De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onderwijs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onderwijs

6 minuten leestijd

In „De Rotterdammer" van 19 dezer stond het volgende bericht: Moeilijkheden over bouw ener Bijzondere School.

De raad van Oosterhesselen vergaderde in verband met de schoolkwestie, die gerezen is over de bouw van een nieuwe bijzondere school te Geesburg.

Door het bestuur van de Vereniging voor Chr. Nat. Onderwijs te Langerak was n.l. een verzoek ingediend, waarin om financiële medewerking werd gevraagd. De raad van Oosterhesselen besliste afwijzend op het verzoek, in verband met het feit, dat veel kinderen ten onrechte op de overgelegde lijst waren geplaatst, doch het bestuur van de Schoolvereniging diende wederom een verzoekschrift in, dat eenzelfde lot onderging. Beide aanvragen voldeden niet aan de wettelijke bepalingen, doch de derde aanvrage voldeed hieraan wel. Niettemin werd wederom afwijzend op het verzoek beslist.

Het Schoolbestuur ging van dit afwijzend besluit in hoger beroep bij Ged. Staten van Drenthe, welk college het beroep gegrond verklaarde.

De meerderheid van het college van B. en W. stelde de raadsvergadering voor in de beslissing van Ged. Staten te berusten en alsnog de financiële medewerking voor de bouw te verlenen, doch een minderheid, i. c. wethouder Scheepers (P. v. d. A.) persisteerde bij het aanvankelijk ingenomen standpunt. Hij kon zich wederom niet met het voorstel, het verzoek in te willigen, verenigen en stelde voor bij de Kroon in beroep te gaan.

Dit voorstel werd tenslotte met 7-3 stemmen aangenomen. Vóór stemden de raadsfractie van de P. v. d. A. en de V. V. D.; tegen waren de beide rechtse fracties.

Vergunt me hierover een paar opmerkingen.

1. Aangenomen, dat beide aanvragen niet aan de wettelijke bepalingen voldeden, zoals het bericht zegt, zou ik toch willen vragen hoe 't mogelijk is dat een Schoolbestuur tweemaal achtereen een aanvrage, een officiële aanvrage, indient om medewerking tot schoolstichting, terwijl deze aanvrage niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Nu weet ik wel, al wordt ieder Nederlander geacht de wet te kennen, dat dit lang niet altijd het geval is, maar me dunkt, bij dergelijke belangrijke zaken als stichting van een school, moet het betreffende Schoolbestuur er toch wel voor zorgen met de wettelijke bepalingen op de hoogte te zijn en er ook naar te handelen. Was dit niet zo, dan is daar toch het Hoofdbestuur van C.N.S. of de Schoolraad, die zeker wèl weten hoe het moet ingericht worden.

Nog eens, ik wil aannemen, dat het verloop der zaak is, zoals hier vermeld, maar dan blijft het toch erg vreemd.

2. Nu de derde aanvrage wel overeenkomstig de wet is, wordt deze nochtans ook door de Gemeenteraad afgewezen. Het Schoolbestuur gaat in beroep bij Gedeputeerde Staten van Drente en deze verklaren het beroep gegrond. Dus nu komt de school er toch? Neen, nog niet. Ondanks het meerderheids-advies van B. en W. om in de beslissing van Ged. Staten te berusten en alsnog medewerking te verlenen, wordt een voorstel van weth. S., lid van de P. v. d. A., aangenomen met 7.—3 stemmen om in beroep te gaan bij de Kroon.

Die 7 stemmen waren van de P. v. d. A. en de V. V. D.

Hét blijkt in sommige gemeenten toch niet altijd even vlot te gaan met de Pacificatie op onderwijsgebied, terwijl deze toch stevig verankerd ligt in de L.O.-wet 1920.

Ik twijfel er niet aan, of er zal tenslotte recht gedaan worden, maar met dat al wordt het toch een langdurige kwestie.

Uit het krantenbericht is niet af te leiden of er zich misschien meer om deze voorgenomen schoolstichting heeft afgespeeld, en zo ja, wat?

We weten niet, wat voor omstandigheden zich hier hebben voorgedaan. Dat doet echter ook weinig ter zake. De wet heeft de scholenbouw voor het Bijzonder Onderwijs wel met zodanige en zovele waarborgen omringd, dat niemand zich daarover zorgen behoeft te maken. Het is natuurlijk een feit, dat men over het al of niet wenselijke van de bouw ener Chr. School verschillend kan oordelen en evenzeer of nog meer over de noodzakelijkheid daarvan. Maar het is niet minder een feit, dat persoonlijke voorkeur hier toch geen rol mag spelen, doch dat gehandeld dient te worden naar wet en recht. Een practijk van ruim 30 jaren heeft nu toch wel zóveel ervaring met betrekking tot de L.O.wet 1920 opgeleverd, dat we rustig kunnen aannemen, dat er in die tijd zo ongeveer alle mogelijke gevallen van aanvragen om schoolstichting in behandeling zijn geweest, ook tot in het hoogste beroep. Nu Ged. Staten van Drente deze aanvrage hebben goedgekeurd, behoeft er dus zeker niet aan getwijfeld te worden of het Schoolbestuur heeft tenminste ditmaal aan de wettelijke voorschriften voldaan. Dus kunnen de voorstanders van de Christelijke School ter plaatse rustig afwachten en zo nodig in hoogste instantie vol vertrouwen hun zaak verdedigen.

Kwesties en beslissingen als de onderhavige, op breder basis bekeken, mogen de mensen van het Bijzonder Onderwijs wel oproepen tot dubbele waakzaamheid. Wat een lange en zware en kostbare strijd is er gestreden in de 19de eeuw, eerst om het goed recht der ouders op Christelijk Onderwijs voor hun kinderen, en daarna om dezelfde financiële rechten als de voorstanders van het Openbaar Onderwijs, die immers hun school geheel door Rijk en Gemeente betaald kregen. En dat wel uit de belastingpenningen, die óok de voorstanders van het Christelijk Onderwijs mee opbrachten, terwijl ze daar naast nog voor hun eigen scholen te zor­gen hadden. Ze hebben er in een 80jarige strijd geweldig veel voor over gehad en als men zich nog eens verdiept in wat de historie daarvan vertelt, dan staat men enerzijds verbaasd over zo grote opofferingen, over zoveel moeite en strijd, over zoveel smaad en tegenstand, bespotting en verguizing. De ouderen onder ons kunnen er nog uit eigen ervaring van meespreken ; misschien hebben ze 't aan den lijve ondervonden.

Maar anderzijds moeten we eerbied hebben voor de taaie volharding, waarmee de strijd is gestreden en we kunnen niet anders getuigen, dan dat het voor velen is geweest een strijd in het geloof. En eindelijk is er ruimte gekomen, langzamerhand, 1887, 1905, tot 1920 uiteindelijk de Pacificatie bracht, uitgewerkt in de wet van dr. J. Th. de Visser.

Heeft misschien de ,,gelijkstelling" velen doen inslapen? Is misschien het élan bij velen weg? Dan zouden we nog bij alle winst, de slag verloren hebben. Maar dat mag toch niet en dat kan toch niet.

In de eerste plaats heeft men daarvoor te zorgen in stad en dorp, maar niet minder landelijk in de Centrale organisaties voor het Chr. Onderwijs, zoals C. N. S., C. V. O., de Schoolraad.

De zaak van het Christelijk Onderwijs heeft er recht op, dat we er met de inzet van onze ganse persoonlijkheid aan arbeiden. De geschiedenis van de schoolstrijd heeft ons in deze héél wat te leren. Maar weten onze jongeren er nog wel van?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Onderwijs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's