Herinneringen aan 1834
Dezer dagen bezocht ik op een vacantietocht door Groningen natuurlijk ook Ulrum, de plaats, waar de afscheiding in 1834 begon. Deze welvarende gemeente, gelegen tussen de korenvelden, bezit een mooie Hervormde kerk, in Romaanse stijl gebouwd. Waar men ook kerken verknoeide, in Ulrum deed men dit niet. Geen ontsierende bijgebouwen werden aan de kerk geplakt, van binnen en van buiten is de stijl van de kerk door eeuwen gehandhaafd. Het fraaie meubilair, dat wel uit veel later tijd zal zijn dan de middeleeuwse kerk, doet het intussen goed en past bij de bakstenen muren en gewelven. Het geheel is wat drukkend, wat zwaar op de hand.
Dit is dan de kerk, waar ds. H. de Cock zijn verandering onderging, waar hij na zijn, laat mij zeggen, vrijzinnige periode Gereformeerd ging preken. Dat was een zegen. En zegen van boven, brengt ook altijd zegeningen met zich, als ook weerstand. Staande in die kerk, moet men wel denken aan de grote toeloop van mensen, die hier en toen plaats vond. De geschiedenis behoeven wij voor u niet op te halen. De Godvruchtige ds. H. de Cock werd geschorst en afgezet in naam om doopquaesties, in feite om zijn leer. Zoals het gehoor niet alleen uit Ulrum kwam, zou ook deze afzetting, die op afscheiding uitliep, niet tot Ulrum beperkt blijven. Velen in Groningerland en in andere delen van ons land gingen en deze scheiding zou zich uitstrekken tot in verre jaren. De moeite waard is het, om in het vreemdelingenboek eens een uur te bladeren, om te zien hoe kerkhistorici uit de Ned. Hervormde Kerk dit kerkgebouw bezochten, maar vooral afgescheidenen uit de Gereformeerde Kerken, uit de Christelijk Gereformeerde Kerk, uit de Gereformeerde Kerken onderhoudende artikel 31 en vooral ook afgescheidenen, die zich in de Verenigde Staten en Canada gevestigd hebben. Namen vindt ge daar van allerlei vooraanstaande mannen uit die kerken en ook namen van nakomelingen van de voormannen van de scheiding. Van Raalte's e.d. Ook namen, bekend uit de dagen van de doleantie, komen in dit boek voor. 't Is goed, dat deze afgescheidenen hun schreden nog eens richtten naar zo'n oude Hervormde kerk. Ik hoop dat wij daar een heimwee in mogen zien naar de plaats van hun en onze voorvaderen, of liever naar de plaats, waar de Heere woonde onder de lofzangen Israels. En nog schoner zou het zijn, als dat heimwee gepaard ging met een besef van schuld, die zij daar toen en eerder maakten. Dat is iets, waarop wij bij onze gescheiden broeders nog altijd wachten. Wèl zijn er in de loop van de tijd nog weer heel wat afgescheidenen wedergekeerd, maar wij betwijfelen of dit wel geschiedde uit een gevoel van schuld. Zo menigeen toch keerde weder binnen de oude muren, om in de Hervormde Kerk in wat groter verband te kunnen leven, ook omdat de scheiding, die met menige nieuwe scheiding vermenigvuldigd werd, toch wel vermoeide, vaak helaas ook om in de Hervormde Kerk leerstellig wat vrijer te kunnen leven.
Hoe vaak gedroegen zich die wederkerenden allesbehalve Gereformeerd ; het Gereformeerde bloc in de Hervormde Kerk versterkten zij zelden en dit deed ons te smartelijker aan, als de Gereformeerd gezinden in de Hervormde Kerk juist in hen hun grootste tegenstanders vonden, die in heftigheid van toon niet onder deden voor degenen, met wie eertijds hun vaders te kampen hadden. Maar goed, op dat schuldbesef ten aanzien van de Hervormde Kerk wachten wij toch nog altijd. Mij dunkt, het moet de gescheidenen toch óok wel opvallen, dat de afscheiding hun zelf en ons volk niet enkel zegen gebracht heeft. Wij ontkennen het niet, dat men in zijn gescheiden kerken veel zegen van boven ontvangen heeft, dat daar vooral voorheen goede preken en studie's geleverd zijn, dat daarvan een kracht is uitgegaan onder hun volk. Wij ontkennen het niet, dat de scheiding op het gebied van kerk en staat mannen geleverd heeft van formaat. Wij ontkennen het zelfs niet, dat de afscheiding het in de Hervormde Kerk achter gebleven volk meer teruggeroepen heeft tot de waarheid en geoefend heeft tot het spreken van kloeker taal. Maar dat alles neemt niet weg, dat de scheiding niet enkel op zégen kan bogen. Wie in Ulrum en omgeving rondziet, vindt daar naast, of moet ik zeggen tegenover elkaar, een Geref. Kerk, en Chr. Geref. Kerk en Geref. Kerk onderhoudende art. 31. Juist Groningen laat dit alles zo schril zien. Zegt hun dit niets?
