In Christus
De uitdrukking „in Christus" komt vele keren voor in de brieven van Paulus. Zij is trouwens niet vreemd aan het onderricht van Christus zelf. Denk maar aan Johannes 17 vs. 21 v.v., waar Hij herhaaldelijk de gemeenschap met de Zijnen zo nauw tekent: „Ik in hen".
Indertijd hebben wij er ook op gewezen, dat de gemeente een schepping Gods in de Christus is, zodat de gemeente uit Hem is genomen. (Efeze 2 vs. 10).
De apostel Paulus gaat nog verder en herinnert ons er aan, dat alle dingen tezamen in Christus bestaan. Verschillende vertalingen zeggen ,,door Hem" bestaan, welke vertaling zeker kan worden verdedigd, maar wij geven de voorkeur aan „in Hem".
Wij doen dat, mede in verband met Johannes 1 vs. 4 : .„In hetzelve (n.l. het Woord, de Zoon) was het leven, en het leven was het licht der mensen", én in verband met de omgevende verzen in het eerste hoofdstuk van de brief aan Colosse.
Dat alle dingen door Christus, het Woord, de Zoon, bestaan, wordt door Johannes zo, duidelijk gezegd •— en dat is niet de enige Schrift (Psalm 33 vs. 6) .— dat niemand dat anders kan lezen. Dat alle dingen in Hem tezamen zouden bestaan, achten sommigen echter even bezwaarlijk als de woorden van Hand. 17 VS. 28 : , , Want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij", als ware dit aan een vreemde philosophie ontleend.
Wij zijn van oordeel, dat deze gedachte meer samenhangt met wijsgerige onderstellingen en daarmede meer verwant is, dan wat daar staat geschreven.
De mensen zijn n.l. enerzijds doordrongen van het geheel-anders-zijn Gods en maken daarom een scheiding tussen God en de wereld zó radicaal, dat zij God zelfs niet zouden toestaan in de wereld Zijner schepping binnen te komen. Maar de Christus der Schriften zegt: „Wij zullen woning bij hem maken". (Joh. 14 vs. 23). Wij, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, de drieënige God, zullen woning bij mensen, ja, bij zondaren, maken.
Dat kan God doen zonder zich te vermengen met het schepsel. Hij kan woning maken in een mensenhart. En Hij kan Zijn gemeente scheppen in Christus Jezus.
Door Zijn Woord en Geest is de wereld geschapen, zij wordt gedragen door Zijn alomtegenwoordige kracht. Dat is de belijdenis van de kerk (vgl. Zondag 10 van de Catechismus).
Wat voor philosophisch onheil zou er in zijn, dat wij in Hem leven, bewegen en zijn? Waarom zou Paulus dat slechts afkeurend hebben aangehaald? Zulk een onderstelling ligt heus niet dwingend in de tekst.
Maar al zou het aan enige philosophie ontleend zijn, kan een philosoof nimmer waarheid zeggen? Calvijn, die van de vermenging van hemelse en aardse dingen zeer afkerig was en die zulk een vermenging bij anderen scherp opmerkte en veroordeelde, wil ook van een vermenging van philosophic en theologie niets weten. Maar diezelfde Calvijn merkt ook wel eens waarheid op bij de philosophen en dan zegt hij, dat waar ter wereld waarheid wordt gesproken of gehoord, deze door de Heilige Geest is geleerd. Ook, als de philosophic waarheid spreekt, is dat, of die wijsgeer zich daarvan bewust is, of niet, een gave van de Heilige Geest.
In Wien, in wat kracht zouden wij anders leven dan in Hem, door Wiens machtwoord wij geschapen werden, door Wiens alomtegenwoordige kracht wij worden gedragen, wij, die ademen door de inblazing van Zijn Geest?
Doch wij moeten op zulke waarheden geen torens van Babel bouwen van menselijke verbeelding, alsof het menselijk verstand in de verborgenheid van de scheppende werkzaamheid Gods zou kunnen indringen. Als mensen daarover hun wijsheid gaan verkondigen, verliezen zij het onderscheid tussen hemel en aarde uit het oog.
God is niet verre van een iegelijk van ons, nochtans blijft het wezensonderscheid tussen God en Zijn schepsel als een eeuwige distantie en een onoverbrugbare kloof.
