JEREMIA en de oordelen Gods
Het was geen wonder, dat Jeremia opgezien heeft tegen de taak, die de Heere hem op de schouders bond; de Heere stelde hem over volken en koninkrijken om uit te rukken en af te breken, om te verderven en te verstoren (h. 1 : 10) en eerst later zal hij de volle zwaarte van de last van het Woord des Heeren leren verstaan. De weg werd voor hem moeilijker, hoe langer en verder hij kwam (12 : 5), en terug kon, noch mocht hij. Hij is niet de werkloze toeschouwer geweest, als de stoomwals over de koninkrijken heenrolt, verdervend en verstorend ; als niets wordt ontzien, dan begint de Heere te plagen in de stad, die naar Zijn naam genoemd is (25 : 28) en Jeremia lijdt mede met de grote nood van het volk ; in grote bewogenheid roept hij uit : „O, mijn ingewand, mijn ingewand, wanden mijns harten", (4 : 19). Waarom? Omdat hij zélf gezien heeft, wat hij aan het volk moet verkondigen ; in al de benauwende realiteit staat het voor hem ; hij ziet het geschieden : krakend ineenstortende torens; breuk op breuk wordt uitgeroepen (4 : 20). Zeker, ook van vernieuwing en herstel zal Jeremia profeteren ; hij zal bouwen en planten (1 : 10), maar voor het volk van zijn dagen staat het oordeel voorop. En waarom? Het zijn lange rijen van beschuldigingen en aanklachten, die tegen het volk worden ingebracht. Als men vragen zal: Waarom heeft de Heere dit volk alzo gedaan, dan zal het antwoord moeten luiden : Omdat zij de Heere verlaten hebben en vreemde goden hebben gediend (5 : 19). Zij hebben Mij verlaten (1 : 16); ook hun kinderen verlaten de Heere (5 : 7) ; zij hebben de Heere verworpen en zijn achterwaarts gegaan (15 : 6). Zij verlaten de Heere, de springader des levenden waters (17 : 13, 19 : 4) ; zij verloochenen de Heere (5 : 12) ; Zijn vreze is bij hen niet i(2 : 19) ; de afvalhgheid is groot (6 : 28) ; tegen de Heere overtreden zij (3 : 10) en Zijner stem zijn zij ongehoorzaam (43 : 7) ; Ik heb tot hen gesproken, maar zij hebben niet gehoord en Ik heb tot hen geroepen, maar zij hebben niet geantwoord (35 : 17).
Het is een volk dat naar de stem des Heeren niet hoort en de tucht niet aanneemt (7 : 28; 36 : 31 ; 42 : 21 ; 44 : 5) ; in Zijn wet en inzettingen en getuigenissen heeft het volk niet gewandeld (44 : 23 ; 32 : 23). Zij hebben naar de woorden des Heeren niet gehoord, als Hij dagelijks vroeg op zijnde en zendende Zijn knechten de profeten tot hen zond (29 : 19). Gij hebt Mij vergeten (13 : 25, 18 : 15); het recht des Heeren weten zij niet (6:7); zij hebben de Heere de nek toegekeerd en niet het aangezicht (32 : 33) ; het volk weigert te horen (13 : 10) ; het Verbond heeft men verbroken, dat de Heere met de vaderen had opgericht (11 : 10) ; het Verbond des Heeren huns Gods hebben zij verlaten (22 : 9) ; de nek hebben zij verhard (19 : 15). Zij zijn wedergekeerd tot de ongerechtigheid hunner vaderen (11 : 10) ; Uw vaderen hebben Mij verlaten en hebben andere goden gediend, maar gij hebt het nog erger gemaakt (16 : 11, 7 : 24) ; zij wandelen in de raadslagen van hun boze hart (7 : 24, 13 : 10, 18 : 12) ; in des Heeren inzettingen en wetten hebben zij niet gewandeld (44 : 10). Het juk hebben zij verbroken en de banden verscheurd (5 : 5); van hun jeugd af hebben de kinderen Israels en de kinderen van Juda gedaan, wat kwaad was in de ogen des Heeren (32 : 30) ; naar de oproep tot bekering hebben zij niet gehoord : zij hebben geweigerd zich te bekeren (5 : 3 ; 44 : 5). Over hun boosheid hebben zij geen berouw gehad (: daar is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende : Wat heb ik gedaan ? (8 : 6). Men zegt: Ik heb niet gezondigd (2 : 35) : zij volgden de Baals, maar hun consciëntie beschuldigde hen en van binnen was de onrust (2 : 26) ; zij gingen voort van boosheid tot boosheid (9 : 2). „Wanneer gij kwaad doet, springt gij op van vreugde" (11 : 15; zo de Statenvertaling ; zeer moeilijk te verklaren en te vertalen gedeelte ; het is een dubbelhartig volk, dat alleen in de tijd van nood zegt: Sta op, Heere, verlos ons (2 : 27).
