De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Christus en onze schepping

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Christus en onze schepping

9 minuten leestijd

De Heilige Schrift leert ons, dat alle dingen door God geschapen zijn. Alle dingen danken hun ontstaan en bestaan aan het scheppende Woord Gods. (Psalm 33:6). Ook de mens, ook wij allen, gij en ik.

Indien wij daarbij stilstaan, kunnen wij ontdekken, dat ons alledaagse, natuurlijke bestaan in nauwe relatie verschijnt met het scheppende Woord Gods en derhalve met God zelf, die spreekt en het is er, die gebiedt en het staat er. Wij leven — wij mogen ons daarvan bewust zijn of niet, uit de kracht van dat scheppende Woord ons alledaagse, natuurlijke, verzondigde leven.

Bedenken wij dan verder, dat Hij, die ons „van den beginne" aan wordt voorgesteld als het Woord, (denk aan Genesis 1 en 2 en aan Johannes 1 : 1 — 14) door de voortgaande openbaring wordt bekend gemaakt als de eeuwige Zone Gods, de Gezalfde des Heeren, de Christus, dan kunnen wij tot het inzicht komen, dat ons gewone, alledaagse, natuurlijke bestaan in zo nauwe en afhankelijke levensbetrekking tot Hem staat, die zegt: ,,Zonder Mij kunt gij niets doen." (Joh. 15:5).

De betekenis van dat woord kunnen wij niet ernstig genoeg beseffen: „zonder Hem niets doen". Niet gaan, niet liggen, niet zitten, niet spreken, niet denken, niet ademen, niet slapen en niet waken, kortom niet leven, bewegen en zijn. Want Hij is het, door wien alle dingen gemaakt zijn, die gemaakt zijn.

Wij willen deze betrekking tot Hem, die ons als het levende Woord, dat bij God was en God was, wordt voorgesteld, met nadruk naar voren brengen en wel voornamelijk om twee redenen: ten Ie om te wijzen op de goddelijke grond van ons alledaagse, z.g. ,,natuurlijke" leven. Ten andere om de aandacht te vestigen op de genade Gods, waarin wij allen delen, aangezien wij de adem des levens verbeurd hebben en dagelijks onze schuld nog groter maken —• en nochtans in dit leven door God worden gedragen !

Wij gebruikten met opzet de woorden: ,,gewone, alledaagse, z.g. natuurlijke bestaan".

Velen maken onderscheid tussen het ,,natuurlijke" en het ,,geestelijke" leven. Dat is in zekere zin goed. De Schrift doet dat ook. Herinner u slechts het bekende opstandingshoofdstuk, 1 Cor. 15.

Doch, waartegen wij waarschuwen willen, is een ongeestelijke, onschriftuurlijke onderscheiding, waarbij het ,,natuurlijke" als ware het een onverschillig en neutraal gebied op zich zelf wordt gezet. Wie dat doet, miskent de Bijbelse leer der schepping.

De natuur, het natuurlijke, heeft geen wortel in zich zelf, kan op zich zelf niet bestaan en kan ook op zich zelf niet gekend worden.

Het is volstrekt niet natuurlijk, dat de aarde uitspruit en vrucht geeft. Men kan het wel natuurlijk noemen, dat de appelboom appels voortbrengt en de wijnstok druiven, omdat men geen vijgen van distelen leest. Het wordt echter al wat moeilijker om het ,,natuurlijk" te noemen, dat een verscheidenheid van kruiden, planten en bomen nevens elkander uit dezelfde aarde en onder de koestering van dezelfde zon uitspruit.

Als men dat alles zo „natuurlijk" vindt, is daarin geen vleugje van verklaring, maar spreekt men uit de ervaring, welke ons gewoon heeft gemaakt aan het zien van de dingen, die alzo plegen te geschieden. Intussen kan iemand opmerken, dat niet alleen ongeoefende en ongeleerde mensen zich schuldig maken aan een zinloos gebruik van het woord „natuurlijk", ook in de gewone spreektaal.

Het ,,natuurlijke" blijkt veelal bij nader inzicht niet zo „natuurlijk", om nog te zwijgen van een heidense wijsbegeerte, welke aan een z.g. „natuur" de oorsprong en wezensgrond van alle dingen toeschrijft, welke uit haar zouden voortkomen.

Het èèn noch het ander past in de mond van de Schriftgelovige, die geleerd heeft op het Woord Gods acht te hebben en daaruit te leven. Hij aanschouwt iets van het wonder, dat ons uit de ganse schepping aanspreekt ook in het „alledaagse en z.g. natuurlijke". Het scheppende Woord Gods is voor hem niet klankloos verstorven, maar de hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel Zijner handen werk. (Ps. 19:2).

In hem worden de gedachten vermenigvuldigd bij de overdenking van het Woord en de wetenschap wordt vermeerderd, want het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. De aanschouwing van de werken Gods bij het licht der profetie leidt de opmerkzame ziel terug naar Hem, die dit alles wrocht en zij aanbidt ootmoedig de rijkdom Zijner genade en Zijn zorgende Vaderhand.

Hoezeer gaat de Heere Jezus ons daarin voor, dat wij de z.g. natuurlijke dingen geestelijk leren zien. Hij spreekt van de leliën des velds, van de vogelen des hemels, van het zaad, van het onkruid, van het aanschijn des hemels, opdat wij hun profetische spraak leren verstaan. En, als Hij met Nicodemus spreekt over de wedergeboorte, zegt Hij, indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse dingen zoude zeggen ? Ook de aardse dingen hebben betekenis voor het geloof.

