De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De niet-toerekening der zonde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De niet-toerekening der zonde

10 minuten leestijd

gebonden aan de gehoorzaamheid aan de Zoon

Gehoorzaamheid, de grondwet van het geschapen leven. Het Woord Gods kan niet gebroken worden en de Wet Gods kan niet krachteloos gemaakt worden door de overtreder, maar het- recht der iWet treft de overtreder. Door de ongehoorzaamheid van één is de zonde doorgegaan tot alle mensen en door de zonde de dood. Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Niemand is goed, tot niet één toe. (Rom. 3 vs, 12).

Ziedaar, het radicale oordeel Gods en de betekenis van het Woord, tot de ongehoorzame gesproken: De toorn Gods blijft op hem.

En dan het wonder der genade : „God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende". (2 Cor. 5 vs. 17).

Dit woord wordt, zoals wij konden opmerken, nogal eens verkeerd opgevat.

Met Zichzelven verzoenende.

Wat kan dat anders zijn dan de wereld verzoenende met Zijn wil? Wat anders, dan verzoenende met Zijn eis van gehoorzaamheid? Verzoenende met Zijn goddelijk gebod?

De verzoening houdt dus zelfveroordeling in. Want wie verzoend is met de eis Gods van gehoorzaamheid, erkent het recht Gods en de billijkheid van Zijn oordeel over de zondaar, die weigert de gehoorzaamheid te brengen, welke God vordert.

Het eerste in de verzoening is niet de niet-toerekening, maar de erkenning van Gods recht en de belijdenis der zonde. Met de belijdenis zet de verzoening in. „Wie zijn zonden belijdt en ze nalaat, dien zijn ze vergeven".

Er kan echter geen belijdenis zijn, als er geen overtreding is. En er is geen overtreding, als er geen wet is. En er is geen wet, als er geen Wetgever is, die gehoorzaamheid eist.

Degenen dan, die in de verzoening het eerst op de niet-toerekening zien en daarop willen doorgaan, miskennen het karakter der zonde en de kracht der Wet. Immers als de niet-toerekening voorafgaat, waartoe nog belijdenis en afstaan van ongerechtigheid? 

Waar blijft de kennis der ongerechtigheid, als er geen belijdenis is, , en waar blijft het nalaten der zonde, als er geen kennis der zonde is?

En dan weer verder. Waartoe is nog verzoening nodig, als er geen wetenschap van zonde is? Heel de betekenis der verzoening dreigt, een ijdel vertoon te worden. 

Aan welk gebod Gods is men gehoorzaamheid schuldig, als men van geen overtreding weet?

En met welk een God heeft men eigenlijk van doen? 

Een geloof in een verzoening, dat aanvangt met de niet-toerekening van zonde, welke men niet weet te belijden en overtreding van een gebod, dat men niet kent, lijkt veel op een geloof aan een onbekende God, van Wien men niets heeft te vrezen.

Een heidense wijsgeer heeft eens gezegd: Als de goden er zijn, kan men niets van hen weten en als ze er niet zijn, heeft men niets van hen te vrezen. Hij zocht zijn hoorders gerust te stellen met de onwetendheid, maar deze was toch blijkbaar niet voldoende om alle vrees weg - te nemen.

De vrees is wel eens voor het beginsel der religie gehouden. Wij menen ten onrechte. Maar het is wel waar, dat alle religie gepaard gaat met een geheimzinnige vrees voor het goddelijke.

Het valt ook niet te ontkennen, dat de zucht tot zelfbehoud een rol speelt in de heidense religie en uitdrijft om de goden te eren, opdat men van hen gediend zal worden.

Daarom is een neiging om een algemene situatie van verzoend zijn te willen aannemen, psychologisch niet zo onverklaarbaar. In het diepst van zijn ziel is de mens er niet zo gerust op, dat hij voor God verantwoording zal kunnen doen van zijn leven. Want, diezelfde geheimzinnige vrees, die de heidense religie kenmerkt, laat ook de moderne cultüurmens niet on­ aangeroerd. De mens is een religieus wezen krachtens het feit reeds, dat hij naar Gods beeld werd geschapen. En ook in zijn verdorvenheid verraadt zich dat beeld nog altijd in de onuitroeibaarheid der religie. Deze vertoont haar werkingen en reacties in de heidense godsdiensten, en ondanks de afval van de kerk en de algemene ontkerstening in onze dagen, ondanks de van het religieuse leven afgekeerde ontwikkeling van de cultuur, vertoont ook de moderne mens nog de kenmerken van de werkingen van het religieuse grondgevoel.

