Het Kruis en de schepping
Wat zien wij in het Kruis, als wij met zovelen voorbijgaan aan Golgotha ? Wat heeft het ons te zeggen, als wij ons vinden onder het volk, waarvan staat geschreven: „Het volk stond en zag het aan" ? (Lukas 23 : 35).
Een gruwelijke terechtstelling. Men begrijpt niet, dat er zoveel mensen, zelfs ook heel aanzienlijke, deftige mensen uit de voorname kringen van Jeruzalem zijn uitgetogen om dit droeve schouwspel aan te zien. Edoch, terechtstellingen schijnen altijd veel belangstelling te hebben gehad in deze wereld. En zij, die iets meer van Golgotha en de voorgeschiedenis weten, kunnen misschien toch wel iets beter begrijpen, dat Jeruzalem was uitgelopen.
Het Kruis spreekt, maar het spreekt ons niet aan als de heldere sterrenhemel in de luister van zijn millioenen lichtende lampen, het spreekt van de vloek over een onwaardige, een uitgeworpene uit onze gemeenschap, omdat hij een gevaar wordt geacht voor de menselijke saamleving.
Als wij het ernstig menen en eigenlijk ook geloven, dat'd ze gevloekte een gevaar voor onze saamleving is, dan is er noch ontzetting, noch medelijden, laat staan aanbidding.
Wij veroordelen en vloeken zelf ook mee. Wij maken gemene zaak — luidruchtig of in stilte — met degenen, die de gevloekte aan het kruis slaan, en intussen voegen wij ons bij de zelfgenoegzamen, die zich zelf uitnemender achten dan die uitgeworpene.
Of staan wij onder het volk, dat er eigenlijk niets van begrijpt ? Het heeft Hoseanna geroepen, Waarom? Omdat anderen riepen. Het heeft: „kruist Hem" geroepen, ook al omdat anderen, priesters en ouderlingen, zeiden, dat zij zo roepen moesten.
Het staat daar zonder te verstaan, wat er eigenlijk gebeurt; ja, wat het eigenlijk zelf gedaan heeft, toen het riep : ,,kruist Hem !"
Goed was het eigenlijk niet! Het geweten van velen, die meegeschreeuwd hebben, is niet helemaal rustig. Wat heeft die man van Nazareth misdreven ? Zij hebben meegedaan, meegejubeld, meeveroordeeld, toen zij voor het rechtsgebouw van Pontius Pilatus stonden. Zij zijn mede schuldig aan Zijn dood. Het volk stond en zag het aan. Straks gaan zij weg met een kwaad en verontrust geweten en slaan zich op de borst.
Het Kruis spreekt van vloek, maar het spreekt ook tot het geweten, het maakt onrustig en soms wrevelig.
Er gaat van dat Kruis van Golgotha iets uit, dat beschuldigt en veroordeelt, wie onder het volk staat en het aanziet. Want het volk had Hem gezien en gehoord op de straten van Jeruzalem, in de tempel en op de wegen. Het volk hield Hem voor een profeet, voor een man Gods. Het wist eigenlijk geen raad met zich zelf. Had deze man Gods niet gezegd : dat zij de profeten doden ?
Anderen sussen hun geweten. Zij zijn heus onder de indruk gekomen van deze profeet. Zij vonden Hem soms wat revolutionair, maar het heeft hun instemming, dat hij een ander geluid durfde te laten horen dan het gewone, traditionele. Wat een heerlijke idealist! Och, neen, voor zulke mensen is eigenlijk geen plaats in deze wereld. Het martelaarschap is het enige, wat dezulken wacht en dat heeft uiterlijk veel overeenkomst met de gerechtsoefening van een boosdoener.
Dat zijn zo enkele trekjes. Maar wat het Kruis, zo aan de weg, als schandpaal en vloekhout, niet doet, van onze schepping spreken. Het spreekt van oordeel en dood.
Het gaat wel een andere taal spreken, als wij Hem kennen, die aan het vloekhout hangt. Dat was reeds het geval met de mannen uit Jeruzalem en met de oogen geopend, doden opgewekt.
Velen stonden er onder het volk, die van een en ander getuigen waren geweest, maar het deed hen niets. Toch hielden zij Hem voor een profeet.
De oversten achtten Hem gevaarlijk voor hun standje en er zijn er wellicht onder het volk geweest, die dat wel begrepen hébben, doch de grote menigte dacht zover niet. Zij hield Hem wel niet voor een misdadiger, doch zij vonden Hem toch wel zonderling.
Hoe stond het met de Emmaüsgangers ? Wij hoopten, dat Hij het was, die Israël verlossen zou. (vgl. Lukas 24:21].
En dan de discipelen ? Wat ging er in hun hart om, toen zij van verre of meer van dichtbij daar stonden bij het Kruis ? Wat heeft dat Kruis hun gezegd ? Hun, de uitverkorenen om het Evangelie de wereld in te dragen ? Hun, voor wie Christus gebeden had ? Hun tot wie Hij gesproken had van Zijn opstanding, die — sommigen althans — op de berg der verheerlijking met Hem waren geweest en die bij monde van Petrus hadden beleden : Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.
Het Kruis spreekt zonder meer geen duidelijke taak Zij die van Christelijk geloof niet meer weten, dan dat de Christenen de Gekruiste aanbidden, kunnen daarin slechts dwaasheid zien, gelijk de Romeinen, die ten spot een ezelskop op een kruis tekenden. Vergelijk ook wat Paulus zegt in de eerste brief aan de Corinthiërs (Hfdst. 1 : 23).
