Een domine vertelt
XXVIII De beloningen van het ambt
Neen, het is gans iets anders, wat mij in de gedachte komt:
Er kan bij een dienaar des Woords op Zondagavond wel eens als een heilige Sabbathstilte in de ziel liggen. Er is wat achtergebleven van de nasmaak van het Woord.
Wanneer de Heere was aan die plaats, waar wij bijeenkwamen met Zijn genade en Zijn Geest, dan werd dat genoten en gevoeld. Er werd in Gods huis iets gesmaakt van de gemeenschap der heiligen.
Dat was onder de prediking des Woords of onder de bediening van de Tafel des Verbonds. En daar bleef wat van achter, want de Heere gaf dat mee. Dan waren wij een ogenblik eens losgerukt uit de dingen dezer aarde, want het heerlijk erf van Gods kinderen vervoerde onze ziel.
Er werd ook iets gevoeld van de heerlijkheid van het ambt, waarin men als middel in Gods hand anderen tot zegen mocht zijn. En wij dachten bij ons zelf : Is er eigenlijk hier op aarde wel schoner taak te bedenken, dan deze, dat ik voor een ander een hand of een voet mag zijn op de weg naar de hemel ? En dat door middel van het Woord, dat de Heere mij toebetrouwde, om door te geven.
De Heere Jezus heeft eenmaal gezegd : „het is zaliger, te geven dan te ontvangen". Dat Woord heeft een rijke strekking en een diepe zin. Het slaat zeer zeker op onze aardse verhoudingen jegens elkander, waarin men wel eens zegt: het valt niet mee, genadebrood van een ander te eten ; behalve dan, wanneer het u van harte gegund is.
Toch is het ook dan nog wel aangenamer, het te kunnen en te mogen geven dan te ontvangen.
Geldt dit woord nu ook in geestelijk opzicht ? Is het ontvangen van vrije genade om Christus' wil ook niet iets zaligs en heerlijks ?
Zou het geven daar dan nog boven uitgaan ?
Maar wij kunnen deze twee immers niet van elkander losmaken.
Paulus zegt ook: „Wat heb ik, dat ik niet heb ontvangen'' Het is één stroom van ontvangen en doorgeven in 's Heeren Naam.
Inderdaad schoon is dat ambt der bediening, dat de Heere mij toevertrouwde, om als middel in Gods hand armen rijk te maken. Ellendigen midden uit hun hel in de hemel te zetten. Diep rampzaligen weer nameloos gelukkig te maken.
Met de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen mag ik, in de prediking des Woords de gelovigen het Hemelrijk opendoen, al moet ik het tegelijk de ongelovigen toesluiten.
Want die kracht en die werking heeft de Heere door Zijn Heilige Geest in de prediking des Woords gelegd. En als wij dan bij tijden de blijdschap of de vertroosting van die eertijds naar God bedroefden aanzien en meemaken mogen, dan vraag ik u of dat geen zoete beloningen zijn, waarbij alle aardse applaus toch niet te vergelijken is. Want hier moet alleen de Heere groot gemaakt.
Ook komt het wel voor, dat een zieke, die wij bezochten, het zozeer op prijs stelde, dat er met hem werd gesproken, omdat hij de woorden des levens indronk. Dat één bezoek voor die kranke blijkbaar van zo grote waarde was, omdat hij in ons een gezant van boven zag. Dat is ook een zoete beloning in die zin, dat wij al weer het schone van het ambt hier mogen voelen.
Eigenaardig is wel, toch ook weer begrijpelijk, dat dit laatste geval zich meer in een grote stad, dan in een dorp voordoet. In de dorpen wordt door de zieken op een bezoek gerekend ; in de steden is het voor hen nog wel eens een aangename verrassing.
En behoort er ook dit niet toe, dat er, om des Woords en des geloofs wille blijvende banden gelegd worden tussen gemeenteleden en de leraar, onder wiens prediking de Heere hun hart geopend heeft ? Al gaan er jaren overheen, deze banden slijten nooit.
Schoon en bemoedigend is het, vruchten op zijn arbeid te zien. Dan worden wij daaruit verzekerd, dat de Heere met Zijn Geest werkzaam was.
Niet, dat wij naar vruchten mogen zoeken. Want wij zouden ons daardoor maar laten afleiden van het eigenlijk doel van ons werk.
De Heere zette ons niet in het ambt, om te maaien, maar om te zaaien.
Hij haalt de tarwe in Zijn schuur. Niet wij. Mogen wij het evenwel op onze weg toch tegenkomen, dat de vruchten ongezocht daar liggen, dan is dat heerlijk en bemoedigend.