Vele malen vermaant de profeet het volk over de boosheid hunner handelingen (26 : 3, 44 : 22), over de veelheid hunner ongerechtigheid (13 : 22), over hun zonden, die machtig vele zijn (30 : •14, 15). Israël heeft zijn God ingeruild voor andere goden, hoewel zij geen goden zijn en geen nut doen (2 : 11). Heeft ooit een heidens volk zulks gedaan? Dat was het antwoord van een trouweloos volk op de goedertierenheid en genade van de Heere, aan Zijn volk bewezen (2 : 21). Zij hebben andere goden gerookt en zich gebogen voor de werken hunner handen (1 : 16) ; tot een hout zeggen zij. Gij zijt mijn vader (2 : 27), aan Baal roken zij (11 : 17), en andere goden wandelen zij na, die ze niet kennen (7 : 6, 9), naar het getal hunner steden is dat hunner afgoden (11 ; 13 ; 13 : 10), aan andere goden hebben zij gerookt (19 : 4), , aan de ijdelheden (18 : 15), aan het heir des hemels (19 : 13).. Voor andere goden hebben zij zich neergebogen en die gediend (22 : 9 ; 44 : 21 v.; 32 : 34) ; door hun woordbreuk hebben zij de naam des Heeren ontheiligd (34 : 16, 17) ; door het land te vervullen met het aas van hun verfoeiselen en hun gruwelen, hebben zij des Heeren land ontheiligd (16 : 18). De Melecheth des hemels dienen zij, vrouwen en kinderen doen er aan mede (7 : 18) en zo hardnekkig en weerbarstig zijn zij, dat als Jerusalem verwoest is en Babel het volk heeft vertreden, men klaagt : Sinds die tijd is het verkeerd gegaan, sinds wij de Melecheth (de Koningin) des hemels niet meer hebben gediend. Toen wij de Koningin des hemels dienden, werden wij met brood verzadigd en waren vrolijk en zagen geen kwaad (44 : 17 vv). Ook het peil van het zedelijke leven, dat zo nauw met het geestelijke samenhangt, is gedaald. Men meent, dat in de tempel komen samen kan gaan met stelen, doodslaan, overspel bedrijven en vals zweren (7 : 9), in een huis van overspel is men thuis (5 .: 7), het land is vol van overspelers (9 : 2, 23 : 10) ; achterklap, bedrog en leugen is aan de orde van de dag (9 : 5 V.) ; Koning Jojakim had voor niets anders oog dan voor gierigheid, verdrukking en vergieten van onschuldig bloed (22 : 17) en de tempel werd met onschuldig bloed vervuld (19 : 4). En daarmede zijn wij bij de leidsheden des volks. Als het met hen maar goed geweest was en zij het goede voorbeeld aan het volk maar hadden voorgehouden. Maar dat het volk zulke leidsheden had, was naar de toorn des Heeren ; het volk kreeg de leidsheden, die het naar Gods rechtvaardig oordeel verdiende (52 : 3). De herders, dat zijn de wereldse machthebbers, hebben de Heere niet gezocht en zijn onvernuftig geworden (10 : 21) ; daarom is het volk verstrooid en de wijngaard verdorven (12 : 10) ; vele herders hebben Gods akker vertreden ; zij hebben het volk verstrooid (23 : 2) ; de Heere zal bezoeking brengen vanwege Manasse, om hetgeen hij te Jerusalem gedaan heeft (15 : 4) ; de herders hebben het volk verleid en de vorsten hebben het Verbond overtreden (34 : 19). Jojakim bouwde zijn huis met ongerechtigheid en zijn opperzalen met onrecht (22 : 13 vv) ; de man, die de rol van het Woord des Heeren verbrandt; en Jojachim is der stem des Heeren niet gehoorzaam geweest van der jeugd aan (22 : 21). En Zedekia, noch zijn knechten, noch het volk des lands hoorde naar de woorden des Heeren, die Hij sprak door de dienst van Jeremia (37 : 2), maar hij deed, wat kwaad was in de ogen des Heeren naar alles wat Jojakim gedaan had (52 : 2). Het volk, dat uitgeweken is naar Pathros in Egypte, zal zeggen : Wij zullen doen als wij gedaan hebben, wij en onze vaders en onze koningen en onze vorsten in de steden van Juda en in de straten van Jerusalem ; zij rookten de koningin des hemels en offerden haar drankofferen (44 : 17).