Van het Kruis als zodanig gaat geen openbaring uit, noch omtrent de schepping, noch omtrent de zaligheid. Nergens heeft Christus Zijn Kruis tot openbaringscentrum gemaakt. Het gaat altijd weer om Zijn prediking, om het Woord, dat Hij van de Vader ontvangen heeft, om het Woord, dat Hij aan de Zijnen heeft bekendgemaakt, het Woord, dat Hij ook bevolen heeft te prediken en waarin de Heilige Geest hen zou leiden.
Zonder dat Woord en de inwendige Leermeester verstaan wij van het Kruis evenveel of even weinig als het volk dat stond en het aanzag. Want zelfs de discipelen hebben het eerst later verstaan, toen de Heilige Geest het hun gaf te verstaan. Petrus kon niet schrijven, zoals hij in zijn brieven doet, toen hij in de dagen na de opstanding des Heeren tot de anderen zeide : „Ik ga vissen".
Uit een en ander kan blijken, dat de discipelen uit de dingen, die te Jeruzalem geschied zijn, toen de oversten de Christus overleverden om gekruisigd te worden, niets geleerd hebben dan teleurstelling. Uit het Kruis niets geleerd, ondanks het feit zelfs, dat zij daaromtrent door Christus waren onderricht: ,,Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Ouderlingen en Overpriesteren en Schriftgeleerden en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden." (Matth. 16:21).
De Heilige Geest echter heeft Zijn licht zo over het ganse onderricht van de Christus als over Zijn Kruisdood, Zijn opstanding en verhoging doen opgaan. Woord en Geest openbaren de wil Gods en het genadebestel des Heeren in Zijn Christus geschonken. Eerst in het licht der Godsopenbaring, in het licht dat God door Zijn Heilige Geest over Zijn Woord en over ons leven ontsteken wil, leren wij ook de goddelijke sprake van het Kruis verstaan.
Daarom onderschrijven wij wel dat de hoogste Godsopenbaring in Christus is gegeven, ja wij menen naar waarheid te spreken, als wij zeggen, dat alle Godsopenbaring ook die van de Wet en de profeten, ons van en door Christus zijn toegekomen en toekomen, Christus is de Openbaarder, zoals Hij ook is de Schepper. Door Hem als het levende Woord Gods zijn alle dingen gemaakt (Joh. 1 vs. l — H), maar wij zouden met recht ook kunnen zeggen ; Door Hem zijn alle dingen geopenbaard, want Johannes zegt: In het Woord was het leven en het leven was het licht der mensen.
Maar juist daarom wordt de Godsopenbaring in Christus niet beperkt tot de jaren Zijner vleeswording, zoals sommigen willen beweren. Zulke beweringen kunnen slechts gedaan worden door hen, die persoonlijke inzichten boven de Heilige Schrift verheffen. Immers de Heere Christus erkent en leert zeer duidelijk het goddelijk karakter der Schrift. (Lucas 4 vs. 1-13).
De Joden zouden dan ook van God niet hebben kunnen spreken, of in Hem geloven, voordat de Christus in het vlees kwam. En Christus zelf zegt ergens tegen de discipelen : gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. (Joh. 14 : 1).
Het is zelfs zo, dat het zien en horen van de Christus in het vlees, als zodanig nog geenszins openbaring kan worden genoemd. Vlees en bloed zag in Hem niet de Christus, want Hij zegt zelf tot Petrus : Vlees en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is. (Matth. 16:17).
Alles wat men naar waarheid van de Christus als de geopenbaarde God en de openbarende God kan zeggen, vindt zijn grond en oorsprong in de openbarende Werking van Zijn Woord en Geest.
Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn dan door de Heiliqe Geest. (1 Cor. 12:3).
Zo kunnen wij ook de Heilige Schrift slechts als Goddelijke Schriftuur ontvangen door de werking van Woord en Geest.
Zo spreekt het Kruis ons ook niet aan over onze schuld en Gods genade, zonder de werking van de ontdekkende genade in onze harten en het is van uit het geloof, dat wij over de Godsopenbaring in Christus mogen gewagen.
De aanschouwing van de vleesgeworden Christus en van Zijn Kruis leert ons op zich zelf ook niets omtrent onze schepping. Hoe zouden de heiligen van de oude dag dan over de schepping hebben kunnen spreken ? Maar de Schrift leert, dat van de schepping der wereld aan uit de schepselen de onzienlijke dingen Gods worden verstaan en doorzien beide Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid en schrijft dat uitdrukkelijk aan goddelijke openbaring toe, zie Rom. 1 : 19-20.
Het Kruis zet ons voor een onbegrijpelijk mysterie, als ons er bij wordt gezegd, dat Hij, die daar sterft, onschuldig is, geen zonde heeft gekend noch gedaan, dat Hij Gods Zoon is, die in het vlees is gekomen.
Het schijnt onredelijk, dat een onschuldige wordt gestraft met de dood, onrede lijk, dat de Zoon van God mens wordt en sterft, onbegrijpelijk, dwaas.
Misschien zou iemand op de gedachte komen dat zulk een drama mogelijk op een twist tussen God en de mens wijst. Misschien zou de gedachte opkomen, dat het met ons als schepselen Gods niet wel in orde is, dat er aan onze schepping wat ontbreekt, of dat wij de heerlijkheid van onze schepping niet bewaard hebben.
Maar waarom moet dan Gods Zoon sterven ?
Is het duidelijk, als wij zeggen, omdat Hij door God tot een Middelaar en Verlosser is gezet ?
Of wordt het verklaard, als wij de de Schrift aanhalen, die zegt: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe. (Joh. 3:16) ?
Wij blijven met het volk staan en het aanzien in verbijstering, wrevel, onwetendheid, zolang, hetgeen de Heere God in Christus gegeven heeft, ook niet in ons wordt geopenbaard tot geloof en kennis Zijner zaligheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's