Ik kan mij voorstellen, dat hier vele vragen boven komen, vooral bij ambtsdragers, die met vele teleurstellingen te worstelen hebben.
Gevoelden wij maar meer de heerlijkheid van het ambt; maar er komt zo dikwijls bitterheid in de ziel, wanneer alles een ploegen op rotsen schijnt. „De mensen gaan wel op en luisteren wel naar ons, maar wat werkt het uit op de massa ? Alles blijft wat het is" ; zo spreekt en denkt meermalen in ons een verkeerd nuchtere geest van twijfel en ongeloof.
Wij slaan dan de mensen gade ; luisteren naar hun gesprekken en het valt ons tegen. Die geregeld onder Gods Woord verschijnen, gedragen zich ook al niet beter, dan degenen, die alles verwierpen. Kortom : wij zien geen onderscheid.
Dat zijn zeker dingen, die ons vaak bezwaren kunnen. En toch, als wij verandering kennen aan eigen hart en leven, dan weten wij, hoe dat bij ons gegaan is. Hadden wij het wellicht ook niet lang verzwegen, vóór wij openbaarden, wat er in ons omging ? Is de Heere dan niet machtig, om ook in stilte voort- en door te werken ?
Het Evangelie is en blijft een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft. Het Woord Gods zal niet ledig wederkeren, maar het zal doen, wat de Heere behaagt, en voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Hij het zendt.
Wij moeten dan de uitkomst in Zijn handen laten, zo wij Gode maar een goede reuk van Christus zijn, èn in degenen, die zalig worden èn in degenen, die verloren gaan. Dan zal de Heere ons sterken en stalen om voort te gaan, niet alleen maar smekend „of de Heere er toch nog eens ééntje bekeren mocht", maar bovenal vertrouwend, dat de Heere het verbond met Abraham, Zijn vrind van kind tot kind bevestigt.
En ook, dat als er een hand vol koren in het land is op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon. (Psalm 72).
Dat ruisen van Gods Libanon is hier en daar, ook in ons vaderland nog wel waarneembaar.
Zijt toch gerust, gij ambtsdragers, waar ter wereld ook en leg uw oor maar veel te luisteren aan het geruis van de gang des Heeren, opdat gij hieruit weer moed moogt putten voor verdere arbeid.
Men heeft de ambtsdragers wel eens deze vraag gesteld : ,,Wanneer gij uw leven van voren af kondet beginnen, zoudt gij weer predikant worden !"
Er zijn er, die onder de indruk van hun teleurstellingen met een bitter: „neen!" antwoorden.
Er zijn er ook, wier hart onder deze vraag een open boek wordt voor het aangezicht des Heeren en die het voor Hem zouden neerleggen : „Heere, Gij weet het, dat ik eertijds niet anders kon. Dat ook van uit mijn ambtsbediening zovele zonden en schulden mij aanklagen. Dat ik nochtans ook nu niet anders kan l"
Zij zouden ook dan, wanneer zij weer van voren af aan konden beginnen, vragen : ,, Heere, maak het mij weer, ambtsdrager in Uw Dienst. Maar dan alleen in Uw gunst: Anders niet!"
Gelijk de dauw op d' avondvelden viel. Zo kan een stille sabbat dalen in de ziel; Wanneer de prediking des Woords volbracht is ;
De naklank daarvan altijd nog met macht is.
Schenkt niet de Heer' een stukske zaligheid
De dienstknecht, die tot Zijne Dienst bereid
Het Woord dan doorgaf' zoals Hij dat schonk En zelf ook iets van Zijne liefde indronk ?
Genoten anderen, dan genoot hij zelf ook mee.
Ontving hij mede iets van 's Hemels vree; En als God Zelf dan sprak : „Zó was het goed l"
Was die beloning hem niet wonder zoet !
Mocht hij voor kranken ook tot zegen zijn In hun benauwdheid; in hun zielepijn ; Wanneer hij somtijds in hun ogen las. Dat hij het middel in Gods hand hier was.
(O, dat was schoner dan 't applaus der aard. Dat heden klinkt en morgen is verjaard. Dat vleit de mens in zijn zo hoge waan En dat hem straks zo bitter arm laat staan).
Hieronder zinkt hij neder in het stof. Weerklinkt niet zijn, alleen des Heeren lof In diepe ootmoed heeft hij hier gebeefd Die dienstknecht heeft niet tevergeefs geleefd.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's