Veel te weinig worden deze dingen door ons toegepast en beoefend. En naarmate de moderne mens verder verwijderd raakt van het goddelijk onderricht en gaat gewennen aan zijn eigen wereld van staal en beton, moet hij meer en meer vervallen tot geestelijke armoede en geestelijk versterven.

Ook het kerkelijk Christendom leeft onder de druk en de ontzielende invloed van het moderne leven, met name in de grote steden, waar men ternauwernood iets anders dan mensenwerk ziet en het gezicht op de werken Gods verliest. Met name in de grote stad, maar ook op het land doet zich die invloed gevoelen. Het is een algemeen verschijnsel van de moderne tijd. Hoe kan men nog verwachten, dat mensen, in een geest van materialisme en naturalisme opgegroeid, oog zullen hebben voor de wonderen der schepping en leven uit het geloof van het scheppende Woord Gods?

Hoe zullen zij dat, als zij het niet geleerd hebben? Het is daarom nodig, dat wij ook in onze kring niet verzuimen de nadruk te leggen op de betekenis van deze dingen. Schrift en belijdenis geven daartoe genoegzame aanleiding.

Wij zijn dan ook niet van mening, dat de leer der schepping eerst vanuit de kennis van het Kruis of van de Gekruiste kan worden verstaan, gelijk sommigen willen. Hoewel wij niet tegenspreken, dat de rijkdom van Gods genade, ons in de schepping en onderhouding bewezen, eerst vanuit de uitnemende kennis van de Christus als Middelaar en Verlosser kan worden verstaan, blijven wij er bij, dat Gods Woord ons van de beginne af altijd weer bepaalt bij die God, die hemel en aarde geschapen heeft. Men leze daarop de psalmen en profeten maar eens na. En wij houden het er voor dat het goed is het Woord Gods daarin te volgen.

De Heere heeft het voor Israël nodig gevonden, alvorens de Christus in het vlees kwam en als Middelaar werd geopenbaard. Zijn volk altijd weer te bepalen bij zijn afhankelijkheid van Zijn scheppende almacht en bij de gehoorzaamheid aan Zijn wet.

Welke redenen zou men willen aanvoeren, waarom het voor Zijn volk uit de heidenen niet nodig zou zijn bepaald te worden bij deze dingen? En — waarom het voor ieder mens niet nodig zou zijn? Alleen de waarheid en de ere Gods eisen reeds, dat zij in acht gehouden worden.

Juist, omdat wij door de Schrift worden onderricht, dat het scheppende Woord, de Zone Gods is. Dezelfde, die ons is geopenbaard als de Middelaar Gods en der mensen, die verzoening heeft teweeggebracht, is er te meer grond om op die algemene levensbetrekking van alle vlees met de Christus door onze schepping te wijzen.

Want wel vraagt de Schrift : Wat dunkt u van de Christus? (Matth. 22 vs. 42). En wel kunnen wij jegens Hem een onverschillige houding aannemen, maar wij kunnen nimmer die levensrelatie, welk er krachtens ons bestaan in deze wereld alleen reeds is, ongedaan maken ! Wij leven uit Zijn hand, ja uit Zijn genade. Zonder Hem kunnen wij niets doen ! Dat geldt voor gelovigen en ongelovigen !

Wij leven uit Zijn scheppende kracht ons verzondigde leven en daarom leven wij wetende of onwetende uit Zijn werk der verzoening.

Deze algemene waarheden moeten wij niet vergeten. Onder elkander niet, maar óok niet ten aanzien van degenen, die buitenstaan en dreigen te worden overgegeven aan een wis verderf.

Wij allen hebben als gewone, alledaagse mensen met de Christus van doen en wij zullen dat ontdekken.

Immers aan Hem, die ons geschapen heeft, en die zichzelf geofferd heeft tot in de dood voor de zondaren, aan Hem, die is opgestaan en gezeten aan de rechterhand Gods, is ook het oordeel gegeven. Wie is het, die verdoemt? Christus !

Welk een rust voor Paulus, welk een rust voor allen, die met Paulus mogen roemen in de genade, omdat zij in Christus zijn. Zij zullen niet geoordeeld worden.

Maar welk een verschrikking, voor Zijn rechterstoel te verschijnen en rekenschap te moeten geven van het leven, dat wij uit Zijn scheppende kracht ontvingen, indien Hij voor ons een onbekende is gebleven. Welk een ontdekking, dat Zijn macht ook gaat over de oorden des verderfs, zodat er geen ontkomen is.

Als dan de glans der Waarheid over het leven opgaat, zal hij, die het treft, dan niet ontwaken en smeken : laat mij terug gaan om die anderen te waarschuwen.

Er zal geen ander antwoord zijn dan hetgeen wij uit de mond van Christus kennen: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen. (Vgl. Lukas 16 vs. 29, 31).

Laten zij, die kennis mogen hebben van de genade Gods in Christus, deze dingen eens ter harte nemen met het oog op degenen, die in ongeloof en onwetendheid wandelen.

Wij erkennen ten volle de grote betekenis van de allervoornaamste levensvraag : Hoe vind ik een genadige God in de hemel! Voor de persoon is er geen vraag van meer belang. Juist daarom is het ook van zo grote betekenis, dat wij de Heere Christus door een waarachtig geloof eigen zijn en daarom ons geloof aan de Schrift toetsen.

Maar als dan de ware levensernst en ware levenskracht door genade in ons werkzaam zijn, moet er toch ook iets openbaar worden van die liefde van Christus, die uitdrijft.

In geen geval kan het een teken van gezond leven zijn, als wij ons in ons eigen heilige huisje opsluiten en zelfs jegens onze naasten onbekommerd blijven.

Laten wij elkander voorhouden, dat wij door het Woord geschapen zijn en hoe ons dat Woord in de Schrift wordt geopenbaard.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Christus en onze schepping

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's