Daartegenover staan de strevingen van een modern Christendom om zich ,,open te stellen" voor de wereld. Dat dit niet zonder aanpassing aan de geestesgesteldheid van de moderne mens geschiedt, behoeft slechts te worden opgemerkt. Men kan het allerwegen gewaar worden, dat die aanpassende beweging met name een verzoening wil teweegbrengen tussen de mens en de Christelijke leerstukken, die hem buitengewoon ongelegen komen : als de leer van de zondeval, van de doorwerking der zonde, van het goddelijk oordeel, van de zedelijke gebondenheid aan Gods geboden, van het gezag der Heilige Schrift, van de uitverkiezing, e.d.g.

In welke zin tracht men die verzoening tot stand te brengen?

Door de Christelijke leer te verdedigen en te verklaren, door op de kracht en de betekenis van het Christelijk geloof in de geschiedenis te wijzen, zou men wellicht verwachten.

En toch is dat in het algemeen zo niet, al komt dat gelukkig ook nog voor. In het algemeen zoekt men geen verzoening met de leer, die tegen de mens ingaat, maar zoekt men de scherpe punten af te vijlen en aan het zelfzuchtig mensenhart tegemoet te komen.

Sommigen spreken ronduit als hun mening uit, dat de moderne mens geen ja kan zeggen op de geloofsbelijdenis van de zestiende eeuw. Zij zien voorbij, dat onder de zestiende en zeventiende eeuwse mensen diezelfde moderne geesten ook reeds werden aangetroffen. Het modernisme is niet zo gloednieuw en modern als zijn aanhangers zich vaak schijnen voor te stellen.

Intussen wordt het verzoeningspogen tussen de oude tegenstellingen merkwaardig geïllustreerd door een z. g. middenorthodoxie, die Arminius op het kerkelijk schild verheft.

Het zweemt alles naar een nivellering, die zeer wel gediend is met een opvatting van de verzoening met God, waarbij de menselijke natuur onaangetast blijft en de last der verantwoording aan God wordt overgelaten. Feitelijk zou men het zó willen voorstellen, dat, wat dan ook zou te zeggen zijn over de mens van vroeger, de Christelijke aera die in een nieuwe situatie tot God en zijn toekomst heeft gezet, althans zulk licht over zijn situatie heeft doen opgaan, welke als een situatie van verzoend zijn aangemerkt wordt.

Het Kruis van Christus zou dan die verandering hebben teweeggebracht, en heel het Evangelie zou opgaan in het offer aan het Kruis geschied, gelijk ook de Godsopenbaring daarin wordt samengebracht of geconcentreerd.

Het gevolg van zulk een houding is, zoals de ervaring leert, dat men weinig gevoelt voor het Oude Testament, zelfs de Psalmen worden achtergesteld bij wat men noemt : het, Nieuw-Testamentische lied. Men kweekt een soort Nieuw- Testamentische vroomheid, die, als het er op aankomt, aan één der Evangeliën wel genoeg kan hebben, aangezien de brieven niet altijd in het   Evangelische" kader schijnen te passen.

Zulk een vroomheid vindt zichzelf gemakkelijker terug in de gezangen dan in de psalmen. Aan de belijdenis heeft zij weinig behoefte. Het dogma wordt niet begeerd. ,, Niet de leer, maar de Heer!"

Zij schuwt een wettisch Christendom als verwerpelijk Farizeïsme.

Zij haat al wat zich Calvinist of gereformeerd noemt en pretendeert beter gereformeerd te zijn dan allen, die als zodanig worden gekwalificeerd.

Hoe het nu staat met de gehoorzaamheid aan de Zoon?

Zeker, de Zoon is wel de Zoon, en Christus is wel de Christus, maar deze vroomheid spreekt bij voorkeur van Jezus. Het schijnt daarmede overeen te komen, dat zij den gereformeerden verwijt de Godheid van de Christus al te eenzijdig op de voorgrond te dringen. Klaarblijkelijk gevoelt deze vroomheid meer voor de menselijke! Vriend en Weldoener Jezus.