Nu heeft de Heere wel wachters over het huis van Juda en van Israël gesteld (6 : 17), maar als de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich dan ten strijde begeven? Het volk is ongevoelig voor de stem des Heren (6 : 10). De profeten profeteren vals en de priesters heersen door hun handen (5 : 31) ; de Nieuwe Vert. leest : en de priesters verschaffen zich gewin nevens hen). Van klein tot groot pleegt een iegelijk van hen bedrog, van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid en zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtst, zeggende : vrede, vrede, doch er is geen vrede (8 : 10 v.) ; profeten en priesters zijn huichelaars, zelfs in Mijn huis vind ik hun boosheid, zegt de Heere (23 : 11) ; de Heere heeft deze profeten niet gezonden (27 : 15 ; 29 : 9 ; 29 : 31) en vals is hun profetie (27 : 10, 14, 16) ; bij de profeten van Jerusalem heeft de Heere afschuwelijke dingen gezien : echtbreken en met valsheid omgaan, en zij sterken de handen der kwaaddoeners, dat zij zich niet bekeren een iegelijk van zijn boosheid (23 : 14) ; een afval profeteren zij de Heere (28 : 15; 29 : 32); zij spreken naar het gezicht huns harten en wandelen naar eigen goeddunken (23 : 16). De Heere heeft hen niet gezonden en toch hebben zij geprofeteerd. Maar zo zij in de raad des Heeren gestaan hadden, dan zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen en zij zouden hen afgekeerd hebben van hun boze weg en van de boosheid hunner handelingen (23 : 22); zij profeteren leugen en huns harten bedriegerij (23 : 25) ; zij maken, dat het volk op leugen vertrouwt (28 : 15 ; 29 : 3). De werkelijkheid wil het volk niet zien, het leeft bij illusies ; wij zullen geen kwaad zien (5 : 12), en de profeten voeden het optimisme van de grote massa. Als de oordelen des Heeren over het volk komen, zal dat niet kunnen zeggen : als wij maar andere leidslieden gehad hadden, als wij maar door een andere overheid waren geregeerd, als Zedekia zijn verbond maar niet had verbroken, als de priesters maar goede offers hadden gebracht — waiit het is hetzelfde leven van Godsverzaking en afgodendienst, dat heel het volksleven beheerst, overheden en onderdanen, profeten en priesters en het ganse volk, , , hun koningen en hun vorsten, hun priesters en hun profeten en de mannen van Juda en de inwoners van Jerusalem ; die Mij de nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht — zij hoorden niet om de tucht aan te nemen", de stad Jerusalem is de Heere tot toorn geweest van de dag af, dat zij gebouwd werd. De kinderen van Juda en van Israël hebben niet anders gedaan van der jeugd af aan, dan wat kwaad was in de ogen des Heeren. (32 : 30 V.).
De volgende keer hopen wij na te gaan welke oordelen door Jeremia worden gepredikt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's