Wie geen vreemdeling is in het kerkelijk leven van de gescheiden kerken, weet dat het in de Gereformeerde Kerk en in de Chr. Gereformeerde Kerk en in de Gereformeerde Gemeenten (die men dan in Groningen niet veel vindt) kraakt en barst, zó, dat dezelfde verwijten, die eertijds aan de Hervormde Kerk gemaakt zijn, nu onderling gehoord worden, en wie iets dieper kijkt en de theologische achtergronden van de geschillen ziet, die weet dat ook daar stromingen zijn, verwant aan die, welke de Hervormde Kerk te zien geeft, 't Is zelfs zó, dat wij uit alle gescheiden kerken bepaalde groepen niet eens graag zó in de Hervormde Kerk zouden zien wederkeren. Zij zouden in onze kerk de verhoudingen alleen maar moeilijker maken. Daar is de laatste tijd wel enige toenadering, kerkelijke gesprekken zijn wel gaande, deputaten tot samenspreking worden wel benoemd, maar wij zouden liever dit geheel gedragen willen zien door schuldbesef, schuldbesef t.a.v. de oude kerk en t.a.v. de waarheid, waarin zovelen onder hen sinds 1834 niet zijn staande gebleven. Wie de geschriften raadpleegt van Ulrum's pastor, en van zijn medestanders, moet tot de conclusie komen, dat daar verschuivingen hebben plaats gehad leerstellig en zeker ook in levenstoon en levenshouding. Verschillende vooraanstaande mannen uit de gescheiden kerken, welke wij voor degelijke mannen houden, waarschuwen hun volk zelf. Zouden wij dus ooit op een wederkeer hopen, dan zou dit niet zijn dan onder de nadrukkelijke begeerte, dat die wederkeer plaats vond uit dezelfde motieven, die hun toen tot heengaan noopten. En wij voegen er bij, dat niets ons liever zou zijn. Honderd twintig jaar afgezonderd leven, kan hun geleerd hebben dat de scheiding de oplossing van het kerkelijk vraagstuk niet gebracht heeft, voor hen niet en voor ons niet.
Een bezoek aan Groningerland kan ook ons Hervormden wat leren. Vooreerst kan het ons smart leren over wat toen gebroken is. Wij hebben daar weinig smart over. Wij gebruiken de dingen, die wij er van weten hoofdzakelijk als strijdmateriaal of als een stuk interessante historie. Het is het lichaam van Christus (de kerk) dat toen gescheurd is. Geen afgescheidene van nu zal nog willen staande houden dat toen heel het lichaam van Christus heengegaan is. Ik meen te moeten opmerken dat er in onze kerk bij lange na niet die openheid is naar deze rechts georiënteerde kerkengroepen dan naar de links georiënteerde. Dat is jammer. Heeft men dan na al dat getob en geworstel van deze grote honderd jaren nog niet ingezien dat daar wat goeds van ons is heengegaan, een deel van Christus' lichaam ? Mist de hand de voet dan nog altijd niet en de voet de hand ? 't Zijn toch ook geen onbetekenende leden des lichaams der kerk, die teloor gingen. In Ulrum althans is een grote Gereformeerde Kerk en slonk de Hervormde gemeente tot een groepje dat alleen met twee annexe gemeenten een behoorlijke gemeente kan vormen. De plannen die in synodale kringen thans gemaakt worden tot samenvoeging van gemeenten, soms 3 of 4, zouden in grote stukken van ons land niet nodig zijn als men wat meer zocht dit verloren gegane gebied te herwinnen. Men maakt zich er al te gemakkelijk van af als men zeggen wilde dat de kerkdeuren voor ieder openstaan en dat ze komen kunnen. Stelt niet de smart over verbroken broederbanden eisen, laat dan de oprechtheid tot schuldbesef leiden ten opzichte van hen, die niet slechts gingen, maar ook verdreven werden. Opschriften op afgescheiden kerkgebouwen in Groningerland roepen donkere herinneringen op, aan dat, wat daar door die mensen geleden werd. Op een kerkgebouw las ik : ,,De Heere bouwt Jeruzalem, Hij vergadert Israels verdrevenen". Het is te begrijpen dat de geslachten, die daar groeiden uit een voorgegeslacht van kwalijk behandelden, er niet aan denken om weder te keren. Hier zal een schuldbewust uitgaan moeten zijn van onze kerk, om hen weder te halen en te erkennen : ,, Wij en ons voorgeslacht hebben gezondigd tegen de hemel en voor U. Wij hebben