De gehoorzaamheid aan de Zoon wordt in de geest der liefdevolle bejegening van zijn naaste gedacht — al is men daarbij wel eens opmerkelijk kieskeurig omtrent de vraag, wie al of niet tot de naasten moeten worden gerekend. Gereformeerde mensen komen daarbij niet zo heel lichtelijk in aanmerking.

De vraag is zeker op zijn plaats, of het Farizeïsme niet een weinig verkeerd wordt beoordeeld. Christus twistte met de Farizeërs en heette hen adderengebroedsel. Dat is zo, maar Christus weet, wat in de mens is. Hem is het oordeel gegeven. Dat wordt in deze kringen ook nog wel eens vergeten, zodat het soms de indruk maakt, dat Jezus een Evangelische figuur naast God wordt.

Bovendien, het twistpunt tussen de Christus en de Farizeërs was niet, dat zij de Wet Gods in ere hielden en dat zij in zoverre wettisch waren, want Christus zegt, dat Hij niet gekomen is om de Wet te ontbinden. Nergens kan men vinden, dat Christus leert: „gij moet Gods geboden maar laten voor wat zij zijn". Hij zegt ook niet: „Gij behoeft de Sabbath niet te houden of te heiligen", maar Hij vraagt, of het geoorloofd is op de Sabbath te genezen en weldadigheid te bewijzen.

Neen, de Farizeërs worden door Christus duivelskinderen genoemd, omdat zij geen gehoor geven, geen gehoorzaamheid brengen, aan de Zoon des Vaders, omdat zij in Hem niet geloven, die van de Vader getuigt en zeggen kan: Die Mij ziet, heeft de Vader gezien.

De Farizeërs worden niet veroordeeld, omdat zij de Wet houden, maar omdat zij de Wet niet verstaan en daarom niet tot gehoorzaamheid van de Zoon kunnen komen.

Hoe dat is? Waarom zij, de Wetgeleerden, de Wet niet verstaan?

Hebt gij niet gelezen, dat de Schrift zegt: Gij die zegt, dat men niet stelen mag, steelt gij?

Wat is dat anders dan dat zij de Wet niet verstaan?

Wordt hun er geen verwijt van gemaakt, dat zij de dille en komijn vertienen, maar een kemel doorzweigen? Dat 2ij de lieden zware lasten opleggen, die zij zelve met de vinger niet aanraken?

Nochtans cultiveren zij de Wet en zoeken daarin hun gerechtigheid.

Die nu hun gerechtigheid verwachten uit de werken der Wet, wat doen zij anders, dan zich een beginsel der gerechtigheid toekennen? Hoe anders kunnen zij verwachten, dat hun werken goed en verdienstelijk zijn?

Zij nu, die uit de werken gerechtvaardigd willen worden, geven in de eerste plaats blijk, niet te weten, wat zonde voor God is, wat het betekent onder de vloek der zonde te verkeren.

In de tweede plaats onteren zij daarmede de Christus en Zijn Middelaarswerk. Immers als wij door de werken gerechtvaardigd kunnen worden, is Christus' offer volmaakt overbodig, een opgedrongen zaak, die wij niet behoeven.

Ziedaar, waarom er een conflict gaande is tussen Christus en de Farizeërs.

In de Wetsvervulling kan alzo voor de mens de gehoorzaamheid aan de Zoon niet gelegen zijn, ook niet in de werken der liefde en barmhartigheid, omdat de mens een zondaar is, onbekwaam tot enig góéd en geneigd tot alle kwaad.

De verzoening door het Kruis is zo overvloedig, dat de ongerechtigheid den zondaren niet toegerekend wordt, maar de

Christus een verzoening voor de zonden der gehele wereld, maar, die de Zoon ongehoorzaam is, de toorn Gods blijft op hem.

Zo neemt dan de verzoening des Kruises de eis van de Zoon te horen, Hem gehoorzaam te zijn, en in God te geloven, die Hem gezonden heeft, niet weg.

De niet-toerekening ligt verbonden met deze eis en staat niet op zichzelf, want het is een daad Gods in Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De niet-toerekening der zonde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's