Laat ons daarom de geopenbaarde dingen eerbiedigen, zonder daarvan af of daaraan toe te doen. De scheppende heerlijkheid Gods kunnen wij niet doorgronden. Hoe dat is, als God de dingen in het aanzijn roept, alsof zij waren. Hoe dat geschiedt, als de dingen, die gezien worden, opkomen uit de dingen, die niet gezien worden. Wie zal dat verhalen? Wie is in de werkkamer Gods geweest? Wie is Zijn raadsman geweest?
De Christus is in Zijn Raad geweest, ja, meer nog, Christus wordt door de profeet aangekondigd als Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst. Christus de Raad Gods.
Aan de Christus is de uitvoering van de werken Gods toebetrouwd. God schept door Zijn Woord, en alle dingen komen voort uit het scheppende Woord.
Zij komen er uit voort, omdat zij in het voornemen Gods, in de Raad Gods, besloten waren. Daarom isitschepping immer ook openbaring. Als God de dingen in het aanzijn roept, maken zij openbaar wat er in de Raad Gods verborgen was.
Wel hebben de theologen onderscheid gemaakt tussen de interne werken Gods en Zijn werken naar buiten. Zijn naar buiten tredende werken. Wat in de Raad Gods is, is verborgen voor het schepsel, omdat het niet in God kan binnendringen. De innerlijke betrekkingen tussen Vader, Zoon en Heilige Geest, en al wat in God is, kan dan ook door het schepsel niet gekend worden, tenzij God het naar buiten draagt in een kenbare gestalte, m.a.w. openbaart.
Aangezien het nu alzo is, maakt de scheppende werkzaamheid Gods openbaar, wat te voren in het voornemen Gods verborgen was. In deze lijn gezien, is ook heel de geschiedenis der wereld voortgaande openbaring.
De apostel Johannes zegt: Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. (1 Joh. 3 VS. 2). Nog niet geopenbaard, maar dat wil niet zeggen, dat het bij God, in het voornemen Gods niet zou zijn. Integendeel, wij weten, dat er meer dingen nog niet geopenbaard zijn, b.v. het zitten ter rechter en ter linkerhand. (Mare. 10 VS. 40).
De verborgen dingen zijn voor de Heere, onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen. (Deut. 29 VS. 29).
Zo kunnen wij dus zeggen, dat alle dingen, die geopenbaard en niet geopenbaard zijn, in God, in Zijn voornemen, in Zijn Raad, in de verborgenheid Gods zijn. En wijl nu Christus, de Raad Gods wordt genoemd en het uitgedrukte beeld der goddelijke zelfstandigheid, het Woord, dat alle dingen heeft gemaakt, die gemaakt zijn, bestaan alle dingen in Hem tezamen als in een machtig systeem.
Zo is ook de gemeente in Christus geschapen. ;
Ziedaar de werkelijkheid, welke in de uitdrukking „in Christus" is gelegen. In de Christus is Zijn ganse gemeente als een werk Gods, en wel een nieuwe schepping.
Zo iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel. (1 Cor. 5 vs. 17).
Hoe klaar en werkelijk de apostel dit verstaan wil hebben, kan men opmerken in 2 Cor. 12 vs. 2, als Paulus zegt: „Ik ken een mens in Christus" en in Rom. 16 VS. 7: „Die vóór mij in Christus geweest zijn". (Vgl. ook 1 Petrus 5 vs. 14).
Het is toch wel duidelijk, dat Paulus ziet op het gebeuren op de weg naar Damascus. Sedert die dag kent hij een mens in Christus Jezus. Saulus is een Paulus geworden, evenals Jacob een Israël.
En dat grote feit staat zó klaar en duidelijk in zijn leven en in het leven van anderen, dat hij zich onderscheidt van de andere Christenen, die hij na dien ontmoet heeft, welke dus vóór hem in Christus waren.
„In Christus zijn", betekent Christen zijn, geloven, in Christus ingelijfd zijn. Deze uitdrukking gaat terug op de overgang tot het Christelijk geloof als een ontdekking van zijn in-Christus-zijn, van zijn nieuwe mens in Christus.
