelt Hij met Zijn schepsel door de Zoon en de Heilige Geest.
Men heeft er tegenwoordig weer oog voor, dat de Vader zich openbaart in en door de Zoon, doch dat wordt in strijd met de Schrift weer zo op de spits gedreven, als ware het vleesgeworden Woord alleen de enige en ware Godsopenbaring.
Een vorige maal hebben wij er op gewezen, dat hierin een miskenning is van de Schriftuurlijke leer der schepping. Die een en ander met aandacht heeft gevolgd, zal mogelijk begrepen hebben, dat de scheppende werkzaamheid van de Zoon en de betekenis daarvan in zulk een verengde beschouwing der openbaring niet tot hun recht komen.
De Zoon is het, die ons in het Oude Testament tegenkomt. Het is de Zoon, die Adam schiep, hem de-levensadem inbhes en maakte tot een levende ziel, want alle dingen zijn door de Zoon gemaakt. Het is de Zoon, die hem inleidde in de hof van Eden, welke Hij hem bereid had, de Zoon, die tot hem sprak van de boom des levens en de boom der kennis. En in dit alles openbaarde de Vader zich door de Zoon, want de Zoon doet alles naar de wil des Vaders.
Het is de Zoon, die de eerste mens ont' dekte aan de grondwet des levens : toen Hij hem verbood van die boom te eten.
Zo was de ongehoorzaamheid van Adam ongehoorzaamheid aan de Zoon en als zodanig ongehoorzaamheid aan de wil des Vaders en jegens het drieënig goddelijk Wezen. De Zoon was het ook, die de goddelijke straf en de genade boodschap aan de gevallen Adam kwam brengen.
En nu neemt de Vader de partij van de Zoon op, omdat de Zoon altijd de wil des Vaders doet, en eist van de zondaar gehoorzaamheid aan de Zoon, en zo niet, de toorn Gods blijft op hem. (Joh. 3 : 36 ; Joh. 5 : 24) ,,Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis."
De Vader vereenzelvigt Zijn eer met de eer Zijns Zoons : „Die de Zoon niet eert, eert de Vader niet, die Hem gezonden heeft."
En nu gaat in het Evangelie het over die gehoorzaamheid, waaraan het eeuwige leven is toegezegd en de belofte van de vrijspraak van het oordeel Gods.
Dat nu raakt aan het werk der verzoening en der verlossing door die zelfde Christus volbracht naar de wil des Vaders (Ps. 40), dus wederom een werk der gehoorzaamheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's