een schuld aan U". En daarmee is alles nog niet gezegd, is zelfs het voornaamste niet gezegd. Niet gebrek aan liefdebetoon deed hen gaan, eigenlijk ook niet een gebrek aan goede kerkordening, maar het gebrek aan de waarheid, aan goede prediking, aan de ere van Christus. Wil onze kerk herstellen de wonden die daar geslagen zijn, dan zal zij deze dingen moeten herstellen. Men mag dan van van Vrijzinnige zijde spreken van een Gereformeerd kerktype dat sinds de invoering van de kerkorde ontstaan is en men mag dan spreken van een Gereformeerd kerktype ten aanzien van de leertucht die komt, ieder die en de ordening van nu en de leer van nu legt naast die van Dordt, zal aanzienlijke verschillen vinden. Dit is een schuld die wij aan de afgescheidenen hebben, dat dit nog steeds niet hersteld is. Ulrum en omgeving, waar het modernisme zo diep wortel schoot, kan ons wat leren. Ook dit namelijk dat ons eigen kerkvolk nog altijd wacht op een verschuldigde wederkeer. Wel geloven wij dat er door Gods Geest en genade ook in Groningerland heel wat ten goede gekeerd en aan het keren is. Dat is alleen maar verblijdend en stemt hoopvol. Wij willen er alleen bij opmerken, dat de positieve prediking van ds. H. de Cock die eertijds niet naliet indruk te maken op een volk dat daar geheel aan ontwend was, reeds een geslacht lang, ook nu zou blijken gelijke kracht te kunnen oefenen op een volk dat er geslachten lang aan ontzonken is. De Gereformeerde leer die in de heidenwereld, die aan een volk dat uit Rome werd uitgeleid, haar kracht bewezen heeft, zal die kracht ook nog wel weten te betonen aan een volk dat in het modernisme en zelfs door het modernisme heen gezakt is. Wie aan Ulrum's historie denkt uit de dagen vlak voor 1834, die zal moed grijpen uit Gods wondermacht en heil wachten uit de waarheid van Gods Woord. Dit moet dunkt ons veranderen in onze kerk, zoals er toen en daar wat veranderd is in ds. H. de Cock en in zijn gemeente. Het zal tot welzijn wezen van de kerk die wij liefhebben.
Nog één ding willen wij zeggen, een gedachte die ons in Ulrum's kerk opkwam. Is er bij de Gereformeerd gezinden in de Hervormde Kerk een wezenlijk andere houding ten aanzien van de kerk en is er bij degenen, die zich niet Gereformeerd willen noemen, een wezenlijk andere houding t.a.v. de Gereformeerden in de kerk dan dat in 1834 het geval was ? Ons wordt vaak verweten dat wij eigenlijk een scheiding voltrokken of voltrekken in de kerk en dat wij als zodanig gevaarlijker zijn dan de afgescheidenen. Het vraagt een behandeling apart om na te gaan wat daar van waar is en wat daarvan niet waar is. Eenvoudig liggen deze dingen niet. Wij zouden niet willen van de kerk afknippen die gebieden, die niet gereformeerd zijn en wij kunnen anderzijds om der waarheid wil niet laten voortgaan in de kerk hen die zich niet wensen te stellen onder de tucht van Gods Woord en de belijdenis. Maar hoe moet dit alles dan wel ? Wij zijn geneigd de beschuldiging van ons te werpen, als zouden wij aansturen op een scheiding buiten de kerk of in de kerk, maar daarmede is ook voor ons de oplossing van het kerkelijk probleem nog niet gegeven. De kerk is voor en na de Reformatie, voor en na de Afscheiding wel niet een probleem, maar wel een wonder geweest en dat zal wel zo blijven. Wie hier het volmaakte wil grijpen, vindt het niet. Dit kan Ulrum ons ook leren. Dit wat de eerste vraag betreffen wat de tweede aangaat of de houding van anders denkenden t.a.v. de Gereformeerden in de kerk anders is dan in 1834 ? Dr. W. J. de Wilde zou zeggen : „Lastige kinderen". En lastige kinderen hebben altijd maar twee kansen, buiten de deur gezet of in huis geduld te worden. Buiten de deur zal men de Gereformeerd gezinden wel niet zetten. Als ze van hen dan maar dulden, dat ze dezelfde waarheid willen voorstaan waarom ds. H. de Cock is heengegaan en dat zij niet willen rusten, voordat de kerk in haar geheel voor Gods Waarheid ootmoedig buigt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's