Het gebruik van deze uitdrukking wijst dus maar niet op een oppervlakkig aannemen, doch op een verandering, welke overeenkomt met het woord van de Christus tot Nicodemus : Tenzij iemand wordt wedergeboren, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien.
De oudste gemeente heeft dit klaarblijkelijk goed voor ogen gehouden en het is haar in ieder geval alzo geleerd, zoals blijkt uit bovenaangehaalde plaatsen.
Iemand, die in Christus is, is een nieuw schepsel, want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen, (Efeze 2 VS. 10).
Het „in Christus zijn" wordt door deze tekst wel heel duidelijk als een werkelijkheid in Christus getekend. Er is in Christus een nieuwe mens geschapen. De Zone Gods heeft onze natuur aangenomen door de geboorte uit de maagd, en dat in de gelijkheid des zondigen vleses. Hij is ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Hij is het immers, die kon zeggen : „Wie uwer overtuigt Mij van zonde ? "
Wat wij hieruit hebben te leren?
Niet alleen, dat Christus geen zonde heeft gekend of gedaan, maar toen Hij de mens heeft aangedaan in gelijkheid des zondigen vleses, is de; menselijke natuur, welke Hij aannam, door Hem gelouterd en heeft Hij de eerste Adam in gerechtigheid voor God gesteld. Hij brengt ook daarin de gehoorzaamheid, welke de mens volgens zijn schepping naar het beeld Gods Schuldig is, dat Hij die mens overeenkomstig zijn gerechtigheid de Vader vertoont,
In zoverre zou men kunnen spreken van een gelouterde mens. En zo waarlijk de Christus ook naar Zijn mensheid vrij is geweest van de zonde, zo waarlijk is Hij ook de Hogepriester, die niet vanwege Zijn eigen zonde, maar voor de zonde van anderen in de dood is gegaan. Daarom kon Hij die Middelaar zijn, die in Zijn lijden en sterven een plaatsvervangend offer heeft gebracht.
Zo is Hij ook het Godskind Jezus (Hand. 3 vs. 13), dat God tot Zich heeft genomen in Zijn heerlijkheid en hetwelk Hij uitermate heeft verhoogd.
Niet zonder oorzaak wijst de apostel Paulus op de betekenis der opstanding. Als Christus niet id opgestaan, is ons geloof ijdel. Dan zijn wij nog in onze zonden. (1 Cor. 15 vs. 17).
De dood van Christus draagt zonder twijfel een verzoenend karakter, maar aan een verzoening zonder opstanding ten nieuwen leven hebben wij niet genoeg.
In de opstanding van Christus nu is dat wonder ener nieuwe schepping geschied. Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt. (1 Cor. 15 VS. 44).
De oude mens, die gestorven was en in het graf gelegd, iS in nieuwigheid des levens herrezen, als een geestelijke mens. Vandaar die in Christus is, is een nieuw schepsel.
Want in Christus is niet alleen die Éne opgestaan, maar Hij wordt een andere Adam genoemd. Evenals Adam het hoofd is van de ganse mensheid, die uit hem geboren is, zo is deze andere Adam ook een Hoofd van een nieuw geslacht, en wel van een geestelijke mensheid, welke in Hem is geschapen.
Het geloof schouwt deze werkelijkheid in Christus, het verstaat er iets van, dat er in Christus wat groots en wonders is geschied. Het verstaat, dat God in Hem Zijn twist met de oude, verzondigde mens heeft uitgestreden, dat Christus der zonde is gestorven en dat een nieuwe mens in Hem is opgestaan, die niet alleen zonde en dood heeft overwonnen in vereniging met de Zoon des Allerhoogsten, maar ook ten eeuwigen leven is opgestaan in een verheerlijkte, geestelijke natuur.
In de Christus is alzo de nieuwe mensheid verborgen, gelijk Paulus belijdt: ons leven is met Christus verborgen bij God.
Wij zouden dit niet weten en daarvan ook onwetende blijven, indien het uit die verborgenheid niet uittrad qpi in de kinderen Gods openbaar te worden door het geloof. Het geloof is eigenlijk een werking van het nieuwe leven, dat uit Christus in de Zijnen werkzaam wordt.
Daarom staat er geschreven : Die in de Zoon gelooft, zal niet beschaamd worden. (1 Petr. 2 VS. 6). S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's